Communicating the Christian message

 

 

De christelijke boodschap communiceren: een vraag aan dominees en catecheten door Paul Tillich (zie: http://www.religion-online.org/showarticle.asp?title=715)

Oorspr. in: Union Seminary Quarterly Review, VII, 4 (NYC, June 1951)
Ook gepubliceerd in: Theology of Culture (NYC 1959), H. 15.

De vraag die in dit hoofdstuk voorligt is niet zozeer: wat is de inhoud van de christelijke boodschap, maar eerder: hoe zal de boodschap (die in feite voorondersteld is) mensen van onze tijd raken? M.a.w., wij zijn hier bezig met de vraag: hoe kan de boodschap gecommuniceerd worden? Wij vragen ons af: hoe kunnen we er voor zorgen, dat de boodschap gehoord en gezien wordt, en dan: wordt zij verworpen of aanvaard? De vraag kan niet zijn: hoe communiceren we het evangelie zo, zodat anderen het zullen aanvaarden? Want daar bestaat geen methode voor. Het evangelie communiceren betekent het de mensen voorhouden, zodat zij in staat zijn ervoor of ertegen te beslissen. Het christelijk evangelie is een zaak van beslissing: het wordt aanvaard of verworpen. Het enige dat wij, die het evangelie communiceren, kunnen doen is ervoor zorgen, dat het een echte beslissing is. Zo’n beslissing moet gebaseerd zijn op begrip en op deelname. We kennen allen het vervelende gevoel, wanneer we mensen ontmoeten, die het evangelie afwijzen, hoewel ze daar eigenlijk niet bevoegd toe zijn (er geen geldige gronden voor hebben), of anderen ontmoeten, die geen echte beslissing kunnen nemen, omdat het evangelie nooit goed met hen gecommuniceerd is. Een andere ervaring is, die maar ten dele minder pijnlijk is, mensen te ontmoeten, die het evangelie aanvaard hebben, zonder dat zij in staat waren daar ooit een beslissing in te nemen, omdat het nooit een zaak van twijfel was. Het kwam tot hen als een zaak van gewoonte, een manier van doen, een sociaal gebeuren. Dit kan nooit het evangelie zijn! Het evangelie echt communiceren betekent het mogelijk maken een definitieve beslissing ervoor of ertegen te nemen. Wij die het evangelie communiceren moeten de anderen begrijpen, we moeten tot op zekere hoogte aan hun leven deelnemen, zodat hun verwerping deels ook een uitwerping betekent, een eruit gooien op het moment, dat er iets in hen begint wortel te schieten. Tot dat punt kunnen we hen brengen. Dat betekent nu precies het evangelie communiceren. I. We komen dus nu bij de vraag: waar leven de mensen met wie wij het evangelie communiceren, en wel zo, dat zij in staat zijn een echte beslissing te nemen? Er is één algemeen antwoord, dat we meteen kunnen geven: zij allen delen in het menselijke bestaan. Dat is een erg universeel antwoord, maar het is in geen geval een gemakkelijk antwoord. Laten we een paar implicaties van deelname aan de menselijke existentie bespreken. We komen dan bijv. te spreken over de angst om eindig te zijn, om onderworpen te zijn aan het lot en/of bestemming, ja dat wij allen zullen

moeten sterven. Dominees brengen dit in hun preek ter sprake. Maar laten we aannemen, dat dit een algemene implicatie van alle mensenlijk bestaan is, dan kan iemand die spreekt namens de mensen in India zeggen: “zo’n bewering over angst geldt niet voor India, waar dat soort angst voor de dood, die wij in het Westen vinden, niet overheersend is”. Of stel dat we spreken over onze schuldgevoelens als een implicatie van het menselijk bestaan. Hoogstwaarschijnlijk komt er dan protest vanuit de hoek van de moderne psychologie, die zegt: “ieder schuldgevoel is te wijten aan neurose die in onze eerste jaren gevormd wordt of een gevolg is van een of andere individuele of sociale achtergrond en het kan verwijderd worden. Het is beslist geen karakteristiek van de menselijke natuur.” Of, in de derde plaats, we gaan spreken over de tragische situatie van de mensheid, met het oog op de wereldsituatie, dan zal iemand aanvoeren, dat deze situatie gebaseerd is op toevallig ongunstige omstandigheden, die in de loop van de geschiedenis verwijderd zullen worden. Deze critici kunnen zich tegen ons teweer stellen en zeggen, dat wat wij over de menselijke existentie zeggen, geen universele geldigheid heeft, maar contingent (toevallig) is en afhankelijk is van de plaats en de periode waarin men leeft. Deze critici houden vol, dat er geen universeel antwoord gegeven kan worden, als we letten op de vele verschillende omgevingen van volken en dat we dus eigenlijk niet kunnen spreken over de menselijke natuur en bestemming, die universeel zouden zijn. Er is maar één ding universeel, zullen zij zeggen, en dat is het feit, dat de mens veranderlijk is, dat hij open staat voor oneindige historische transformaties, dat de mens zichzelf kan en moet maken! Als we deze argumenten laten gelden, wat voor soort evangelie kunnen we dan communiceren? Is het waar, dat het bijbelse en kerkelijke evangelie een bepaald type mens vooronderstelt, die een speciale natuur en bestaan(svorm) heeft, ja, wat is ons evangelie (eigenlijk)? Als christelijke theologen geloven wij niet, dat deze mensen gelijk hebben. Wij geloven, dat zelfs als we de universele natuur van de mens reduceren tot veranderlijkheid in de geschiedenis, dat dan toch nog wel genoeg over de mens gezegd kan worden om onze interpretatie van de mensenlijke natuur overeind te houden. Nu is dat vooral theoretisch mogelijk en wij hebben het ook gedaan. Maar wat vertellen we aan mensen, die voelen, dat zij niet verwant zijn met dat soort mensen, tot wie het evangelie zich richt? Dat is iets wat we telkens weer tegenkomen. Het eerste dat we zouden moeten doen is het evangelie communiceren als een boodschap, waarin de mens zijn eigen verlegenheid leert begrijpen. Wat we moeten doen, en dat kan succesvol, dat is de structuren van angst, van conflicten, van schuld blootleggen. Deze structuren zijn werkzaam, want zij spiegelen ons wat wij zijn, wat er in ons leeft en als wij gelijk hebben, werkt dat ook zo bij anderen. Als we hen deze structuren voorhouden, dan is het alsof wij hen een spiegel voorhouden, waarin zij zichzelf zien. Of wij hierin zullen slagen weet niemand. Dit is nu eenmaal het waagstuk, dat wij moeten wagen. Het is een waagstuk, dat missionarissen altijd ondernomen hebben. Je kunt dat niet vervangen door zekerheid. We kunnen geen bewijs leveren, dat vertelt dat de menselijke natuur zus of zo is. We kunnen het alleen

wagen, met een zeker risico. En dat zou ons heel bescheiden moeten maken: we weten wat we zijn (hoewel dit de moeilijkste kennis van alle kennis is), maar we weten niet wat we worden kunnen. En we kunnen niet simpelweg afmeten wat we kunnen worden aan wat we nu zijn. Dan komt de vraag naar voren, welk evangelie zullen we dan communiceren? Niemand van ons wordt gevraagd om te spreken tot iedereen op alle plaatsen en in alle tijden. Communicatie is een kwestie van participatie. Als er geen participatie is is er ook geen communicatie. Dit is, alweer, een beperkende voorwaarde, omdat onze deelname ook altijd onvermijdellijk beperkt is. Een missionaris, die 30 jaar in China gwerkt had, zei eens: “Nu, na 30 jaar, begin ik een beetje de principes van de Chinese cultuur en hun denken te leren”. Toch was hij een van de grootste geleerden betr. de Chinese cultuur. Het echt serieuze probleem voor ons is participatie. Dat was voor de mensen van de vroege kerk veel gemakkelijker, omdat iedereen behoorde tot de hellenistische wereld, die verenigd was onder het Romeinse Rijk, waar Joden en Grieken al met elkaar omgingen lang voordat het christendom verscheen. Paulus is daar een mooi voorbeeld van. Maar zo is het niet met onze situatie gesteld. Communiceren met primitieve volken op alle zendingsvelden is altijd gemakkelijker geweest dan met de meer ontwikkelde en opgeleide mensen. De reden daarvan is, dat het karakter van de primitieve volken minder gevormd is. De moeilijkheid met de hoog ontwikkelde religies in Azie, bijv., is niet zozeer, dat zij het christelijke antwoord als antwoord afwijzen, maar wel dat hun menselijke natuur zo gevormd is, dat zij niet de vraag stellen, waarop het evangelie antwoord geeft. Voor hen is het christelijke antwoord geen antwoord, omdat zij de vraag niet stellen, waarop het christendom geacht wordt het antwoord te geven. Dit is maar één voorbeeld van het probleem van de participatie. Er zijn nog wel andere voorbeelden te geven van het problem van de participatie. Rond 1880 nam het proletariaat op het Europese vasteland onder geen voorwaarde deel aan de europese kerken. De kerken waren leeg! De grootste kerken in proletarische wijken hadden totaal geen “arbeiders” in de kerk, maar de dominees gingen (wel) tekeer tegen de atheïstische massa. Maar de massa hoorde hen niet, want ze kwamen nooit luisteren. Er was totaal geen participatie. Aan de andere kant was daar de europese intelligentsia. Voor hen werden tenminste nog enige pogingen ondernomen doordat theologen er werk van maakten aan de universiteiten. Maar voor het grootste deel was ook hier geen participatie. En gemeten naar de standaard van de hoge culturele ontwikkeling van de europese intelligentia, zo’n 50 jaar geleden (rond 1900), waren de kerken voor deze mensen oorden van bekrompen en barbaarse burgerlijkheid. We hoeven het probleem van participatie betreffende andere groepen niet aan te snijden. In Amerika weten we daar ook alles van. We weten van het bittere gevoel en de wrok van sommige groepen onder ons, niet vanwege hun gebrek aan goede wil, maar omdat wij niet in staat zijn tot deelname. Denk aan groepen als de Joden, de gekleurde mensen, ja zelfs soms ook de rooms-katholieken. Participatie betekent deelname in/aan hun bestaan, waaruit de vragen voortkomen, waarop wij geacht worden het antwoord te geven.

Laten we eens een toepassing maken naar onze kinderen. Met hen hebben we met dezelfde situatie van doen. Er zijn twee principes die we zouden moeten volgen als het de religieuze opvoeding van onze kinderen betreft. Het eerste is dat wij ons ervan bewust zijn, dat de vragen die werkelijk leven in het hart van de kinderen precies de vragen zijn, waarop de bijbelse symbolen en de christelijke boodschap een antwoord zijn, juist op die vragen! En ten tweede, we zouden moeten proberen hun bestaan te vormen in de richting van de vragen, waarvan wij geloven dat het de meer universele (vragen) zijn. Dit is toch eigenlijk ongeveer hetzelfde als wat we doen met primitieve volken op het zendingsveld. We proberen een antwoord te geven op hun vragen, maar we doen dat zo, dat we tegelijkertijd langzaam hun bestaan transformeren, zodat zij de vragen beginnen te stellen, waarop de christelijke boodschap het antwoord geeft. Maar soms is er niet zozeer een gebrek aan participatie, maar een teveel ervan! En dat is iets wat net zo ernstig en moeilijk is voor de dominee in zijn/haar werk. Dominees zijn een sociale groep, op een bijzondere plaats, in een specifieke tijd. Ze behoren niet tot de gegoede middenklasse, maar zij zijn ook niet slecht af. Ze leven in een protestants land, dat een puriteins-evangelische geschiedenis heeft en later een industriele samenleving werd. Op alle mogelijke manieren, probeeert onze samenleving - onbewust en soms bewust – alles te standaardiseren door de publieke communicatie(middelen), die op alle momenten de lucht vult, die wij inademen. Hier is participatie dus erg gemakkelijk! In feite is het zelfs zo gemakkelijk, dat we – om het evangelie te communiceren – non-participatie nodig hebben. Dominees hebben het nodig om daar afstand van te nemen en zich terug te trekken vanuit die invloeden, die iedere minuut op hen afkomen. Dit is misschien wel de moelijkste taak. Dominees behoren tot hen, die deelnemen en hebben eigenlijk maar zwakke wapens om deze particpatie te weerstaan. II. De voorgaande discussie heeft ons enkele grenzen aan de comminicatie laten zien. Maar nu kunnen we een meer positieve slag slaan. Er is iets in onze tijd gebeurd, dat veel mensen op zo’n manier heeft geopend, dat we weer tot hen kunnen spreken en deelnemen aan hun situatie. Velen zijn zich heden ten dage bewust geworden van hun bestaan en zijn de vraag gaan stellen, waarop wij een antwoord kunnen geven. Als we deze methode volgen, volgen wij de lijn van de Zaligsprekingen. Daarin verwijst Jezus ook precies naar de situatie, waarin de mensen zich bevinden en waarin zij vragen naar het Koninkrijk Gods. En juist dan kunnen zij het antwoord begrijpen en vandaaruit worden zij zalig gesproken. Dat is een methode, die wij allen meer gewetensvol zouden moeten volgen, want zowel in de zaligsprekingen alsook in onze tijd, herkennen wij daar de situatie van het existentiele conflict – de conflicten ten diepste van ons menselijk bestaan, onze verlangens, onze angsten en onze dreigende wanhoop. Sinds het midden van de 19e eeuw is in de westerse wereld een beweging op gang gekomen, die de angst omtrent de betekenis van ons bestaan tot uitdrukking brengt, de problemen betreffende de dood, het lot en onze schuld.

In de huidige literatuur worden aan dit verschijnsel vele namen gegeven. Iemand heeft het “Wasteland” of “Niemandsland” genoemd, anderen spreken van “Geen uitgang” of “De eeuw van de Angst”. Weer anderen spreken over “Het neurotische karakter van onze tijd” en een ander over “De mens tegen zichzelf” en nog weer een ander over “Ontmoetingen met het Niets”. We kunnen alleen maar met mensen spreken als we deelnemen aan hun zorg, niet neerbuigend door hen a..h.w. wakker te schudden, maar door er met hen in te delen. We kunnen alleen maar op het christelijke antwoord wijzen, als we, aan de andere kant, niet identiek met hen zijn. En ten derde is het zo, dat we deze mensen en hun ideeën kunnen gebruiken om degenen, die in onze groep zijn en daar leven als in een veilige toren, te doen ontwaken. We kunnen hen wakker schudden en hen laten stil staan bij elementen in zichzelf, die meestal toegedekt zijn door een verondersteld weten van alle antwoorden. Deze drie fasen moeten in onze gedachten houden. We moeten deelnemen aan hun leven en vragen, maar er ons niet mee identificeren. En we moeten deze dubbele houding gebruiken om de zelfgenoegzaamheid van hen, die alle antwoorden al denken te weten aan de kaak stellen, want zij zijn zich (nog) niet bewust van hun existentiele conflicten. Onze antwoorden moeten zovele vormen hebben als dat er (vele) vragen, situaties zijn, individueel en sociaal. Maar er is wellicht één ding, dat gemeenschappelijk zal zijn aan al onze antwoorden, als we tenminste antwoorden in de lijn van de christelijke boodschap. De christelijke boodschap is de boodschap van een nieuwe realiteit/werkelijkheid, waaraan we kunnen deelnemen en die ons de kracht geeft om de angst en de wanhoop op ons te nemen. En dat is het, wat we moeten en kunnen communiceren! III. Maar nu vragen we ons af, of dit de christelijke boodschap is, als we die (af)meten aan de Bijbel en de geschiedenis? We stellen daar een andere vraag tegenover: wie kan dat meten? Het protestantisme kent geen paus en als de Bijbel spreekt, dan spreekt hij tot ons. Er is bij ons geen paus, geen concilie van bisschoppen, geen ouderlingen, geen stemming door kerkleden over deze zaken. Dat was eigenlijk altijd al zo. In vroegere eeuwen van de kerkgeschiedenis formuleerden autoriteiten die punten als de bijbelse boodschap, vaak onbewust, die een antwoord gaven op vragen van mensen in die tijd en ruimte, inclusief henzelf. Zij formuleerden als de bijbelse boodschap dat wat zij konden communiceren met zichzelf en met de massa. In de vroege Griekse kerk was er de angst voor de dood en de twijfel, die de nadruk legde op het dubbele idée dat we vinden bij de vroege Griekse vaderen, namelijk dat “Leven” en “Licht” de boodschap van het christendom is. In de Grieks-orthodoxe kerk is dat nog beslissend tot vandaag de dag. Pasen is verreweg het belangrijkste feest in de Russische kerk. In de kerk van de middeleeuwen was het meer de angst die voortkwam uit de sociale en spirituele chaos die volgde op de instorting van het Romeinse Rijk, dat de transcendent-sacramentele fundering legde voor het hierarchische systeem, dat de maatschappij en individuen de weg moest wijzen. In de tijd van de Reformatie ging het over de angst voor schuld en de boodschap

van de rechtvaardiging werd beslissend bij iedere formulering van de boodschap door alle Hervormers. In het moderne protestantisme werd de boodschap een meer personalistische – en in Amerika een meer sociale – opvatting betreffende het Koninkrijk Gods als een religieuze culturele eenheid. Je zou het schematisch zo kunnen zeggen, dat het Johannes was, die het eerste deel van de kerkgeschiedenis bepaalde, dat het Petrus was, die de middeleeuwse periode bepaalde en dat het Paulus was, die de basis leverde voor de Reformatie en dat het Jezus van de synoptici was, die van bepalende invloed werd voor onze moderne tijd. Nu keren we weer terug naar Paulus, maar niet op de wijze van de Reformatie. De boodschap die door de mensen, waarover wij spraken, gehoord moet worden is de boodschap van de Nieuwe Schepping – de boodschap van het Nieuwe Zijn. We moeten om misverstanden te voorkomen ons wel haasten om er bij te zeggen, dat deze verschillende “boodschappen” elkaar niet tegenspreken. Als we over het “Nieuwe Zijn” spreken sluit dat de verzoening in, wat hetzelfde inhoudt als wat de reformatoren “de rechtvaardiging door het geloof” en “vergeving van zonden” noemden. Het sluit tevens de “waarheid” in, waarnaar de vroege kerk op zoek was: het sluit een deelhebben aan het eeuwige in. Het sluit het Koninkrijk Gods in, dat zich in de geschiedenis wil vestigen en waarvoor men strijdt, inclusief alle culturele inhoud ervan. Maar de focus in deze formulering is anders. Het centreert zich rondom wat we kunnen noemen “ de helende realiteit”, rondom de moed om “Ja” te zeggen, wanneer we nietsheid, angst en wanhoop tegenkomen. IV. We willen nu bezien wat de consequenties zijn van deze manier van denken t.a.v. een paar belangrijke leerstellingen. Allereerst de leer van de zonde. In de hele periode sinds de 18e eeuw is dit het meest aangevallen leerstuk. Een begrip als “erfzonde” werd een schande geacht en ook belachelijk gevonden. Vandaag de dag zien we in dit opzicht een geweldige verandering. Misschien moeten we deze woorden niet te vaak gebruiken vanwege hun traditionele en moralistische bijklank en het daarmee samenhangende protest ertegen. Toch kunnen we vandaag in elke preek en toespraak de fasen beschrijven van dat aspect van de menselijke situatie, dat het christendom “zonde” heeft genoemd. We kunnen begeerte, de wil tot macht en overmoed – de zelfverheffing van de mensen en de negatieve gevolgen ervan zoals zelfhaat, vijandigheid, zelfuitsluiting, hoogmoed en wanhoop beschrijven. De betekenis van erfzonde, de universaliteit ervan, haar tragische rol in de geschiedenis, kan onderstreept worden, wat bijv 20 jaar geleden niet zo kon. Want vandaag kunnen we een begrip gebruiken, dat iedereen begrijpt, namelijk “vervreemding”: vervreemding van zichzelf, van de naaste, van de grond waaruit we voortkomen en heengaan. Een diep inzicht is ontwikkeld in de moderne literatuur, namelijk, dat een van de meest fundamentele uitingen van ‘zonde’ is de ander in een object te veranderen, een ding. Dat is vooral mogelijk geworden in de industriele samenleving, waarin iedereen betrokken is bij het machinale productie- en consumptieproces en zelfs het spirituele leven in al zijn vormen is

gecommercialiseerd en onderworpen aan hetzelfde proces. Dat gebeurt in iedere ontmoeting tussen mensen. Het tweede punt, waarvoor onze situatie ons de ogen geopend heeft en dat ook een consequentie is van het concept van het Nieuwe Zijn, dat is de relatie tussen godsdienst en geneeskunde. Die relatie was volstrekt helder in de periode, waarin het begrip “redding/heling” werd gebruikt als benaming van van het christendom. Redding is heling. Dat hebben we nu opnieuw ontdekt: een nieuwe benadering van de betekenis van redding – de oorspronkelijke benadering. Het christendom is geen serie ge- en verboden. En redding betekent niet, dat de mens steeds beter wordt. Het christendom is de boodschap van een Nieuwe Werkelijkheid, die de vervulling van ons werkelijke bestaan mogelijk maakt. Dat Nieuwe Zijn transcendeert alle bijzondere geboden en verboden door één wet – en dat is geen wet – namelijk de liefde. De medische wetenschap heeft ons geholpen ook de betekenis van de genade in onze theologie opnieuw te ontdekken. Dat is misschien wel haar belangrijkste bijdrage. Je kunt mensen, die psychosomatische klachten hebben niet helpen door hun te zeggen, wat zij moeten doen. Je kunt ze alleen helpen door ze iets te geven, d.i. door hen te accepteren. Dat betekent hulp ‘door genade’ die werkzaam wordt in de helende relatie, hetzij bewerkt door de dominee of door de dokter. Dit zit natuurlijk ook in de visie van de Reformatie vervat, een visie die opnieuw ontdekt is door de medische wetenschap, namelijk dat men moet voelen, dat men geaccepteerd is. Alleen dan kan men zichzelf accepteren. Andersom zal nooit werken. Daar heeft Luther voor gevochten in zijn strijd tegen de ontaarde rooms-katholieke kerk, die wilde dat de mens zich eerst acceptabel moest maken voor God en dan zou God hem/haar accepteren. Maar het is altijd precies andersom. Eerst moet je geaccepteerd zijn. Dan kun je jezelf accepteren en dat betekent dan ook, dat je genezen kunt. Ziek-zijn, in de brede zin van lichaam, ziel en geest is in wezen ‘vervreemding’. Ons derde punt heeft te maken met de christologie. Als we spreken van het openbaar worden van het Nieuwe Zijn in Christus, dan hoeven we niet in te gaan op zaken, waarmee de vroege kerk zich bezighield omdat de Griekse filosofie daartoe a.h.w. uitnodigde. Terecht voor die periode, maar onjuist voor de onze, maar er bestond toen een noodzaak om een soort chemie te brouwen tussen de goddelijke en de menselijke natuur. Maar wij moeten voor ogen houden wat verstaanbaar is voor mensen van onze tijd en dan gaat het erom, dat we een boodschap hebben, die het existentiele conflict openbreekt en de vervreemding teboven komt. Er is een kracht boven ons bestaan, die werkzaam is door er aan deel te nemen. Dat leidt tot een ander type christologie. Christus is de plaats waar de Nieuwe Werkelijkheid volledig aanwezig is, want in hem zijn op ieder moment de angst voor eindigheid en de existentiele conflicten overwonnen. Dat is zijn goddelijkheid. Dat betekent, dat Hij niet een andere wet is. Als hij een andere wet zou zijn met geboden en verboden, zou hij gewoon het oude-zijn zijn en niet het Nieuwe-Zijn. Hij zou precies dat zijn waarvan wij juist genezen moeten worden. Maar hij kan de genezer zijn, omdat hij geen wet is. Ook hoeven wij voor deze christologie ons intellect niet op te offeren.

Dat zou dan weer een menselijke prestatie zijn, - oud-zijn,- en we zouden iemand nodig hebben, die ons kon bevrijden van dit oude-zijn. Hij is de helende kracht, die de vervreemding overwint, omdat hijzelf niet vervreemd werd. Tenslotte nog een paar woorden over de kerk in het licht van het idee van het Nieuwe Zijn. De kerk is de gemeenschap van het Nieuwe Zijn. Mensen zeggen altijd maar weer: ik houd niet van georganiseerde godsdienst. Maar de kerk is geen georganiseerde godsdienst. Het is geen hierarchisch gezag en geen sociale organisatie. Het is dit alles ook wel, maar het is allereerst een groep mensen, die uitdrukking geeft aan een nieuwe realiteit, waardoor men gegrepen is. Dat is het, wat de kerk werkelijk betekent. Het is de plaats, waar de kracht van de Nieuwe Werkelijkheid, dat is Christus, en die in de gehele geschiedenis was voorbereid en m.n. in de OT-geschiedenis, in ons komt en door ons wordt voortgezet. Zo kan bijv. gesteld worden, dat de kerk de plaats is, waar de daad van de liefde de demonische macht van ‘objectivering’ overwint, die mensen tot objecten, tot dingen maakt. Het is niet een nieuwe wet, die sociale actie eist, maar het is de plaats, waar we twee dingen kunnen doen: ons uit de situatie terugtrekken en de situatie tegemoet treden. De kerk is de plaats, waar het Nieuwe Zijn werkelijkheid is en het is de plaats, waar we naar toe kunnen gaan om het nieuwe zijn te op te nemen in onze werkelijkheid. Het is de voortgang van het Nieuwe Zijn, zelfs als de organisatie ervan altijd een verraad van het Nieuwe Zijn schijnt te zijn. Achter dit Nieuwe Zijn zien wij het goddelijke Zijn. Maar het goddelijke Zijn is niet een zijnde naast andere zijnden. Het is de kracht van het Zijn, die het niet-zijn overwint. Het is de eeuwigheid, die de tijdelijkheid overwint. Het is de genade die de zonde overwint. Het is uiteindelijk de werkelijkheid die de twijfel overwint. Vanuit het gezichtspunt van het Nieuwe Zijn is het de grond van het Zijn en is het daarom ook de Schepper van het Nieuwe Zijn. En vanuit deze grond kunnen wij de moed grijpen om het zijn te bevestigen, zelfs als we in twijfel, angst of wanhoop verkeren. Het Nieuwe Zijn betekent een nieuwe benadering van God, die mogelijk is zelfs voor hen, die lijden aan de wanhoop van de twijfel en geen uitweg zien. Nu nog een word over de term “struikelblok”. Dominees, vooral wanneer zij zich gefrustreerd voelen, zeggen vaak, dat het christendom een struikelblok moet zijn voor de meeste mensen. Toch komen er altijd een paar mensen naar onze kerk, voor wie het geen struikelblok is. Dat troost de dominee. Maar er zijn twee soorten struikelblokken. De ene is echt, dat is degene waarover gesproken is aan het begin met betrekking tot de echte beslissing. Er is altijd een echt struikelblok tegen het evangelie voor hen, woor wie het een struikelblok is. Maar deze ‘beslissing’ moet niet afhangen van het verkeerde struikelblok, namelijk onze verkeerde manier van het Evangelie communiceren, ons onvermogen om (het) te communiceren. Wat we moeten doen is het verkeerde struikelblok verwijderen om de mensen oog in oog te brengen met het ware struikelblok en hen in staat stellen een echte beslissing te nemen. Zullen de christelijke kerken in staat zijn de verkeerde struikelblokken te verwijderen in hun poging om het evangelie te communiceren?


Ga naar het overzicht Lezingen & Artikelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.