We leven in twee ‘orden’

 

 

Hoofdstuk 2

 

Uit: The Shaking of the Foundations (Paul Tillich)

Hoofdstuk 2: We leven in twee ‘orden’

Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.

2 Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend

dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan,

omdat zij een dubbele straf voor haar zonden

uit de hand van de HEER heeft ontvangen.

3 Hoor, een stem roept:

‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn,

effen in de wildernis een pad voor onze God.

4 Laat elke vallei verhoogd worden

en elke berg en heuvel verlaagd,

laat ruig land vlak worden

en rotsige hellingen rustige dalen.

5 De luister van de HEER zal zich openbaren

voor het oog van al wat leeft.

De HEER heeft gesproken!’

6 Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’

En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?

De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem.

7 Het gras verdort en de bloem verwelkt

wanneer de adem van de HEER erover blaast.

Ja, als gras is dit volk.’

8 Het gras verdort en de bloem verwelkt,

maar het woord van onze God houdt altijd stand.

9 Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion,

verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem,

verhef je stem, vrees niet.

Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!’

10 Ziehier God, de HEER!

Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen.

Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit.

11 Als een herder weidt hij zijn kudde:

zijn arm brengt de lammeren bijeen,

hij koestert ze, en zorgzaam leidt hij de ooien.

12 Wie heeft de wateren met holle hand omvat,

de hemel gemeten met een ellenmaat?

Wie heeft het stof van de aarde met een maatlepel afgepast?

Wie heeft de bergen gewogen op een weegschaal,

de heuvels met balans en gewichten?

13 Wie heeft de geest van de HEER gemeten?

Heeft iemand hem ooit raad gegeven?

14 Wie raadpleegt hij, wie biedt hem inzicht?

Wie leidt hem op de paden van het recht?

Wie leidt hem naar de wijsheid?

Wie toont hem de weg van het inzicht?

15 In zijn ogen zijn de volken

als een druppel in een emmer,

als een stofje op een weegschaal;

de eilanden weegt hij als zandkorrels.

16 Zelfs de Libanon levert te weinig hout,

te weinig wild voor een brandoffer.

17 De volken betekenen niets in zijn ogen,

voor hem zijn ze minder dan niets.

18 Met wie wil je God vergelijken,

hoe is hij uit te beelden?

19 Met een godenbeeld misschien?

Dat is door een ambachtsman gemaakt,

door een edelsmid overtrokken

met goud en zilverbeslag.

20 Met een beeld, opgericht op een bergtop?

Dat is maar een stuk hout dat niet vermolmt,

met zorg gekozen door een vakman,

die een godenbeeld wil maken dat niet omvalt.

21 Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Is het je niet van meet af aan verteld?

Is het niet al helder sinds de grondvesting van de wereld?

22 Hij troont boven de schijf van de aarde

– haar bewoners zijn als sprinkhanen –,

hij spreidt de hemel uit als een doek,

spant hem uit als een tent om in te wonen.

23 Hij maakt vorsten nietig,

de leiders van de aarde onbeduidend:

24 nauwelijks zijn ze geplant, nauwelijks gezaaid,

nauwelijks hebben ze wortel geschoten,

of hij blaast over hen, en ze verdorren

en de stormwind neemt hen op als kaf.

25 Met wie wil je mij vergelijken, zegt de Heilige,

aan wie ben ik gelijk te stellen?

26 Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?

Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken,

hij roept ze bij hun naam, een voor een;

door zijn kracht en onmetelijke grootheid

ontbreekt er niet één.

27 Jakob, waarom zeg je – Israël, waarom beweer je:

‘Mijn weg blijft voor de HEER verborgen,

mijn God heeft geen oog voor mijn recht’?

28 Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Een eeuwige God is de HEER,

schepper van de einden der aarde.

Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput,

zijn wijsheid is niet te doorgronden.

29 Hij geeft de vermoeide kracht,

de machteloze geeft hij macht in overvloed.

30 Jonge strijders worden moe en raken uitgeput,

zelfs sterke helden struikelen,

31 maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht:

hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,

hij loopt, maar wordt niet moe,

hij rent, maar raakt niet uitgeput.

Jesaja 40

Deze geweldige woorden zijn neergeschreven door die onbekende profeet tijdens de Babylonische ballingschap, die gevoegd zijn bij die van de profeet Jesaja en die we daarom wel de tweede Jesaja noemen. Laten we ons eens proberen in te denken, dat deze woorden gesproken zijn tot de ballingen van onze tijd, tot degenen die in gevangenissen en concentratiekampen zitten, gescheiden van hun echtgenoten, hun kinderen of ouders, tot degenen die wanhopig in vreemde landen ronddolen, ja tot allen, die in de hel van de(ze) moderne oorlog zijn terechtgekomen. Hoe zouden zij op deze woorden reageren en wat zouden wij er op zeggen, als ze tot ons gesproken waren? Waarschijnlijk zouden we er met ironie of boosheid op reageren vanwege hun ogenschijnlijk ‘onmogelijke’ pretenties; en we

zouden wijzen op de enorme kloof tussen de door de profeet op dramatische wijze beschreven ideale situatie en de catastrofale werkelijkheid waarin wij leven. We zouden hem afwijzen als een ‘draak’ van een optimist, die onze aandacht niet waard is. We zouden zelfs wel verbitterd en hatelijk jegens hem kunnen worden. Dat zou onze natuurlijke reactie zijn op iemand, die ons wil troosten in een situatie, waarin we zelf geen enkel lichtpuntje waarnemen en in wanhoop de mogelijkheid tot enige hoop hebben verloren.

Maar de situatie van de ballingen, die langs de rivieren zaten te wenen in Babylon, was nu juist precies zo’n hopeloze situatie. De profeet moet ook zelf wel zo’n reactie verwacht hebben, want hij sprak hun zo toe, dat zij, de ballingen, naar hem begonnen te luisteren, ruim 2500 jaar geleden. En zijn woorden zouden ook voor ons betekenisvol moeten of kunnen zijn, voor ons, die op dit moment ballingen zijn. Hij was niet minder, maar meer realistisch dan wij zijn! Hij wist, dat zo’n situatie niet een kwestie van toeval of pech was, maar dat het de menselijke situatie is, waaraan niemand en geen enkele tijd kan ontsnappen. De menselijke situatie wordt immers gekenmerkt door tijdelijkheid: ‘alle vlees is als gras en het gras verdort’. Het is een situatie, die laat zien, dat we dubbel ontvangen hebben vanwege onze zonden. Het is een situatie van vergeefsheid en onze trots heeft ons niets opgeleverd dan uiterlijk verval. Maar ondanks deze realistische kennis omtrent de natuur en het lot van de mens gaf de profeet troost, bijstand en hoop aan de natie in ballingschap, aan alle ballingen uit alle landen, aan de mens, zoals die in ballingschap verkeert in deze wereld.

De woorden uit dit machtige hoofdstuk klinken als de op- en neergaande golven van een onstuimige oceaan. Duisternis en licht volgen elkaar op; na de diepte van de zonde en de straf daarop te hebben beschreven kondigt hij vergeving en bevrijding aan. Maar als de golf is gaan liggen vraagt de profeet zichzelf af, hoe hij zo’n aankondiging heeft kunnen doen, als hij ziet, dat de glorie van de sterfelijke mens is als een ‘bloem des velds’, die verwaait als de adem van God erover blaast. Maar hij blijft niet melancholisch bij zo’n diepe constatering staan, want boven de menselijke sterfelijkheid welft het woord van God voor eeuwig. Er is iets eeuwigs waaraan wij ons kunnen hechten: Wees niet bang! De HERE God zal komen met sterke hand. Zo verheft de golf zich weer en valt daarna weer neer: de volken zijn als een waterdruppel of een stofje; alle volken zijn als niets voor Hem, bij elkaar opgeteld zijn zij nog minder dan niets. En dan verheft de golf zich opnieuw: God staat boven de omtrek van de aarde, boven alles wat geschapen is, boven het hoogste en het laagste! En als dan nogmaals de golf neerkomt en de knecht van God erover klaagt, dat God hem geen recht doet, dan luidt het antwoord, dat God handelt boven iedere menselijke verwachting. Hij geeft kracht aan wie uitgeput is en wie geen kracht heeft geeft Hij ‘power’. God handelt paradoxaal; zijn handelen gaat het menselijk begrip te boven.

Hoe moeten we deze woorden nu interpreteren? Is er een manier om de hoogten en diepten, die in dit hoofdstuk voorkomen, te verenigen? Moeten we de woorden van troost en hoop als lege beloften opvatten, die in het verleden nooit vervuld zijn en ook niet in de toekomst zullen worden waar gemaakt? Moeten we ze begrijpen als een vlucht uit de werkelijkheid van de werkelijke situatie van de mens, een vlucht in mystieke en poëtische hoogten? Maar als dat zo is, wat moeten we dan denken van het realisme, waarmee de profeet de menselijke situatie haarscherp analyseert? Hij zag de geschiedenis zoals die werkelijk was, maar tegelijkertijd keek hij verder dan de geschiedenis, naar de ultieme macht, betekenis en majesteit van het zijn. Hij kende twee ‘werelden’ van het zijn: de menselijke, politieke, historische orde en de goddelijke, eeuwige orde. Omdat hij weet had van deze twee ‘werelden’, kon hij spreken zoals hij deed, waarbij hij zich voortdurend

beweegt tussen de diepte van de menselijke nietigheid enerzijds en de grote hoogte van de creativiteit van God anderzijds.

Laten we eens kijken naar deze ‘werelden’, deze verschillende ‘gebieden’ en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Door over deze twee ‘werelden’ te spreken spreken we over onszelf, omdat wij tot beide behoren op ieder moment van ons leven en van onze geschiedenis.

De menselijke ‘orde’, die van de geschiedenis, is voornamelijk de orde of de ‘wereld’ van groeien en sterven. “Voorwaar, het volk is gras”. De ervaring van melacholie, die gewekt wordt door het vergaan en afsterven van/in de natuur, staat symbool voor het voorbijgaan van de mens. Geslacht na geslacht groeit op, levert strijd, lijdt, verheugt zich en verdwijnt. Moeten we dit alles ernstig nemen? Moeten we dit meer ernstig nemen dan het groeien en verwelken van het gras. De profeet kwam naar voren met deze vraag, toen hem gevraagd werd te spreken tegen zijn volk: Waarom moet ik tot hen spreken? Zij zijn als het gras. En we kunnen doorvragen: waarom zouden we voor hen schrijven en ons voor hen druk maken? Zij zijn toch als het gras. Wat doet het er allemaal toe, als na een paar jaar al degenen, voor wie wij schreven en spraken en ons uitsloofden zullen zijn vergaan? Zij waren als het gras, het gras verdorde en de bloem ervan brak af. Dat is de ‘wereld’ van de geschiedenis. Maar die andere ‘wereld’ verschijnt aan de horizon: het woord van God houdt eeuwig stand!

Ten tweede, de orde van de geschiedenis is er een van zonde en straf. De ballingschap, die volgde op de verwoesting van Jeruzalem, was, zoals alle profeten zeiden, de straf van het volk op hun zonden. Wij houden niet zo van woorden als ‘zonde’ en ‘straf’. Zij komen ons voor als ouderwets, barbaars en (ook) ongeschikt in het licht van de moderne psychologie. Maar telkens wanneer ik ballingen ontmoette, die een hoogstaande moraal hadden en veel inzicht kenden, ontdekte ik, dat zij zich verantwoordelijk voelden voor wat in hun eigen land was gebeurd. Ik heb ook vaak burgers uit democratische landen, ook uit dit land, ontmoet, die een gevoel van schuld uitten voor de situatie in de wereld vandaag de dag. Dit was terecht en ook de ballingen zeiden het terecht: zij waren verantwoordelijk, zoals u en ik het nu zijn! Of we het nu zonde of straf noemen, wij hebben te maken met de consequenties van ons eigen falen. Dat is de orde van de geschiedenis. Maar aan de horizon verschijnt die andere ‘orde’, die zegt dat onze strijd niet vergeefs is, dat onze misstappen vergeven zijn.

Er is nog een derde element in deze orde van de geschiedenis, waarbij eindigheid en zonde met elkaar verbonden zijn: de tragische wet, die het hele historische proces bepaalt, namelijk de wet(matigheid), die aangeeft, dat de grandeur van de mens zo te zien vervalt. De geschiedenis laat zien, dat die grandeur van de mens(heid) er is: er zijn grote en zich uitbreidende naties en rijken; er zijn zelfs mogendheden, die een zekere rechtvaardigheid ten toon spreiden. Er zijn vorsten en zelfs goede vorsten; er zijn rechters en zelfs goede rechters. Er zijn staten en grondwetten en zelfs staten en grondwetten, die een zekere mate van vrijheid verschaffen. Sommige maatschappijen zijn zo ingesteld, dat er zelfs een zekere mate van gelijkheid in voorkomt. Er zijn creatieve geesten en sommigen van hen hebben zelfs machtig veel kennis en inzicht. En juist in hun groot-zijn – en in hun macht en rechtvaardig-zijn – raken zij aan de sfeer van God en zo worden zij arrogant en zij worden gereduceerd tot niets. Zij hebben geen wortels, zij verwelken; de storm van God blaast over hen en zij vergaan. Daarover gaan de Griekse tragedies. Dat is ook de boodschap van de profeet aan de volken in de wereld. Zij zijn allen onderworpen aan de tragische wet van zelfvernietiging, de goeden en de kwaden, individuen en naties, de zwakken en de heldhaftigen. En weer verschijnt daar aan de horizon die andere ‘orde’, voorbij de geschiedenis en de tragiek: Hij geeft de moeden kracht en hun kracht vernieuwt zich, zodat zij kunnen opwieken met vleugels, zoals ook de adelaars doen.

De orde, voorbij die van de geschiedenis, is de ‘orde’ van God. Het is heel paradoxaal: de mens is als het gras, maar het woord van God, dat tot hen gesproken wordt, zal eeuwig bestaan. De mens staat onder de wet van zonde en straf, maar de goddelijke orde breekt er doorheen en brengt vergeving. De mens wordt moe en valt van de hoogte van zijn morele goedheid en van zijn jeugdige kracht blijft niets over, maar juist, wanneer hij gevallen is en op z’n zwakst is, kan men zonder vermoeidheid rennen en opvliegen met adelaarsvleugels.

Gods handelen gaat alle vooronderstellingen en waarderingen teboven. Hij handelt verrassend, onverwacht en paradoxaal. De negatieve kant van de historische orde is de positieve kant van de goddelijke orde. Het zwakke en de wanhopige, het zondige en tragische in de historische orde zijn het sterke en overwinnende in de goddelijke orde.

Een paar hoofdstukken verder spreekt de profeet over het paradoxale lot van de Knecht, de verkoren natie. Beschreven als een man van smarten, beladen met smart, wordt hij veracht en verworpen in en door de menselijke orde. Wie denkt niet meteen aan de ballingen, als men deze woorden hoort, maar dan niet alleen aan Israël, maar aan alle naties van de wereld? Maar dan verschijnt de orde van God. De verbannen natie- of (zoals de christenen later historisch ten onrechte, maar in spiritueel opzicht juist interpreteerden) de man aan het kruis vertegenwoordigt een andere orde, een orde waarin de zwakste het sterkst is, de meest vernederde de meest overwinnende. De historische, menselijke orde is overwonnen door de lijdende knecht, de gekruisigde Verlosser.

Als wij deze paradox betwijfelen, als we wanhopen aan onze menselijke situatie, als onze ballingschap zonder hoop of zin voor ons is, dan moet de profeet ons wel met schaamte vervullen over de arrogantie van ons rationalisme en de engte van ons moralisme. Hij wijst ons op de schepping van de wereld, van de mensheid, van de geschiedenis. En hij vraagt ons: “Wie heeft de Geest van God geleid? Bij wie ging Hij te rade en wie onderwees Hem en leerde Hem het pad der gerechtigheid?” Wij willen God altijd het pad van de gerechtigheid leren. We vertellen Hem, dat Hij de kwaden moet straffen en de goeden moet belonen, m.n. ook als het. Onszelf betreft. Maar Hij aanvaardt geen enkel advies aangaande de loop van de geschiedenis, zoals Hij ook geen raad ontving t.a.v. de structuur van de wereld met al haar natuurlijke vernietiging, wreedheid en vergankelijkheid. De goddelijke orde kan niet beoordeeld worden met de maatstaven van de historische orde, kan niet gemeten worden met de maat van het gemak en de moraal van de mens, met de maat van de democratie en de beschaving. Dat was het antwoord, dat Job kreeg van God, toen hij worstelde met Hem over het onbegrijpelijke onrecht van zijn lot in de geschiedenis. God rechtvaardigde zichzelf niet in morele categorieën; Hij verwees triomfantelijk naar de onnavolgbare grootheid van de natuur, die niet gemeten kan worden naar de maat van de menselijke gerechtigheid.

Maar als de historische orde niets te maken heeft met die andere orde, hoe gaat de orde van God ons dan überhaupt aan? Hoe kunnen eeuwigheid, vergeving en hulp van God ons aangaan, als wij in die andere orde verblijven, de historische orde, die staat onder de wet van eindigheid, kwetsbaarheid en straf?

Hoe kan de orde van God ons troosten in onze ellende? Hoe kunnen we luisteren naar de woorden van de profeten, die ons vertellen, dat er een einde komt aan onze oorlogvoering? Er zijn drie antwoorden op deze vraag te geven.

Allereerst: de goddelijke orde is niet (als) de historische orde; we moeten deze twee ‘orden’ niet door elkaar halen. Geen enkel levend wezen kan de eindigheid, de zonde en de tragiek teboven komen. Het is de illusie van onze moderne beschaving in deze tijd, dat men denkt die wel te kunnen overwinnen en dat wij wel degelijk zekerheid in ons bestaan kunnen bereiken. De vooruitgang lijkt de tragiek te hebben overwonnen; de orde van God schijnt

belichaamd te zijn in de vooruitgaande, historische orde. Maar gedurende meer dan 30 jaar heeft onze generatie slag op slag te verwerken gekregen, waardoor deze illusie gebroken is en dat heeft geleid tot wanhoop en cynisme bij hen, die alles wilden veranderen en die dachten de historische orde te kunnen omvormen tot de orde van God. Laten we in elk geval van de rampspoed van onze tijd leren, dat geen enkel leven en geen enkele tijd in staat zijn om de eindigheid, de zonde en de tragiek teboven te komen.

Het tweede antwoord is, dat er een andere orde is, waartoe wij als mensen behoren, een orde, die de mens altijd onvoldaan maakt met datgene wat hem is gegeven. De mens transcendeert namelijk alles in de historische orde, alle hoogte- en dieptepunten van zijn eigen bestaan. Hij gaat de grenzen van de wereld, die hem gegeven is, te boven, meer dan waartoe enig ander wezen in staat is. Hij neemt deel aan iets oneindigs, aan een orde, die niet vergankelijk is, die niet zichzelf vernietigt, niet tragisch is, maar eeuwig, heilig en zegenrijk.

Daarom, wanneer de mens luistert naar het profetische word, als hij hoort over de altijd-zijnde God en over de grootheid van zijn macht en het geheimenis van zijn daden, dan ontwaakt een antwoord op de bodem van zijn ziel; het oneindige in hem is aangeraakt. Ieder mens weet tot op zekere hoogte of diepte van zijn ziel, dat dit waar is. De wanhoop, die in ons leeft, ja ook onze onmacht om aan onszelf te ontsnappen in leven en in sterven, leggen getuigenis af van onze oneindigheid.

Het derde antwoord is, dat de twee ‘orden’, de historische en de eeuwige, hoewel zij nooit hetzelfde kunnen worden, wel in elkaar besloten liggen. De historische orde is niet gescheiden van de eeuwige orde. Wat nieuw is bij de profeten en in het christendom is – aan ider oud en nieuw heidendom voorbij – dat de eeuwige orde zichzelf openbaart in de historische orde. De lijdende Knecht van God en de vijanden onder wie hij leed, de Man aan het kruis en degenen, die onder het kruis bezweken, de balling en de vervolgde in alle perioden van de geschiedenis, zij hebben allen de geschiedenis veranderd. De sterken in de geschiedenis vallen; de kracht van ieder van ons wordt bij ons weggenomen. Maar degenen, die zwak schijnen in de geschiedenis schrijven uiteindelijk geschiedenis, omdat zij verbonden zijn met de eeuwige orde. We zijn geen verloren generatie omdat wij zoveel lijden, wij zijn geen weggevaagde generatie. Ieder van ons behoort tot de eeuwige orde en de profeet zegt tegen ons allen: Troost, troost mijn volk!


Lees meer uit: Als de fundamenten gaan wankelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.