Kennen door de liefde

 

 

Hoofdstuk 13

 

Uit: The Shaking of the Foundations

Hoofdstuk 13: Kennen door de liefde

De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.

Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;

Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.

Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.

Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.

1 Korinthe 13: 8-12

Paulus spreekt in de beroemde woorden van onze tekst over dingen, die ten dele of zoals wij zouden zeggen fragmentarisch zijn en over dingen, die volmaakt of compleet zijn. Het fragmentarische zal voorbijgaan, het volledige zal blijven. Het eerste is tijdelijk, het andere eeuwig. De fragmentarische, tijdelijke dingen zijn niet alleen die stoffelijk van aard zijn: het gaat ook om de hoogste gaven van de goddelijke Geest, namelijk de profetie, d.i. de interpretatie van onze tijd en geschiedenis, tongentaal d.i. de gave om in extase te spreken en aan te voelen; en de kennis, d.i. het begrijpen van onze eigen existentie.

Zelfs ook deze ‘geestelijke goederen’ zullen verdwijnen samen met al het materiële en intellectuele, want zij zijn alle fragmentarisch, tijdelijk en voorbijgaand. Alleen de liefde verdwijnt niet, maar duurt voor altijd, want Godzelf is liefde, volgens Johannes, die voortborduurt op het denken van Paulus.

Maar er is nog een andere overweging in onze tekst, die de woorden over de liefde lijken te weerspreken. Pauls maakt een uitzondering voor de kennis en wijst op het verschil tussen onze fragmentarische en verduisterde kennis en de volledige, directe en totale kennis, die komt. Hij vergelijkt de kinderlijke voorstellingen met de rijpe inzichten van volwassenen. Hij spreekt over iets, dat naast de liefde ook volmaakt en eeuwig is, namelijk het zien van de waarheid, van aangezicht tot aangezicht. Het is een kennis, die even volledig is als Gods kennis van ons.

Hoe verhouden deze opmerkingen zich tot elkaar? Is Paulus vergeten dat hij zojuist de vervolmaking en de eeuwigheid van de liefde alleen voorzegde? Nee,

dat is hij niet vergeten, want hij sluit dit deel van zijn brief af door het blijvende karakter van de liefde als het grootste van alles opnieuw te onderstrepen.

Of zijn de woorden over de kennis zomaar losjes ingevoegd zonder eraan te denken, dat er uiteindelijk nog een verbinding met de rest van dit stuk moest plaatsvinden? Maar ze zijn er niet zomaar ingevoegd, want er is wel degelijk een verbinding – één van de meest diepe passages uit dit machtige hoofdstuk, namelijk “zoals ik zelf ten volle gekend ben” – volledig gekend, d.i. door God. Maar er is maar één weg, waarlangs wij iemand kunnen kennen en dat is verenigd te zijn met die persoon in of door de liefde. Volledige kennis vooronderstelt volledige liefde. God kent mij, omdat Hij mij liefheeft en ik zal Hem van aangezicht tot aangezicht kennen door een soortgelijke vereniging, die liefde en kennis is, tegelijkertijd. De liefde blijft, de liefde alleen duurt voort en niets anders dan de liefde blijft bestaan, want zij is van niets afhankelijk.

In de liefde is het immers zo, dat het elkaar van aangezicht tot aangezicht zien en de kennis van het binnenste van de ander bij elkaar horen. Niet de blinde liefde is de blijvende liefde, maar de liefde die God zelf is. Dat is ‘ziende’ liefde, een kennende liefde, een liefde die schouwt in de diepten van Gods hart en in de diepte van ons hart. Voor de liefde is niets vreemd; de liefde weet alles; het is de enige macht van het volledige en blijvende kennen. In het Grieks is er een woord, dat hetzelfde is voor kennis als voor de hartstochtelijke liefde. Het kan voor beide gebruikt worden, omdat beide betekenissen een daad van vereniging uitdrukken, een teboven komen van een gescheidenheid tussen wezens.

Kennis zal worden weggedaan voorzover het onderscheiden is van de liefde; maar de kennis zal eeuwig worden voorzover zij één is met de liefde. Daarom is de maatstaf van de kennis dezelfde als die van de liefde. Voor Paulus bestaat het onderscheid tussen kennis en liefde, tussen zien en handelen, tussen theorie en praktijk alleen, voorzover er sprake is van fragmentarisch kennen. In het volledig(e) kennen bestaat er geen onderscheid tussen kennis en liefde of tussen theorie en praktijk. De liefde overstijgt de schijnbare tegenstelling tussen theorie en praktijk; het is kennen en doen tegelijkertijd. Daarom is de liefde de meeste van alle(s); daarom is Godzelf ook liefde en daarom is de Christus, als de manifestatie van Gods liefde, vol van genade en waarheid. Dat is wat Paulus bedoelt en dat is de maatstaf, die hij geeft ten aanzien van het kennen.

Laten we nu eens ons eigen bestaan in ogenschouw nemen en de kennis, die wij bezitten. Paulus zegt, dat al onze huidige kennis lijkt op het waarnemen van dingen in een wazige spiegel en daarom lijken ze op onduidelijkheden en raadsels. Dit is dus eigenlijk niets anders dan een andere manier van uitdrukken, dat onze kennis inderdaad fragmentarisch is. Immers, fragmenten,

die uit de samenhang van het geheel zijn gehaald, zijn als raadsels voor ons. We kunnen de aard van het geheel vermoeden; we kunnen het geheel indirect proberen te (be)naderen, maar het geheel zelf zien wij niet; we kunnen het niet op een directe manier oog in oog (be)grijpen. Er is sprake van een klein beetje licht en erg veel duisternis; een paar fragmenten, maar nooit het geheel; vele problemen en nooit de oplossing; alleen maar vage contouren in de spiegel van onze ziel zonder de bron van de waarheid zelf: dat is de situatie waarin onze kennis zich bevindt.

Dat is in feite ook de situatie van onze liefde. Omdat de liefde, die volmaakt en eeuwig durend is niet binnen ons bereikt ligt, zo ligt (ook) de volmaakte kennis evenmin binnen onze mogelijkheden. Zo zijn we als wezens van elkaar gescheiden en daarom (dus) ook van de ultieme vereniging en deelname aan de kennis. Deze is ook voor individuele wezens onmogelijk en daarom is ook de verbondenheid van wezens/zijnden met de grond van het Zijn zelf onmogelijk. Een groot filosoof heeft eens gezegd, dat onze kennis even ver reikt als onze creatieve wil. Dat is zeker waar voor een bepaald terrein van ons leven, maar het geldt niet voor ons leven als geheel. Het feit, dat onze kennis zover reikt als onze verenigende liefde reikt gaat zeker op voor ons menselijk bestaan als geheel.

De mensheid heeft altijd geprobeerd de raadsels van ons fragmentariche leven te ontcijferen. Het zijn niet alleen filosofen, priesters, profeten of wijzen, die dat de geschiedenis door hebben geprobeerd. Iedereen doet dat. Immers, ieder mens is (ook) zelf een fragment. En hij is een raadsel voor zichzelf en het leven van ieder individu is een geheim voor de ander, duister, verwarrend, verontrustend, opwindend. Enkel het bestaan zelf stelt ons voor de vraag wat de betekenis van ons bestaan is en zo is ons leven een voortdurende poging om het raadsel van onze wereld en van ons hart te ontwarren. Voordat kinderen zijn gewend geraakt aan de gebruikelijke reacties van volwassenen en hun creativiteit als individu zijn ontgroeid, laten zij door hun voortdurend vragen zien, dat zij niets liever willen dan de raadsels oplossen, die zij zien in de spiegel van hun beginnende ervaringen. De mens als creatief wezen op allerlei levensterreinen is als een kind, die durft te onderzoeken voorbij de grenzen van de conventionele antwoorden.

Hij ontdekt het fragmentarische karakter van al die antwoorden, waarvan iedereen eigenlijk al een donderbruin vermoeden had en dat ook onbewust werd aangevoeld. Door het stellen van één fundamentele vraag kan men een goedgeorganiseerd systeem van leven en samenleven, van ethiek en godsdienst in zijn geheel onderuit halen. Men kan aantonen, dat wat mensen voor een totaal aanzagen niets anders is dan een fragment van een fragment.

Hij kan de zekerheid, waarbij men eeuwen geleefd heeft, doen wankelen door de fundamenten als een raadsel bloot te leggen.

De misère van de mens ligt in het fragmentarische karakter van zijn leven en van zijn kennis; zijn grandeur ligt in zijn vermogen om te weten, dat zijn bestaan fragmentarisch en enigmatisch is. Immers, de mens is in staat om verbaasd te staan en vragen te stellen, voorbij de fragmenten te zoeken naar het volmaakte. Maar toch, hoewel hij daartoe in staat is, tegelijkertijd voelt hij de tragiek, die impliciet in zijn wezen besloten ligt, namelijk de tragiek van het raadsel en het fragment. Tezamen met alle wezens is de mens onderworpen aan de wet van de vergeefsheid. Maar alleen de mens is zich bewust van die wet. Hij is daarom oneindig meer beklagenswaardig dan alle andere wezens, die ook onderworpen zijn aan die wet. Anderzijds is hij er ook oneindig boven verheven, omdat alleen hij er weet van heeft, dat er iets is voorbij de vergeefsheid en het verval, voorbij de raadsels en onduidelijkheden. Paulus heeft dat goed aangevoeld, toen hij zei, dat de schepping zelve bevrijd zal worden van haar gebonden zijn aan het verval en zal komen tot de vrijheid en de heerlijkheid van de kinderen Gods.

De mens is een fragment en een raadsel voor zichzelf. Hoe meer hij dit feit ervaart en kent des te meer is hij werkelijk mens. Paulus heeft de teloorgang van een levenssysteem aan den lijve ervaren en hij dacht aanvankelijk, dat wat hij geloofde de hele waarheid en werkelijkheid was, een volmaakte waarheid zonder raadsels en losse eindjes. Maar dan ineens vindt hij zichzelf als begraven onder de brokstukken van zijn eigen kennis en moraal. Hij heeft sindsdien nooit meer geprobeerd een nieuw, comfortabel huis op te bouwen uit die brokstukken. Hij leerde leven met de brokken. Hij realiseerde zich, dat fragmenten altijd fragmenten zullen blijven, zelf als iemand probeert ze in elkaar te passen. De eenheid waartoe zij behoren ligt eraan voorbij; zij worden in hope (be)(ge)grepen, maar niet oog in oog gezien.

Hoe kon Paulus zijn leven volhouden, terwijl het zo in fragmenten lag? Hij kon dat volhouden, omdat de fragmenten een nieuwe betekenis voor hem hadden gekregen. De ‘plaatjes’ in de spiegel verwezen naar iets nieuws voor hem; het waren voorafschaduwingen van het volmaakte, de werkelijkheid van de liefde. Door de brokstukken van zijn kennis en moraal verscheen de liefde aan hem. En de liefde bezat het vermogen om de kwellende raadsels om te buigen tot symbolen van de waarheid en de tragische fragmenten om te vormen tot symbolen van het geheel.

 

Lees meer uit: Als de fundamenten gaan wankelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.