Over de vergankelijkheid van het leven

 

Hoofdstuk 8

 

Uit: The Shaking of the Foundations

 

Een gebed van Mozes, de man Gods. Here! Gij zijt ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslacht.

Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.

Gij doet de mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!

Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.

Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verwelkt;

In de morgenstond bloeit het, en het verwelkt; ‘s avonds wordt het afgesneden, en het verdort.

Zo vergaan wij door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.

Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht van Uw aangezicht.

Want al onze dagen gaan heen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

Aangaande de dagen van onze jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen. Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?

Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.

Keer weder, Here! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.

Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.

Verblijd ons naar de dagen, waarin Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, waarin wij het kwaad gezien hebben.

Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.

En de liefelijkheid des Heren, onzes Gods zij over ons; en bevestig Gij het werk van onze handen over ons, ja, het werk van onze handen, bevestig dat.

PSALM 90. (in Herziene SV) Deze psalm is heel bijzonder in zijn voortgaande afwisseling van lofprijzing en klacht, van beschouwing en gebed, van melancholie en hoop. Als we iets van de betekenis ervan willen vatten, dan moeten we haar op de voet volgen, woord voor woord en zo proberen aan te voelen, wat de dichter gevoeld heeft. We zullen trachten te zien wat hij heeft gezien en proberen te kijken naar ons eigen leven met zijn ogen, zoals hij dat interpreteert in krachtige bewoordingen. Deze woorden komen tot ons vanuit een vèr verleden, maar toch gaan zij over ons heden en over de toekomst van ieder mensenkind. Latere generaties in Israël hebben hun gevoel voor de onvergelijkelijke kracht van deze psalm tot uitdrukking gebracht door deze psalm – en alleen deze – toe te schrijven aan Mozes, die zij ‘de man Gods’ noemden. Laten wij deze psalm met dezelfde eerbied benaderen.

Zoals zovele gedeelten in de Bijbel spreekt ook deze psalm over het leven en de dood van de mens in nogal zware en pessimistische termen. De echo van wat God had gezegd tot Adam in Genesis 3 klinkt er mede in door: “Vervloekt is de aarde vanwege jou. Al zwetend en zwoegend zul je je brood eten gedurende je hele leven, ja in het ‘zweet van uw aangezicht’ zul je je brood eten totdat je tot de aarde zult terugkeren, want daar ben je uit genomen: stof ben je en tot stof zul je wederkeren”.

Het zal nog moeilijk worden om de melancholie van deze woorden te overtreffen. Even moeilijk als het voor de moderne pessimist zal zijn om de bitterheid te evenaren, waarmee Job zijn moralistische vrienden uitdaagt door te zeggen: “De mens, geboren uit een vrouw, leeft maar een paar dagen. Voor een boom, die omgehakt is is er nog hoop, dat hij nog weer zal gaan groeien, maar een mens die neerligt zal nooit meer opstaan”. En tegen God zegt hij: “U vernietigt alle hoop, die een mens nog heeft. U bent hem te machtig, hij moet sterven”. En de naturalist van onze tijd zal niets hoeven te

veranderen aan de woorden van de Prediker, als hij ontkent, dat er maar enig onderscheid is tussen mensen en beesten: “Zoals de ene sterft, zo sterft ook de ander. Beide zijn uit stof voortgekomen en tot stof keren beide terug”. De idealistische leer, dat “de geest van de mens omhoog stijgt, terwijl de geest van de beesten neerwaarts ter aarde neigt” betwijfelt hij. De mens moet maar vooral blij zijn in en met zijn werk, want “dat is zijn levensdeel, want wie kan hem laten zien wat er na hem zal gebeuren?”

Zo is de stemming van de klassieke mensheid. Velen van ons zijn daar bang voor. Het oppervlakkige christelijke idealisme kan de donkerte van zo’n visie niet aan. Maar de Bijbel denkt daar anders over. Als de meest universele van alle boeken onthult zij de eeuwenoude wijsheid omtrent de vergankelijkheid en de misère van de mens. De Bijbel doet geen moeite om de waarheid over ’s mensen leven te verbergen onder gemakzuchtige beweringen over de onsterfelijkheid van de ziel. Noch het Oude noch het Nieuwe Testament doet dat. Zij weten (beide) van de menselijke situatie en die nemen zij serieus. Zij komen niet aanzetten met een of andere gemakkelijke troost over onszelf.

In dit licht moeten wij Psalm 90 lezen. Maar de psalm gaat zelfs nog verder en begint met een lofprijzing: “HEER, U bent ons een toevlucht geweest eeuw in, eeuw uit”. Om de menselijke vergankelijkheid te beschrijven verheerlijkt de dichter de eeuwigheid van God. Alvorens naar beneden te kijken, blikt hij omhoog. Alvorens de menselijke misère in ogenschouw te nemen wijst hij op Gods majesteit. Alleen omdat wij iets zien wat oneindig is kunnen wij ons realiseren, dat wij eindig zijn. Alleen omdat we in staat zijn het eeuwige te zien, zien we dat ons een beperkte tijd is gegeven. Alleen omdat we onszelf boven de dieren kunnen verheffen, kunnen we zien dat wij zijn zoals zij. Onze melancholie over onze vergankelijkheid wortelt in ons vermogen verder te kijken. De pessimisten van onze tijd beginnen hun geschriften echter niet met een lofprijzing op de eeuwige God. Zij denken, dat zij de mens rechtstreeks kunnen benaderen door meteen te spreken over zijn eindigheid, misère en tragiek. Maar dat lukt niet. Zonder het vaak te weten hanteren zij een criterium, waarmee zij het menselijk bestaan meten en beoordelen. Dat is iets, dat buiten en voorbij de mens ligt. Als de Griekse dichters de mensen ‘stervelingen’ noemen, dan hadden zij de onsterfelijke goden in gedachten, waaraan zij de menselijke sterfelijkheid afmaten. De maatstaf van de menselijke vergankelijkheid is Gods eeuwigheid. De maatstaf van de misère en tragiek van de mens is Gods volmaaktheid. Dat bedoelt de dichter van de psalm, wanneer hij God onze toevlucht noemt, het enige dat blijft bij alle veranderingen van tijden en generaties. Daarom begint hij zijn lied over de diepste melancholie met een lofprijzing van de HEER.

Hij beschrijft Gods eeuwigheid in krachtige beelden: “Eer de bergen geboren waren en de aarde en de wereld voortgebracht waren: van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God”. Zelfs de bergen, het meest onwrikbare van alles op aarde, zijn eens geboren en zullen eens sterven. Maar God, die er was voor hun geboorte, zal er zijn na hun dood. Van eeuwigheid tot eeuwigheid, d.w.z. van vorm tot vorm en van wereld tot wereld, is Hij (er). Zijn tijdsmaat is niet de onze, “want duizend jaar zijn voor U als de dag van gisteren, die voorbij gegaan is”. Hij heeft zijn eigen maat, die het menselijk begrijpen teboven gaat. Eeuwigheid is niet het uitdoven van de tijd, maar de creatieve eenheid van alle tijden en tijdsomgangen, zowel van het verleden als van de toekomst. Eeuwigheid is het eeuwige leven en niet de eeuwige dood. Het is de levende God, naar Wie de dichter opziet.

En dan kijkt de psalmdichter neer naar de mens en schrijft: “Gij doet de mens weerkeren tot het stof en zegt: Keer weer, gij mensenkinderen”. Het lot van de dood is het lot, dat God heeft bepaald voor de mens. God levert ons uit aan de wet van de natuur, die zegt dat stof moet terugkeren tot stof: geen enkel wezen kan aan dat besluit ontsnappen. Geen enkel wezen kan Gods eeuwigheid verkrijgen. Wanneer de mens wil zijn als God – zoals het paradijsverhaal ons vertelt – door voor zichzelf de kennis over alle goede en kwade machten te grijpen, dan bereikt hij die kennis inderdaad. Maar tegelijkertijd gaan hem de ogen open en hij doorziet zijn werkelijke situatie, die verborgen voor hem was gebleven in de toestand van dromende onschuld in het paradijs. Hij zag, dat hij helemaal niet aan God gelijk was. De gave van het weten, die hij ontvangen had bevatte de bestemming te leven in sexueel onderscheid en onderworpen te zijn aan het lot van te moeten werken en sterven. Hij was ontwaakt (uit de droom van onschuld) en hij werd zich bewust van de oneindige kloof tussen zichzelf en God.

De tijd tussen ons geboren worden en sterven is maar kort. De indrukwekkende visie van de dichter daarop wordt maar fragmentarisch weergegeven, in gelijkenissen: “zij zijn als een nachtwake”, d.i. zoals één van de drie waken, waarin de nacht werd verdeeld. “Gij draagt hen weg, ja, zij zijn als slaapwandelaars”. Uit een eindeloze slaap worden wij (ineens) wakker; een derde van een nachtwake zijn wij wakker, dat is het, zo lang en niet langer; weldra komen diegenen, die ons zullen vervangen eraan en we worden in een eindeloze slaap weggevoerd, opnieuw. We gaan van de nacht naar de loop van de dag en het leven is als het gras, zoals de dichter vervolgt: “Zoals het gras dat opgroeit, ’s morgens is het fris en groen, maar bij het schemeren is het al verwelkt en verdord”. De zon, die met haar stralen aanvankelijk het gras tot leven wekt, zorgt er midden op de dag voor, dat het verbrandt en het is bij de avond al helemaal vergaan. Zo kort is ons leven en het lijkt zo lang. “Ons leven duurt zeventig jaar of hoogstens tachtig, en het meeste ervan is moeite en teleurstelling, want het is weldra voorbij en we vliegen daarheen”. Niet iedereen bereikt die leeftijd, die onvoorstelbaar is voor de jongeling, ver weg is voor de man in zijn levenskracht en het is niets voor wie die leeftijd bereikt heeft, een moment is het maar, het vliegt weg als een vogel, die men niet kan vangen en ook niet kan achterna vliegen.

Waarom is de dichter zo ernorm onder de indruk van de kortheid van ons leven? Hij voelt duidelijk aan, dat hierdoor een werkelijke voltooiing onmogelijk is. Hoewel maar weinigen hun leven zouden willen herhalen, horen we mensen wel vaak zeggen: “Als ik mijn leven nog eens over zou kunnen doen, met alle ervaringen daarin, dan zou ik het op de juiste manier kunnen leven. Het zou meer zijn dan deze gebroken scherf, dit fragment, deze gefrustreerde poging, dat ik mijn leven noem”. Maar het leven verhindert ons om opnieuw te kunnen beginnen. En zelfs al zouden we opnieuw kunnen beginnen of al zou ons leven zelfs behoren tot de meest volmaakte, gelukkigste en succesvolste (levens), zouden we ons dan terugblikkend toch niet net zó voelen als de dichter van de psalm? Zouden we niet aanvoelen, dat de meest waardevolle dingen daarin, zoals het goede, het creatieve en de plezierige momenten uiteindelijk gebaseerd waren op eindeloos gesloof en uiteindelijk uitliepen op teleurstelling? Zouden we niet opmerken dat wat we dachten dat belangrijk was het niet was? En als de dood zou komen zouden dan al onze waarden niet twijfelachtig worden? Dit was ongetwijfeld de stemming, waarin/mee de antieke dichter deze psalm opschreef.

Er zit wel een gevaar in dit soort bespiegelingen. Zij kunnen leiden tot een sentimenteel en oppervlakkig zwelgen in onze eigen melancholische stemming, tot een voldaan blijven hangen in onze droefenis, ja zelfs tot een verkeerd verlangen naar het tragische. Maar in deze psalm vinden we geen enkele aanwijzing in die richting. De psalmdichter wist iets, wat de meeste van onze huidige pessimisten niet weten, iets wat met deze zware woorden wordt uitgezegd: “Want wij vergaan door uw toorn en in uw verbolgenheid verkwijnen wij. U hebt onze ongerechtigheden voor uw aangezicht geplaatst, alsook onze meest verborgen daden”. Deze woorden duiden op iets, wat wij niet in de natuur aantreffen: de schuld van de mens en de toorn van God. Zo wordt een andere orde in/van de dingen zichtbaar. De natuurwet van “stof tot stof” alleen verklaart de menselijke situatie niet. Dat de mens onderworpen is aan deze wet is de reactie van God op de poging van de mens om als God te willen zijn. We moeten sterven, omdat wij stof zijn. Dat is de natuurwet, waaraan wij samen met alle wezens onderworpen zijn – bergen, bloemen en beesten. Maar tegelijkertijd moeten wij sterven, omdat wij schuldig zijn: dat is de morele wet, waaraan alleen wij zijn onderworpen. Deze beide wetten zijn in gelijke mate geldig en over beide wordt gesproken in alle delen van de Bijbel.

Als we de psalmdichter of andere bijbelschrijvers konden vragen, hoe zij dachten dat deze wetten met elkaar verbonden waren, dan zouden ze dat niet gemakkelijk kunnen beantwoorden. Evenals wijzelf vonden zij de dood niet alleen maar natuurlijk, maar ook onnatuurlijk. Iets in ons verzet zich tegen de dood, waar die ook maar verschijnt. We komen in opstand als we een lijk zien, we rebelleren tegen de dood van kinderen, van jonge mensen, van mannen en vrouwen in de kracht van hun leven. We voelen zelfs ook een tragisch element, wanneer oude mensen sterven, met al hun ervaringen, wijsheid en onvervangbare individualiteit. Wij zouden er niet tegen in opstand komen als de dood eenvoudigweg natuurlijk zou zijn, zoals we ons ook niet druk maken om het vallen van de bladeren. We accepteren het, dat zij vallen, hoewel het ons met melancholie vervult. Maar we accepteren niet op dezelfde manier de dood van een mens. We komen ertegen in opstand en

aangezien ons verzet nutteloos is vervallen we in berusting. De rebellie tegen de dood en de berusting in de dood strijden met elkaar in ons, waaruit blijkt dat het niet natuurlijk is, dat wij sterven.

De dood is het werk van de toorn van God: “Want al onze dagen vergaan door uw toorn; we brengen onze jaren ten einde als een oogwenk – zo kort als een oogwenk vergaan zij vol triestigheid als een gedachte”. De gedachte van de toorn van God is voor ons mensen in deze tijd een vreemde gedachte geworden. We hebben een godsdienst die van God een woedende tiran scheen te hebben gemaakt, een persoon met hartstochten en verlangens, die naar willekeur deed wat Hij wilde, en die hebben wij afgewezen. Maar dat is niet wat de toorn van God betekent. Het betekent de onontkoombare en onvermijdellijke reactie tegen iedere inbreuk op de wet des levens en vooral ook tegen de menselijke trots en arrogantie. Deze reactie, waardoor de mens teruggeworpen wordt binnen zijn eigen grenzen, is geen hartgrondige daad van straf of wraak van Godswege. Het is veeleer het weer aanbrengen van de balans tussen God en de mens, die verstoord was doordat de mens zich verheven had tegen God.

De dichter drukt zijn begrip van de verhouding tussen God en de mens diepzinnig uit, als hij stelt, dat God onze diepste innerlijke geheimen plaatst in het licht van Zijn aangezicht. God’s toorn richt zich niet tegen onze morele tekortkomingen, tegen bijzondere daden van ongehoorzaamheid jegens de orde van God. Zij richt zich tegen het geheim van onze persoonlijkheid, tegen wat in en aan ons gebeurt, zoals dat gezien wordt door mensen, maar niet gezien wordt door onszelf. Dit, ons geheim, bepaalt ons lot, meer dan iets wat zichtbaar is. Als het gaat om onze zichtbare handelingen daarvan zouden we kunnen vinden, dat die niet God’s toorn verdienden, want dat is enkel misère en tragiek. Maar God kijkt door de sluiers, die onze geheim verhullen, heen. Zij zijn voor Hem duidelijk zichtbaar. Daarom voelen wij ook iedere dag de last van onder een macht te zitten, die ons weerstaat, waardoor wij onze integriteit verliezen en wij ongelukkig worden. Dat is in feite de toorn, die ons dagelijks bezoekt, - en dus niet alleen wanneer we bijzondere mislukkingen of leed ervaren.

Zo is de situatie van alle mensen, maar niet alle mensen weten dat. “Wie kent de kracht van uw toorn en wie van ons vreest uw wraak? Zo leer ons onze dagen te tellen, zodat ons hart vol wijsheid wordt”. Psalm 90 tracht ons de waarheid bij te brengen aangaande onze menselijke situatie, onze vergankelijkheid en onze schuld. Het is precies zoals de klassieke tragedies deden. Zij onthulden aan alle mensen in de stad, die bijeen gekomen waren in het theater, wat de mens is. Zij lieten de mensen zien, dat de grootste, de beste, de mooiste, de machtigste – ja, die allen – onderworpen waren aan de wet van de tragiek en aan de vloek van de onsterfelijken. Zij wilden de tragische situatie van de mens onthullen, d.i. zijn situatie zoals die is ten overstaan van God. Hij klimt op en wordt trots en tracht aan de sfeer van God te raken, maar hij wordt neergeworpen in wanhoop en vernietiging. Dat is precies wat de psalmdichter aan de rechtvaardige en onrechtvaardige volksgenoten wilde openbaren – wat zij zijn, wat de mens is.

Maar de psalmdichter wist ook, dat mensen hun lot gauw vergeten, ook al is men er op een bepaald moment van onder de indruk. Hij wist, dat de mensen leven alsof men het eeuwige leven heeft en alsof de toorn van God niet bestaat. Daarom vraagt hij ons (ook) om onze dagen te tellen, om te overwegen hoe snel die ten einde zullen geraken. Hij smeekt God of Hijzelf ons zal onderrichten, dat we moeten sterven.

De dichter van deze psalm denkt niet, dat de uitwerking van wat hij heeft gezegd zal zijn, dat men wanhopig zal worden. Integendeel, hij gelooft dat dit inzicht ons een wijs hart geeft – een hart dat de oneindige afstand tussen God en de mens aanvaardt en dat deze dus niet de grandeur en zaligheid, die alleen aan God toebehoren, kan opeisen.

Een wijs hart is een hart, dat zich niet tracht te verbergen voor zichzelf, dat niet wegvlucht in valse zekerheden en onecht cynisme. Een wijs hart is een hart, dat deze kennis moedig onder ogen ziet, met waardigheid, nederigheid en kracht. Deze wijsheid ligt impliciet opgesloten in ieder woord van deze psalm. Dit lied mag wel tot de hoogste wijsheid gerekend worden, ooit bereikt in de klassieke wereld temidden van de tragiek van het leven.

Na het gebed om een wijs hart (en niet om intellectuele wijsheid!) begint er een nieuw onderdeel van de psalm, wellicht in een latere periode van de Joodse religie toegevoegd. Dit gedeelte gaat over

het volk en zijn situatie in de geschiedenis. “Keer weder, o Eeuwige, en stel niet uit en heb medelijden met uw knechten. Stel ons in de morgenstond tevreden met uw vriendelijkheid, zodat we ons kunnen verheugen en blij zijn al onze levensdagen. Schenk ons vreugde naar de maat, waarmee U ons onderdrukt hebt. Laat uw werk gezien worden over uw dienstknechten en uw glorie over hun kinderen. En laat de gunst van de HEER, onze God, over ons komen en moge het werk van onze handen bevestigd worden!” In deze woorden komt iets nieuws naar voren: de betekenis van het verleden en de toekomst, het gebed om een betere toekomst, een toekomst van geluk en vreugde, van de aanwezigheid van God en het welslagen van ons werk. God is niet alleen een God van de eeuwigheid. Hij is ook de God van de toekomst. De kringloop van stof tot stof, van zonde en wraak, is verbroken. Een visoen over een tijd van voltooiing licht op na de eeuwen van misère. Maar dit visioen geldt alleen ‘Zijn knechten’ – de uitverkoren natie en daarbinnen alleen hen, die werkelijk Zijn dienaars waren. De individu staat niet langer alléén ten overstaan van God. Hij is opgenomen in de kring van de andere dienstknechten van God, temidden van het volk van God, dat niet zijn terugkeer tot het stof tegemoet ziet, maar het leven in een nieuwe ‘eeuw’, waarin God aanwezig is. Deze hoop overtreft de tragiek. Dit is het hoogste punt, dat de godsdienst bereikt heeft in het Oude Testament.

Maar de geest van de religie gaat hier nog zelfs aan voorbij. Dit is het einde niet. Wat betekent deze hoop in de geschiedenis voor de enkeling? Bevrijdt zij ons van de wet van de vergankelijkheid en van de schuld? De geschiedenis, die naar een onbekende toekomst voortspoedt, werpt ieder mens terug in het verleden en we bereiken nooit de eeuw van de voltooiing, waarnaar de dichter zo verlangde. De geschiedenis stapt wreed over onze graven heen en de geschiedenis zelf lijkt niet af te stevenen op een voltooiing. En als de geschiedenis wel tot een vervulling lijkt te komen, dan wordt zij weer teruggeworpen en dan is zij verder van de voltooiing verwijderd dan ooit. Dat is de onvermijdellijke ervaring van onze tijd. En daarom vragen wij, zoals ook ons hele voorgeslacht gevraagd heeft: is de tragiek sterker dan de hoop? Overwint het verleden de toekomst? Is de toorn sterker dan de genade? We worden heen en weer geslingerd tussen melancholie en verwachting, tussen tragiek en hoop, tussen hoop en tragiek. In zo’n situatie zijn wij misschien ontvankelijk voor de boodschap van een Nieuw Zijn, een nieuw soort bestaan, die niet alleen hoop is, maar ook werkelijkheid, waarin de toorn van God en de menselijke schuld uiteindelijk zijn overwonnen. Het christendom stoelt op deze boodschap: God onderwerpt zichzelf aan de vergankelijkheid en de toorn om (zo) mét ons te zijn. En zo is de hoop vervuld, waarover de psalmdichter zong: “Laat uw werk openbaar worden aan uw knechten en uw heerlijkheid over hun kinderen”.

Of wij deze boodschap nu aanvaarden of niet, zij is wel het antwoord op vragen, die de psalmdichter niet kon beantwoorden. We kunnen er wellicht de voorkeur aan geven om stil te blijven staan bij alleen de hoop temidden van alle teleurstellingen. We geven er misschien de voorkeur aan om terug te keren naar de vrome berusting uit het oudere gedeelte van deze psalm. We kunnen er zelfs de voorkeur aan geven om terug te keren naar de melancholie, waarin het mensenleven wordt gezien als even voorbijgaand als het gras op het veld. We zouden elk van deze interpretaties van ons leven inderdaad kunnen kiezen. Maar als we er één van uitkiezen, moeten wij ons wel realiseren, dat we daarin nooit het antwoord op onze levensvraag kunnen vinden. Daarom moeten we er ook afstand van doen. Want pas als we de boodschap van de nieuwe werkelijkheid in de Christus aanvaarden, zullen we ook begrijpen, dat deze tijding niet bedoeld is als een gemakkelijk antwoord en dat zij geen garantie is voor spirituele zekerheid. En we moeten weten, dat het pas een écht antwoord is voor zover wij het begrijpen in het licht van de situatie, waarin wij ons bevinden, waarbij tragiek en hoop met elkaar strijden zonder dat één van beide de overwinning kan claimen. Immers, de eigenlijke overwinning gaat beide teboven. Die overwinning kwam er, als antwoord op het gebed van de psalmdichter: “Ontzie ons, o Eeuwige!” - dit gebed is het gebed van de mensheid de eeuwen door en dat is ook het gebed, dat opstijgt uit de diepte van ieder mensenhart.

 

Lees meer uit: Als de fundamenten gaan wankelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.