Over de natuur

 

Hoofdstuk 9

 

Uit: The Shaking of the Foundations

 

De hemel verhaalt van Gods majesteit,

het uitspansel roemt het werk van zijn handen,

3 de dag zegt het voort aan de dag die komt,

de nacht vertelt het door aan de volgende nacht.

4 Toch wordt er niets gezegd, geen woord

gehoord, het is een spraak zonder klank.

5 Over heel de aarde gaat hun stem,

tot aan het einde van de wereld hun taal. Daar heeft hij een tent opgeslagen voor de zon:

6 een jonge bruidegom die het bruidsbed verlaat,

een held die vrolijk voortrent op zijn weg.

PSALM 19:2-5.

19 De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. 20 Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, 21 omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. 22 Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt.

ROMEINEN 8:19-22.

211 Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. 221 Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. 2 In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing.

OPENBARING 21:1; 22:1-2.

Ieder jaar, wanneer Goede Vrijdag en Paaszondag er weer aankomen gaan onze gedachten uit naar dat grote drama van de verzoening, dat zijn hoogtepunt vindt in de taferelen van het kruis en de opstanding. Wie worden er eigenlijk verzoend? Een paar enkelingen? Of de mensheid, d.w.z. alle volken? Of de wereld, d.i. alles wat geschapen is, inclusief de natuur, de sterren

en de wolken, de winden en de oceanen, de stenen en de planten, de dieren en ook ons eigen lichaam? De Bijbel spreekt telkens weer over de verlossing van de wereld, zoals zij ook spreekt over de schepping van de wereld en over het onderworpen zijn van de wereld aan anti-goddelijke machten. De wereld betekent dus zowel de natuur als de mens(heid).

Laten we ons vandaag eens afvragen: wat betekent de natuur voor ons? Maar ook: wat betekent zij voor zichzelf? Welke betekenis heeft zij in het grote drama van schepping en verlossing? De woorden van de psalmist, van de apostel en van de profeet bevatten een drievoudig antwoord: de psalmdichter bezingt de heerlijkheid van de natuur; de apostel toont ons de tragiek van de natuur en de profeet kondigt de verlossing van de natuur aan.

De hymne van de psalmist prijst de heerlijkheid van God in die van de natuur; de brief van de apostel verbindt de tragiek van de natuur aan die van de mens en het visioen van de profeet ziet de verlossing van de natuur in de verlossing van de wereld. Laten we daarom nog eens luisteren naar de woorden van de psalmdichter, die over de heerlijkheid van de natuur gaan, maar nu wat preciezer.

De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel toont de werken van zijn handen. Dag aan dag brengt dit verhaal voort en nacht aan nacht wordt deze kennis verkondigd. Er is echter geen sprake, geen taal! Een stem wordt niet gehoord! Maar de muziek ervan gaat uit over de gehele aarde en hun woorden tot aan het einde van de wereld. (Of: De hemel verhaalt van Gods majesteit,het uitspansel roemt het werk van zijn handen,

3 de dag zegt het voort aan de dag die komt,

de nacht vertelt het door aan de volgende nacht.

4 Toch wordt er niets gezegd, geen woord

gehoord, het is een spraak zonder klank.

5 Over heel de aarde gaat hun stem, tot aan het einde van de wereld hun taal.)

De 19e Psalm verwijst naar een oud geloof, dat de antieke wereld er op nahield en door dichters en filosofen onder woorden werd gebracht, namelijk dat de hemellichamen, de zon, de maan en de sterren door hun bewegingen een bepaalde harmonie aan klanken voortbrachten, dat dag en nacht door klonk van het ene eind van de wereld tot het andere. Deze geluiden van het heelal kunnen niet door mensenoren gehoord worden en die klanken bevatten ook geen menselijke taal. Maar zij bestaan wel en we kunnen ze ‘opvangen’ via de organen van onze geest. Shakespeare zegt ergens: “Zelfs de kleinste ster die je kunt zien rondt haar baan in perfecte harmonie. En in haar rondgang ( rond de planeet) brengt ze engelenmuziek voort. Zulke ( schone ) harmonie is slechts (voorbehouden) aan onsterfelijke zielen. Maar omdat wij van aardse makelij zijn zijn wij te onverfijnd om het ( de muziek ) te horen…..”

De psalmdichter heeft dit echter wel gehoord; hij weet zeker, wat de sterren verklanken: de glorie van de schepping en haar gegrond zijn in God.

Kunnen wíj de verborgen stem van de natuur vernemen? Spreekt de natuurook nog tot ons? Spreekt zij tot jou? Of is de natuur stil voor ons geworden, stil voor de mens in onze tijd? Sommigen van u zeggen misschien wel: “Nog nooit eerder is de natuur zo open voor de mens geweest als juist nu. Wat vroeger mysteries waren is voor onze kinderen (tot) kennis geworden. Door ieder wetenschappelijk boek heen, door ieder labaratorium heen, door iedere machine heen spreekt de natuur ons aan. Het technisch benutten van de natuur is de onthulling van haar geheim”. De stem van de natuur is door de wetenschappelijke benadering te vernemen, maar dat levert uiteindelijk de verovering van de natuur op. Maar is dit werkelijk alles, wat de natuur ons te zeggen heeft?

Ik zat eens samen met een groot bioloog onder een boom. Ineens kwam hij met een vraag op de proppen: “Ik zou wel eens iets over deze boom willen weten!” Hij wist, uiteraard, alles wat de wetenschap over deze boom wist te zeggen. Dus ik vroeg hem wat hij precies bedoelde. En zijn antwoord was: “Ik wil graag weten, wat deze boom betekent voor zichzelf, op zichzelf. Ik wil het leven van deze boom begrijpen. Dat is immers zo vreemd, zo onbenaderbaar”. Hij verlangde naar een sympathiek, mee-voelend begrijpen van het leven van de natuur. Maar zo’n begrip is alleen mogelijk als er een eenheid en verbinding is tussen de mens en de natuur. Is zo’n verbinding mogelijk in deze periode van onze geschiedenis? Is de natuur niet volledig onderworpen aan de wil en overheersing van de mens? Deze door techniek beheerste beschaving, de trots van de mensheid, heeft een geweldige verwoesting van de oorspronkelijke natuur teweeg gebracht, zowel wat betreft de bodem, de dieren als ook de planten.

De natuur wordt tot kleine reservaten teruggebracht en de rest wordt in beslag genomen om te beheersen en meedogenloos uit te buiten. En wat nog erger is: de meeste mensen kunnen niet meer met en in de natuur leven. We verstoren de natuur met de geluiden van ons loos gepraat in plaats van te luisteren naar haar vele geluiden en daar doorheen de klankloze muziek van het universum op te vangen. Zonder feeling met de bodem verplaatsen we ons met grote snelheid ‘machinaal’ door de natuur, vangen er een glimp van op, maar we begrijpen haar grandeur niet meer en voelen ook niets meer van haar zeggingskracht. Wie is nog in staat om de natuur zo te doorgronden, dat men haar grond als schepping ziet om daarover vervolgens te mediteren en haar ook zo te aanschouwen?

Een Chinese keizer vroeg eens aan een beroemde schilder of hij een haan voor hem kon schilderen. De schilder stemde erin toe, maar zei erbij, dat het wel

even kon duren. Na een jaar herinnerde de keizer hem aan zijn belofte. De schilder antwoordde, dat hij na een jaar studie gemaakt te hebben van de haan, hij nog maar net zijn natuurlijke buitenkant in het oog had gekregen. Na nog een jaar erkende de schilder, dat hij net begonnen was de essentie van dit soort leven te (be)vatten. En zo voort, jaar na jaar. Eindelijk, na tien jaar concentratie op de natuur van een haan, maakte hij zijn schilderij – een werk, dat beschreven kon worden als een onuitputtelijke openbaring van God als de grond van het universum in een klein deel ervan, namelijk een haan.

Vergelijk deze wijsheid en dit geduld van de keizer en de heilige toewijding van de schilder aan een oneindig kleine expressie van het leven van God eens met de uitgelatenheid van onze tijdgenoten, die in hun auto’s naar een of andere mooie plek razen en dan “Wat prachtig!” uitroepen, waarmee ze, zonder enige twijfel, uitdrukking geven aan hun eigen opvatting van wat schoonheid is, maar zij verwijzen niet naar dat wat men ziet. Wat een belediging van de glorie/heerlijkheid van de natuur! En dus ook van God als de grond ervan, wiens glorie klinkt door die van de natuur heen.

De pracht van de natuur verheerlijken betekent niet zozeer spreken over de schoonheid van de natuur, waarbij men meestal haar overweldigende grootsheid en ontzagwekkende kracht vergeet. De natuur weerspiegelt nooit alleen maar oppervlakkige schoonheid of louter in het oog springende harmonie. “De stem van de HEER is machtig”, zo zingt de dichter van Psalm 29. “De stem van de HEER breekt de ceders, de stem van de HEER doorklieft met vlammend vuur, de stem van de HEER doet de wildernis wankelen en vaagt de wouden weg”. In het boek Job vinden we een beschrijving van de overweldigende natuurkrachten in mythologische symbolen zoals de Behemoth en de Leviathan. En de grote, nog recente dichter Rilke zegt: “Schoonheid is nog maar het begin van de vrees, die we nog net kunnen verdragen en waarom wij haar zo bewonderen is omdat zij er minachtend van afziet ons te vernietigen. Iedere engel is om (voor) te vrezen. De heerlijkheid van de natuur is niet louter schoonheid”.

Laten we nu nog eens luisteren naar de woorden van de apostel over de tragiek van de natuur en wat hij daar precies mee bedoelt. “19 Zelfs de schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. 20 Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, 21 omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. 22 Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt”.

De natuur is niet alleen ‘heerlijk’, prachtig, zij is ook tragisch. Zij is onderworpen aan de wetten van eindigheid en aftakeling. Zij lijdt en zucht

samen met ons. Niemand, die wel eens met ‘sympathie’ geluisterd heeft naar de geluiden in/van de natuur, kan ooit de tragische melodie daarvan vergeten. Het Griekse woord, dat Paulus in zijn brief gebruikt en dat wij met ‘schepping’ hebben vertaald, wordt in het bijzonder toegepast op het niet-levende deel van de natuur, waarmee Paulus ook zinspeelt op de woorden, die God tot Adam spreekt na de val: “Vervloekt is de aardbodem terwille van jou”. Het zuchtende geluid van de winden en het altijd rusteloze en nutteloze breken van de golven hebben mogelijk invloed gehad op dit poëtische, melancholieke vers over het onderworpen zijn van de natuur aan de ijdelheid. Maar de woorden van Paulus verwijzen ook, op een meer directe manier, naar de sfeer van de levende dingen. De melancholie over het vallen van de bladeren in de herfst, het einde van het uitbundige leven van de lente en de zomer, de zachte dood van ontelbare wezens in de koude lucht van de naderende winter – dit alles grijpt het hart van de mensen aan en dat zal altijd zo blijven – en dat geldt niet alleen voor dichters, maar voor iedere man of vrouw, die gevoel in zich heeft.

Het lied van de vergankelijkheid klinkt door alle volken heen. De woorden van Jesaja: “Het gras verwelkt, de bloem valt af, wanneer de adem van de HEER daar over waait”, beschrijven precies de kortheid van het leven van individuen en van volken. Maar zij hadden niet geschreven kunnen worden als er geen diep meeleven met het natuurleven was (geweest).

En dan kennen we ook nog het spreken van Jezus, die de lelies op het veld prees “dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet aan hen kon tippen”. In deze twee woorden over de bloemen op het veld zien wij zowel de heerlijkheid alsook de tragiek van de natuur.

Mee-lijden met de natuur in haar tragiek is niet een of andere sentimentele emotie; nee, het gaat om het echt aanvoelen van de natuur, zoals zij werkelijk is. Schelling heeft terecht opgemerkt: “Er hangt een sluier van droefheid over de gehele natuur, een diepe en niet te bedaren melancholie over alle leven”. Volgens hem is dit “zichtbaar door alle sporen van lijden heen bij de aanblik van de ganse natuur, maarhet is in het bijzonder te zien in het gelaat van de dieren”. De leer van het lijden als kenmerk van alle leven, zoals onderwezen door de Boeddha, heeft bij grote delen van de mensheid ingang gevonden. Maar alleen degene, die in de grond van zijn eigen zijn verbonden is met de grond van de natuur is in staat om de tragiek ervan in te zien. Het is zoals Schelling zegt: “de donkerste en diepste grond van de menselijke natuur is ‘verlangen’...is melancholie”. En vooral dit maakt het mede-lijden van de mens met de natuur mogelijk. Want ook voor de natuur is de diepste grond uiteindelijk de melancholie. Ook de natuur treurt vanwege iets ‘goeds’ dat verloren is gegaan.

Maar zijn wij nog in staat de betekenis van zulke half-poëtische, half-filosofische woorden te begrijpen? Of hebben wij ons er in menselijke hoogmoed teveel van afgewend, in intellectuele arrogantie, of door een houding van te willen heersen over de natuur? Zo zijn we niet meer in staat om de harmonieuze klanken in en van de natuur op te vangen. Zijn we zo ook (niet) ongevoelig geworden voor haar tragische klanken?

Waarom is de natuur zo tragisch? Wie is verantwoordelijk voor het lijden van de dieren, voor de lelijkheid van dood en verval, voor de universele angst voor de dood? Vele jaren geleden stond ik eens op een hoog punt samen met een welbekende psycholoog uit te kijken over de oceaan. We zagen een ontelbare hoeveelheid kleine visjes zich voortbewegen richting de kust. Zij werden opgejaagd door grotere vissen, die op hun beurt weer werden opgejaagd door nog grotere. Agressie, vluchten en bang zijn vormen een perfecte illustratie van de oude, vaak aangehaalde geschiedenis van de grote vis, die de kleintjes verorbert, zowel in de natuur als in de geschiedenis. De geleerde, die bij vele gelegenheden altijd de harmonieuze structuur van de werkelijkheid had verdedigd, barstte in tranen uit en zei: “Waarom zijn deze wezens geschapen als zij alleen maar bestaan om opgeslokt te worden door anderen?” Op dat moment drong de tragiek van de natuur zichzelf op aan deze optimistische geest, zodat hij begon te vragen: “Waarom?”

Paulus probeert tot het geheimenis van deze vraag door te dringen. En zijn verrassende antwoord luidt: de natuur is onderworpen aan de ijdelheid ten gevolge van de vloek, die God uitsprak vanwege de val van Adam. De tragiek van de natuur zit vast aan de tragiek van de mens, zoals ook de bevrijding van de natuur afhankelijk is van de verlossing van de mens. Wat betekent dit dan? De mensheid heeft er altijd van gedroomd, dat er een tijd was van harmonie en vreugde, waar de hele natuur in deelde en tussen de natuur en de mens heerste eveneens vrede. Het is het paradijs, de Gouden Eeuw. Maar door de wet van God te overtreden verstoorde de mens de harmonie en daarom is er nu vijandschap tussen de mens en de natuur, maar ook in de natuur zelf. In Paulus’ melancholische woorden klinkt deze droom a.h.w. door. Het is weliswaar een droom, maar zij bevat een diepe waarheid: de mens en de natuur horen bijeen enerzijds in hun heerlijkheid als schepselen, maar ook in hun tragiek en uiteindelijk ook in hun verlossing. Zoals de natuur, voorgesteld in de figuur van de slang, de mens verleidde, zo brengt de mens door de goddelijke wet te overtreden, de tragiek de natuur binnen. Dit gebeurde niet eens (eenmalig), zoals het verhaal vertelt; nee, het gebeurt telkens en overal, zolang er tijd en ruimte zijn. Zolang de oude hemel en de oude aarde bestaan,

zolang zullen de mens en de natuur samen onderworpen zijn aan de wet van de ijdelheid.

Vele diepzinnige denkers zowel binnen als buiten het Christendom erkennen, dat de mens ertoe bestemd is om het verlangen van de natuur te vervullen. Voorzover hij er niet in geslaagd is en nog steeds erin tekort schiet om tot zijn eigen voltooiing te komen, zal hij evenmin in staat zijn om de natuur tot haar voltooiing de leiden, net zomin als zijn eigen bestaan in het lichaam en evenmin de natuur om hem heen. Daarom wordt Jezus ‘de Zoon des mensen’ genoemd, de mens van Boven, de ware Mens, in wie de tragiek van die scheiding overwonnen is, en door Hem niet alleen in de mensheid, maar ook in het heelal. Immers, er kan geen verlossing van de mens zijn als er ook geen verlossing van de natuur is, want de mens bevindt zich in de natuur en de natuur zit in de mens.

Laten we ook nog even luisteren naar de woorden van de profeet over de verlossing van de natuur in Openbaring 21 en 22: 1 Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. 221 Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. 2 In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing.

In krachtige beelden beschrijft het laatste Bijbelboek de verlossing van de mens en de natuur van het gebonden-zijn aan het verval: de stad van God wordt uit de meest kostbare materialen uit de niet-levende natuur opgebouwd. De zee, het symbool van de vormeloze chaos, zal er niet meer zijn. De rivieren zijn niet meer vervuild met allerlei rommel. De bomen dragen volop en voortdurend vruchten; de dieren aanbidden samen met de heiligen de troon van Gods glorie. De demonische machten worden wegestoten in het Niets. Er zal geen lijden en geen dood meer zijn. Het is niet nodig op te merken, dat dit niet een beschrijving is van een toekomstige toestand van onze wereld. Evenals de Gouden Eeuw van het verleden is ook deze Gouden Eeuw van de toekomst een symbool, waarmee verwezen wordt naar iets geheimzinnigs in onze huidige wereld, namelijk de mogelijkheid tot verlossing. Eén ding wordt in deze visioenen van de profeet volstrekt duidelijk, namelijk dat de verlossing van de mens de verlossing van de wereld betekent, en dus niet van de mens alleen. Leeuwen en lammetjes, kleine kinderen en schorpioenen zullen samen in vrede nederliggen, zegt Jesaja. Engelen en sterren, mensen en dieren, aanbidden het Kerstkind, volgens het verhaal. De aarde beeft, wanneer de Christus sterft en zij beeft opnieuw, wanneer Hij opstaat. De zon wordt verduisterd als Hij zijn ogen sluit en de zon komt op, wanneer Hij opstaat uit het graf. De wederopstanding

van het lichaam – niet een onsterfelijke ziel – is het symbool van de overwinning op de dood(geworden). Niet een lichaamloze geest (en dát is de betekenis van al deze beelden) is het doel van de schepping; het einddoel van de verlossing is niet het abstracte intellect of een morele persoon los van de natuur. We zien toch overal om ons heen hoe mensen vervreemd zijn geraakt van de natuur, van de natuurlijke krachten in henzelf en van de natuur rondom hen?! En heeft dat er niet toe geleid, dat hun geestesleven is opgedroogd en dat zij hun creatieve kracht verloren hebben, dat men hard en arrogant is geworden, als men een moreel standpunt moet innemen, dat kortom hun vitaliteit onderdrukt en vergiftigd is. Zo zijn zij in geen geval een afbeelding van de verlossing. Een theoloog heeft eens terecht opgemerkt: “Het lichamelijk bestaan is het einddoel van al Gods wegen”.

Scheppende kunstenaars, schilders en beeldhouwers, hebben dit eigenlijk altijd al geweten. Ieder groots schilderij of standbeeld is bij wijze van spreken een voorpoefje van de nieuwe aarde, een onthulling van het geheim van de natuur. Een schilderij of een beeld van een plant of een steen kan tot een drager worden van een geestelijke betekenis. We zien dan, dat de natuur boven zichzelf uitgetild wordt en ook dat zo haar tragiek aan het licht komt, maar tegelijkertijd zien wij ook de overwinning ervan. Afbeeldingen van Jezus en de apostelen en heiligen de eeuwen van de christelijke kunst door, in kleur of in stenen portretten van mensen, waarin men de kracht en de waardigheid van de mens ontdekte, de onvergelijkelijke uitdrukking van iemands persoonlijkheid in het gelaat van de meest eenvoudige individu zelfs, dat alles laat zien dat de geest lichaam wordt en dat de natuur iets persoon-achtigs heeft. Ons hele organisme van cellen en functies, dat wij ‘lichaam’ noemen, is in staat om de kleinste verandering in onze geestestoestand tot uitdrukking te brengen. Het zijn vooral de kunstenaars, die dikwijls de eeuwige betekenis van de natuur begrepen hebben, terwijl de theologen in vele gevallen de nadruk legden op een lichaam-loos geest-zijn van de mens, waarbij men vergat dat het eerste, waardoor Jezus zijn messiaanse roeping onthulde, was dat Hij de macht bezat om lichamelijke en geestelijke kwalen te genezen.

Mag ik u eens vragen: kunnen wij nog begrijpen wat een sacrament betekent? Hoe meer we van de natuur vervreemd zijn, des te minder wij dat kunnen. Dat is ook inderdaad de reden, waarom in onze tijd de sacramenten zo veel van hun betekenis verloren hebben zowel voor individuen als voor kerken. In de sacramenten neemt de natuur deel aan het proces van de verlossing. Brood en wijn, water en licht en alle andere belangrijke natuurelementen, zij worden dragers van een geestelijke betekenis en brengers van het heil. Natuurlijke en geestelijke krachten komen bij elkaar en worden één in het sacrament. Het woord spreekt ons verstand aan en kan onze wil veranderen. Het sacrament –

als haar betekenis levendig van kracht is – raakt ons in ons onderbewuste alsook in ons bewuste zijn. Ja, het grijpt ons aan tot op de bodem van ons zijn, ons schepsel-zijn. Het sacrament is daarom zowel een symbool van de natuur als van de geest, tezamen verenigd tot onze verlossing.

Communiceer daarom intenser met de natuur! Verzoen je ook met de natuur, nadat je er zo vervreemd van bent geraakt. Luister naar de stilte in de natuur en je zult tot het hart ervan kunnen doordringen. De natuur brengt de onhoorbare klanken voort van de glorie van God, die haar diepste grond is. Maar de natuur zucht ook samen met ons, omdat we ook samen delen in de tragiek. Maar zij zal ons ook aanspreken in haar onverwoestbare hoop op verlossing.

 

Lees meer uit: Als de fundamenten gaan wankelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.