Paul Tillich, Systematische Theologie (Band II), Dritter Teil “Die Existenz und der Christus”, S 124-128,

(Stuttgart 1958)

Fragmenten uit: III.II.A

Die Wirklichkeit des Christus: Jesus als der Christus

 

NB. Mede vertaald n.a.v. de publicatie van Ds. E. Van der Kaaij over de mythische Christus en de bewering, dat Jezus nooit geleefd of bestaan heeft.

 

We moeten ons toch nogmaals met de vraag bezighouden, die vaak met en vanuit grote religieuze angst gesteld wordt, namelijk brengt het historisch onderzoek niet een gevaarlijke onzekerheid teweeg in het denken en leven van de kerk en van iedere gelovige afzonderlijk? Zal het historisch onderzoek niet leiden tot een volledige skepsis t.a.v. de bijbelse berichten? Zou het niet fundamenteel mogelijk worden, dat de historische kritiek tot de bewering leidt, dat de mens Jezus van Nazareth nooit geleefd heeft? Is dat ook niet reeds door enkele geleerden beweerd (al is het maar door enkelen en niet de meest toonaangevende)? Maar ook al zal dit nooit met volledige zekerheid beweerd kunnen worden, zou het niet een bedreiging van het christelijke geloof inhouden, wanneer het niet-bestaan van Jezus wetenschappelijk aannemelijk gemaakt kon worden, ongeacht hoe gering die mate van waarschijnlijkheid ook is?

In reactie hierop willen wij eerst enkele ontoereikende en misleidende antwoorden afwijzen. Het overtuigt niet, als men er op gaat wijzen, dat tot nu toe de historische wetenschap nog geen dwingende bewijzen voor een dergelijke skepsis heeft gevonden. Juist, tot nu toe zijn die niet gevonden! Maar de verontrusting blijft bestaan, dat dit in de toekomst wel zou kunnen gebeuren! Op zo’n onzekere basis kan het geloof toch niet rusten? Het antwoord van ‘nog niet’ voldoet dus niet.

Een tweede antwoord is weliswaar niet onjuist, maar wel misleidend. Dan wordt gezegd, dat het historische fundament van het christendom een element van het christelijk geloof zelf is en dat dit geloof niet door de historische kritiek kan worden aangetast. Het kan, zo wordt beweerd, het bestaan van Jezus van Nazareth garanderen, op z’n minst althans de hoofdlijnen van het bijbelse beeld van hem. Dit antwoord moeten wij zorgvuldig analyseren, want het is een beetje dubbelzinnig. We moeten bijv. vragen: wat kan het geloof garanderen? Het antwoord daarop is, dat het geloof slechts zijn eigen fundament kan garanderen, namelijk het verschijnen van die werkelijkheid, die het geloof heeft opgeroepen en gewekt. Deze werkelijkheid is het Nieuwe Zijn, die de existentiële vervreemding overwint en daardoor het geloof mogelijk maakt. Alleen dit kan het geloof garanderen en wel daarom, omdat zijn eigen bestaan identiek is met de tegenwoordigheid van het Nieuwe Zijn. Het geloof zelf is de onmiddellijke (niet een door rederingen tot stand gebrachte conclusie) evidentie van het Nieuwe Zijn in en onder de condities van dit bestaan. Precies dat wordt door het geloof gegarandeerd. Geen enkele historische kritiek kan deze onmiddellijke zekerheid, die diegenen hebben, die zichzelf geplaatst hebben in de ‘geloofs-stand’, onderuit halen. Men wordt hier herinnerd aan de augustijns-cartesiaanse weerlegging van de radicale skepsis. Zowel Augustinus als Descartes zien in de onmiddellijkheid van het zelfbewustzijn de garantie van de waarheid. In analogie hiermee moet men zeggen, dat (alleen) onmiddellijke deelname en niet de historische bewijzen de werkelijkheid van dit gebeuren, waarop het christendom gebaseerd is, garandeert. De gelovige deelname garandeert het bestaan van een persoonlijk leven, in wie het Nieuwe Zijn het oude zijn heeft omgevormd. Maar dit garandeert niet, dat de naam van degene, in wie dit gebeurde, inderdaad Jezus van Nazareth was. Maar de historische twijfel aan het bestaan en het leven van een mens met deze naam kan door het geloof niet ongedaan gemaakt worden. Hij zou een andere naam gehad kunnen hebben. (Dat is een historisch absurde, maar logisch noodzakelijke consequentie van de historische methode). Maar het geloof zegt, dat – wat zijn naam ook geweest moge zijn – dat het Nieuwe Zijn in deze mens aanwezig was en is!

Op dit punt aangekomen steekt een belangrijke vraag de kop op. Hoe kan het Nieuwe Zijn, dat ‘de Christus’ genoemd wordt, de werkelijkheid veranderen, als de concrete kenmerken in het beeld van de Christus twijfelachtig zijn? Kierkegaard komt tot de conclusie, dat voor het geloof de boodschap voldoende is, dat in de jaren 1 tot 30 God zijn Zoon gezonden heeft. Maar daartegenover staat, dat

zonder de concreetheid van het nieuwtestamentische beeld het Nieuwe Zijn een lege abstractie zou zijn. Alleen wanneer de existentie concreet en in zijn vele aspecten overwonnen is, is deze pas werkelijk overwonnen. De kracht/invloed, die de gemeenschap van het Nieuwe Zijn tot stand gebracht en behouden heeft, zit ‘m niet in de abstracte bewering, dat het Nieuwe Zijn verschenen is. Want de omvormende kracht is het beeld van hem, in wie het Nieuwe Zijn verschenen is. Geen enkele trek van dit beeld kan met zekerheid geverifieerd worden, maar wij hebben wel de zekerheid, dat het Nieuwe Zijn, dat door dit beeld werkzaam is, de kracht in zich heeft om ons te veranderen.

(...)

...het materiaal, waarmee ons in de Bijbel het beeld van Christus gegeven wordt, is het resultaat van de opname (het zich eigen maken) van het Nieuwe Zijn door de eerste getuigen. Het concrete bijbelse materiaal kan met het oog op zijn empirische feitelijkheid door het geloof niet gegarandeerd wordn; niettemin geldt dit als een ‘gegarandeerde’ en adekwate uitdrukking van de veranderende kracht van het Nieuwe Zijn in Jezus als de Christus. Slechts in deze zin garandeert het geloof het bijbelse beeld van Jezus. En het moet helder zijn, dat het dit beeld was, dat hierdoor de kerk werd gesticht en niet door een of andere hypothetische beschrijving van iets, dat achter het bijbelse beeld kan liggen.

(...)

Het waagstuk van het geloof is existentieel (van aard); het heeft betrekking op de totaliteit van ons zijn, terwijl het risico van historische oordelen van theoretische aard is en er daarom rekening mee moet houden, dat die op een gegeven moment door nieuwe wetenschappelijk kennis achterhaald kunnen worden. Het gaat hier om twee verschillende dimensies, die niet door elkaar gehaald moeten worden. Een onjuist geloof kan de zin van iemands leven ruïneren, een onjuist historisch oordeel niet. Daarom is het misleidend het woord ‘waagstuk’ voor beide dimensies in dezelfde in te gebruiken.

 

Terug naar overzicht Syst. Theologie II

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.