Als de fundamenten gaan wankelen

 

HOOFDSTUK 17: Hij is de Christus!

En Jezus trok met zijn leerlingen de steden van Caesarea Philippi in en onderweg vroeg hij zijn leerlingen: wie zeggen de mensen, dat ik ben? En zij antwoordden: Johannes de Doper, maar anderen zeggen Elia en weer anderen één van de profeten. En hij zei tegen hen: maar wie zeggen jullie, dat ik? En Petrus antwoordde en zei tegen hem: U bent de Christus. En hij beval hen, dat zij dat tegen niemand zouden zeggen. En hij begon hem te leren, dat de zoon des mensen veel moest lijden en dat hij door de oudsten verworpen zou worden en ook door de overpriesters en de Schriftgeleerden en dat hij gedood zou worden en na drie dagen weer zou opstaan. Dit zei hij hen openlijk. En Petrus nam hem apart en begon hem terecht te wijzen. En hij wendde zich om en keek naar zijn leerlingen en hij wees Petrus terecht en zei: Ga achter mij, Satan, want jij zoekt niet de dingen van God, maar die van de mensen. (Markus 8: 27-33).

Dit gebeuren vormt het centrum van het evangelie naar Markus. En in dit gebeuren vinden wij tevens de kern van de christelijke boodschap. En die boodschap is oneindig eenvoudig, maar tegelijkertijd ook rijk en diep en geconcentreerd in slechts vier woorden: U bent de Christus! Laten wij over deze boodschap nadenken in het licht van onze vertelling, die het werkelijke begin vormt van zijn lijden en sterven.

Dan gaat Jezus met zijn leerlingen op weg naar de dorpen van Caesarea Philippi, onderweg langs enkele onbeduidende dorpjes, op een onbepaalde tijd – dan! Ja, dan onderweg vindt de meest belangrijke gebeurtenis uit de geschiedenis van de mensheid plaats. De belangrijkste gebeurtenis niet alleen vanuit het gezichtspunt van de gelovige, maar evenzeer vanuit dat van de afzijdige waarnemer van de wereldgeschiedenis. Dit onbepaalde ‘dan of toen’ verwijst naar het meest bepaalde en beslissende moment in de ervaring van de mensheid, het moment, waarop iemand tegen iemand anders durft te zeggen: U bent de Christus!

Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen ‘wie zeggen de mensen, dat ik ben?’ ‘Johannes de Doper’, zeiden zij hem, ‘hoewel sommigen zeggen, dat u Elia bent en anderen, dat u een van de profeten bent’. Waarom gaven zij hem eigenlijk zulke titels, die hem uittilden boven het gewoon menselijke? Dat kwam, omdat zij iets buitengewoons verwachtten: de komst van de nieuwe wereldorde in de nabije toekomst. Alle generaties van de mensheid hadden vergeefs gewacht op deze nieuwe fase in de wereldgeschiedenis, waarin gerechtigheid en vrede zouden heersen.

De mensen geloofden, dat zij in hun tijd getuige zouden zijn van het komen van die wending. Maar voordat het zover was, moesten voorlopers verschijnen om de komst aan te kondigen en de mensen erop voor te bereiden. Elia zou vanuit de hemel komen, waarheen hij was opgevaren; misschien zou Jeremia uit de doden opstaan of één of andere profeet zou verschijnen; zelfs Johannes de Doper zou vanuit zijn graf kunnen terugkomen. Men voelde aan, dat achter de figuur van deze lerende en helende rabbi iets mysterieus schuil ging. Zij dachten, dat hij misschien wel één van die voorlopers kon zijn, die zou komen om de nieuwe en uiteindelijke eindtijd van de geschiedenis voor te bereiden. Dat hadden de leerlingen opgevangen van het volk.

Ondanks het feit, dat er al 2000 jaar christendom zijn verstreken, zijn er nog steeds van die mensen: Jezus blijft voor hen de voorloper. De nieuwe wereld en hij, die deze zal aanbrengen, moeten nog steeds komen. Gerechtigheid en vrede zijn nog steeds niet verwezenlijkt. Het kan zijn, dat de nieuwe wereld op het punt staat aan te breken, maar zij kan ook nog heel ver weg zijn. Zij is in ieder geval nog niet verschenen. Dat is ook een kenmerkend gevoelen van het Joodse volk, wat hen verhindert om christen te willen worden. Het is ook het gevoelen van grote groepen binnen het huidige christendom, een gevoelen, dat hen ertoe brengt om te blijven wachten en hard te werken aan een wereld van vrede en gerechtigheid, hoewel men voortdurend teleurgesteld is en steeds weer opnieuw moet beginnen.

Als Jezus vandaag aan ons zou vragen: ‘wie zeggen de mensen, dat ik ben?’ dan zouden we precies hetzelfde moeten antwoorden als zijn eerste leerlingen, namelijk dat hij een voorloper was en misschien wel de grootste van allemaal, maar waarschijnlijk niet de laatste. Een voorloper en een profeet, maar niet degene, die alles zal vervullen. Dat gerechtigheid en vrede zullen heersen en dat de nieuwe wereld er zal zijn, dat moet allemaal nog plaatsvinden.

En dan vraagt hij aan henzelf: ‘wie zeggen jullie dat ik ben?’ Dat is een vraag, die aan iedere christen wordt gesteld, in alle tijden. Het is een vraag die aan de gehele kerk van alle tijden wordt gesteld, omdat de kerk gebouwd is op het antwoord op die vraag, namelijk het antwoord van Petrus: ‘U bent de Christus!’

Toen Petrus zei ‘U bent de Christus’ voegde hij niet eenvoudigweg een andere verheven naam toe aan die andere, die door de mensen gegeven waren. Nee, met deze woorden drukte hij iets totaal anders uit dan wat de mensen gezegd hadden. Hij ontkende ermee, dat Jezus een voorloper was; hij ontkende ermee, dat iemand anders te verwachten was. Hij bevestigde ermee, dat iets beslissends in de geschiedenis verschenen was en dat de Christus, de brenger van het nieuwe, gekomen was in deze mens Jezus, die daar naast hem liep op een stoffig dorpsweggetje in Noord-Palestina.

Kunnen we de betekenis van Petrus’ bewering nog enigszins navoelen? Ik denk, dat dat moeilijk voor ons is, omdat het woord ‘Christus’ een soort achternaam van Jezus is geworden. Maar toen Petrus Jezus de Christus noemde was het woord ‘Christus’ nog een titel, die men iemand kon toedichten. Die was bestemd voor iemand, die de bevrijding van Israël zou bewerken, de overwinning van God over de volken zou tot stand brengen, de verandering van het hart van de mensen en de vestiging van het messiaanse rijk van vrede en gerechtigheid zou laten komen. Kortom, door de Christus zou de geschiedenis tot zijn vervulling komen. God zou weer de Heer van de mensheid worden en de aarde zou veranderd worden in een plaats van goedheid en zegen. Dit alles zat impliciet in die woorden van Petrus ‘U bent de Christus!’

Het grootse en het tragische van dit moment, waarop Petrus deze woorden uitsprak, worden zichtbaar in de reactie van Jezus: hij verbood hen nadrukkelijk er iemand iets over te vertellen. Het messiaanse karakter van Jezus was een geheimenis. Voor hem betekende het niet hetzelfde als voor de mensen. Als zij gehoord hadden, dat hij zichzelf de Christus noemde dan zouden zij een groot politiek leider verwacht hebben of een goddelijk figuur, die uit de hemel zou neerdalen. Maar hij geloofde niet dat politieke actie, bevrijding van Israël en het verslaan van het Keizerrijk een nieuwe werkelijkheid op aarde zou bewerken. En hij kon zichzelf niet de hemelse Christus noemen zonder blasfemisch over te komen op degenen, die hem noodzakelijkerwijs niet goed begrepen.

Christus is immers niet de politieke ‘vredevorst’, die de volken de geschiedenis door hebben verwacht en die ook vandaag nog even hevig verwacht wordt; hij is evenmin ‘de koning der heerlijkheid’, naar wie de vele zieners van zijn dagen uitkeken en die ook vandaag door velen wordt verlangd. Zijn geheim ligt dieper verborgen; dat kan niet zomaar d.m.v. traditionele namen benoemd worden. Het kon alleen maar onthuld worden door de gebeurtenissen, die zich zouden voordoen na de belijdenis van Petrus: het lijden, het sterven en de wederopstanding. Als hij vandaag zou verschijnen zou hij misschien de dominees van de kerk(en) verbieden nog langer over hem te spreken. ‘Hij verbood hen nadrukkelijk met iemand daarover te spreken’.

Onze kerken spreken dag in dag uit over hem en ook iedere zondag: sommigen meer in termen van een politieke vredeskoning, anderen meer in termen van een glorieuze hemelse koning. Zij noemen hem Jezus Christus en vergeten daarbij – en zij doen het ook ons vergeten – wat het betekent, dat Jezus de Christus is. Wat het meest ongelofelijk en menselijk onmogelijk is, namelijk dat een rondwandelende Joodse rabbi de Christus is, is voor ons iets vanzelfsprekends geworden. Laten we onszelf en onze mensen in ieder geval

van tijd tot tijd te binnen brengen, dat Jezus Christus betekent: Jezus van wie gezegd wordt, dat Hij de Christus is.

Laten we onszelf en anderen van tijd tot tijd afvragen of wij werkelijk kunnen instemmen met Petrus’ extatische uitroep, of wij op dezelfde wijze overweldigd zijn door het geheimenis van deze Mens. En als we dat niet bevestigend kunnen beantwoorden zouden we dan op z’n minst niet moeten zwijgen om het geheim van deze woorden te ontdekken en te bewaren in plaats van de betekenis ervan teniet te doen door ons gebazel erover?

En hij ging verder om hen te leren, dat de zoon des mensen veel te lijden zal krijgen en verworpen moest worden door de oudsten en de hogepriesters en de Schriftgeleerden en dat hij gedood moest worden en ten derde dage zou opstaan uit de dood. Hij sprak hier in alle vrijheid over. Zodra Petrus Hem de Christus noemde begon Jezus te profeteren over zijn lijden en dood. Hij begon het geheim van zijn messiaanse bestemming te onthullen. En dat was tegengesteld aan alles wat de mensen verwachtten en waar zieners van droomden en de leerlingen op hoopten. Hij moest verworpen worden door de politieke autoriteiten van het volk, wiens koning de Christus zou zijn, zo veronderstelde men.

Hij moest verworpen worden door de religieuze autoriteiten van het uitverkoren volk, waarvan de Christus de leider zou worden, zo veronderstelde men. Hij moest verworpen worden door de culturele autoriteiten van die traditie, die erop hoopte, dat de Christus alle heidense tradities zou overwinnen. Hij moest lijden – ja, Hij van wie men hoopte, dat hij alle lijden in zegen zou veranderen. Hij moest sterven – ja, Hij, die in goddelijke glorie zou verschijnen. Jezus ontkende zijn messiaanse roeping niet. Met de woorden die betrekking hadden op zijn ‘opstaan ten derde dage’ gaf hij aan, dat de verwerping en de dood niet zijn ondergang zouden betekenen, maar eerder de noodzakelijke stappen om de Christus te worden.

Hij kon alleen de Christus zijn als een lijdende en stervende Christus. Alleen zo is hij de Christus of, zoals hij zichzelf meer ‘mysterieus’ noemde: de zoon des mensen.

Petrus nam hem terzijde en begon hem om deze woorden terecht te wijzen. Maar Jezus wendde zich tot hem en keek naar zijn leerlingen en verweet Petrus door te zeggen: ‘Ga achter mij, Satan, want jij bedenkt geen dingen van God, maar die van mensen’. In Jezus’ dagen zou niemand het feit betwijfeld hebben, dat God lijden en martelaarschap zelfs de rechtvaardige deed toekomen.

Iedere bladzijde in het Oude Testament getuigde daarvan. Dat het lijdensverhaal het belangrijkste deel van het hele evangelie werd lag dus niet zozeer daar aan. Het was niet de diepte van het lijden en de betekenis van een heldendood, die het beeld van de gekruisigde zo’n grote betekenis hebben

gegeven. Er zijn immers zoveel voorbeelden van ‘creatief’ lijden en van heroïsch sterven in de geschiedenis van de mensheid te vinden. Maar geen ervan kan vergeleken worden met wat Jezus’ dood voorstelde.

In zijn lijden en dood gebeurde namelijk iets unieks. Het was en is een goddelijk mysterie, voor ons mensen onbegrijpelijk en ook goddelijke noodzaak. Daarom beschouwde Jezus Petrus’ poging en pleidooi om Jezus ervan af te houden om naar Jeruzalem te gaan als een satanische verzoeking, ook al liet Petrus zich hierin leiden en overweldigen door pijn en liefde. Dat zou echter zijn messiaans karakter teniet gedaan hebben. Hij zou hebben te lijden en te sterven als de Christus. De werkelijke Christus was niet de Christus, die zich in macht en aanzien liet gelden.

De Christus moest lijden en sterven, omdat wanneer het goddelijke in al zijn diepte verschijnt, dan kan dat niet door de mens worden verdragen. Het moet dan uit de weg geruimd worden door de politieke machten, de religieuze autoriteiten en de dragers van de culturele tradities. Als we de gekruisigde zien dan zien wij dus eigenlijk de verwerping van het goddelijke door het menselijke. Wij zien, dat in deze verwerping niet de laagste, maar de hoogste vertegenwoordigers van de mensheid worden geoordeeld.

Zodra het goddelijke verschijnt dan is dat een radicale aanval op alles wat goed is in de mens en daarom moet men het uitstoten, het wegduwen, het kruisigen. Zodra het goddelijke zich voordoet als de nieuwe werkelijkheid moet dit verworpen worden door de vertegenwoordigers van de oude werkelijkheid. Immers, het goddelijke maakt het menselijke niet compleet, het verzet zich er juist tegen. Daarom moet het menselijke zich er tegen verdedigen, het verwerpen en zal proberen het te vernietigen.

Echter, wanneer het goddelijke wordt verworpen dan neemt het die verwerping zelf op zich. Het aanvaardt onze kruisiging, onze afweer en onze verdediging ertegen. Het aanvaardt onze weigering om het aanvaarden en zo verovert het ons. Dat is de kern van het mysterie van de Christus. Laten we ons eens een Christus indenken, die niet zou sterven, die in heerlijkheid op ons zou afkomen om zijn macht, zijn wijsheid, zijn moraal en zijn vroomheid aan ons op te leggen. Hij zou ongetwijfeld in staat zijn onze weerstand te breken door zijn macht, door zijn wonderbaarlijke wijze van besturen, door zijn onfeilbare wijsheid en door zijn onweerstaanbare volmaaktheid.

Maar hij zou dan niet in staat zijn onze harten te winnen. Hij zou dan een nieuwe wet aanbrengen en die zou hij ons opleggen door zijn almachtige en volmaakte persoonlijkheid. Zijn macht zou onze vrijheid breken; zijn heerlijkheid zou ons overweldigen als een brandende, verblindende zon; onze menselijkheid zou worden verzwolgen in zijn goddelijkheid. Eén van Luther’s meest diepe inzichten was, dat God zichzelf voor ons heeft klein gemaakt in

Christus. Door dat te doen liet Hij ons onze vrijheid en onze mens-zijn. Hij toonde ons zo zijn hart, zodat onze harten gewonnen konden worden.

Als wij kijken naar de ellende in onze wereld, het kwade en de zonde, die in het bijzondere in deze dagen het einde van een wereldtijd lijken te markeren, dan verlagen wij naar ingrijpen van God, zodat de wereld en haar demonische (be)heersers zouden worden overwonnen. We verlangen naar een vredevorst in onze geschiedenis of naar een koning der heerlijkheid boven onze geschiedenis. We verlangen naar een Christus met macht. Toch is het zo, dat als Hij zou komen en ons en onze wereld zou omvormen, dan moesten we daar deze ene prijs voor betalen, die we niet konden betalen: wij zouden namelijk onze vrijheid, ons mens-zijn en onze geestelijke waardigheid verliezen!

Misschien zouden we gelukkiger zijn, maar we zouden ook lagere wezens zijn, ondanks onze huidige ellende, strijd en wanhoop. We zouden meer lijken op gezegende dieren dan op mensen gemaakt naar of in het beeld van God. Wie droomt van een beter leven en het kruis als een weg tracht te vermijden of wie hoopt op een Christus en de Gekruisigde probeert uit te sluiten, die heeft geen kennis van het geheim van God en mens.

Dat zijn precies degenen, die Jezus wel moeten beschouwen als louter een voorloper. Dat zijn ook degenen, die anderen moeten verwachten met nóg meer macht om de wereld te veranderen, anderen met grótere wijsheid om de harten van mensen te veranderen. Maar zelfs de grootste in macht of wijsheid zou niet in staat zijn om het hart van God en van de mensen vollediger te onthullen dan de Gekruisigde reeds heeft gedaan. Deze dingen zijn eens en voorgoed geopenbaard. ‘Het is volbracht’. In het aangezicht van de Gekruisigde zijn al het ‘meer’ en al het ‘mindere’, alle vooruitgang en het dichterbij komen betekenisloos. Daarom kunnen we van Hem alleen zeggen: Hij is de nieuwe werkelijkheid; Hij is het einde; Hij is de messias. Alleen tot de gekruisigde kunnen we zeggen: U bent de Christus!

 

 

Lees meer uit: Als de fundamenten gaan wankelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

 

Nieuw in 'Als de fundamenten gaan wankelen' : Hoofdstuk 17: Hij is de Christus!

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

  

 

 

 

Solario Energy Revolution