Preek over 2 Korinthe 3: 17

De Heer nu is (de) Geest; en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid.

 

Bij mijn bezoek aan het Paul Tillich Archief in Boston in 2013 vond ik een handgeschreven preek van Tillich uit de jaren, dat hij predikant was in Berlijn-Moabit. Dat is dus uit de periode 1912-1914. Het is een Pinksterpreek, die hij in één van deze jaren daar heeft uitgesproken.
Moabit was een echte arbeiderswijk sinds begin 19e eeuw: er was veel industrie, maar ook was er een gevangenis en een groot ziekenhuis, terwijl daar in 1909 bovendien een grote AEG machinefabriek werd gebouwd. Het was een stadsdeel, waar communisme en socialisme veel aanhang vonden.
Misschien zijn de grondslagen voor Tillich’s sympathie voor het (religieus) socialisme hier wel gelegd en heeft zijn werk onder de arbeiders hem de ogen geopend voor de noden en eisen van de arbeidende klasse, terwijl hijzelf afkomstig was uit een gegoede middenklasse.
Een latere getypte transcriptie van deze preek (met soms onleesbare doorhalingen of aanvullingen) vormt de basis van mijn (soms vrije) vertaling, die ik hier aanbied.
Enerzijds zijn de openheid en breedte van blikveld opvallend en ook typisch Tillich, terwijl hij anderzijds ook wil aansluiten bij traditioneel-confessionele denkbeelden. Of die elkaar in evenwicht houden kan ieder voor zich beoordelen. Deze preek is wellicht te typeren als een indringende zoektocht naar het werken en de invloed van de Geest van God in deze wereld en in onszelf, waarbij de betekenis van Jezus’ kruisdood cruciaal blijkt te zijn. In een voortdurend afwegen van wat de Geest nu werkelijk is en teweeg brengt wil Tillich het unieke van de vrijheid van Jezus’ sterven als het geboorteuur van Pinksteren proclameren en zo ook de vrijheid van de kinderen Gods funderen. Het waaien van de Geest is overal hoorbaar en merkbaar, maar uiteindelijk vindt men haar in de Heer zelf, die de Geest is en die vrijheid is en geeft.
Of deze toch wel wat academisch opgezette preek in Berlin-Moabit geland is zullen wij nooit weten. (CH)

Lieve gemeente,

Telkens wanneer na tijden van dorheid, van slavernij en van letterknechterij de Geest over de mensheid komt, dan is dat als het waaien van een krachtige wind, die alles met zich meesleurt, die vermolmde boomstammen neersmijt en die de golven van de zee tegen de oever doet opklotsen en de dam doet bezwijken, die haar had moeten tegenhouden, maar zo komt alles onder water te staan en vernietigt alles wat (er) was, maar zij maakt tegelijkertijd ook de dorre vlakte vruchtbaar; of ook hoe zij het leven op aarde tevoorschijn brengt, waarvoor de sterkste muren niet sterk genoeg zijn om het binnen te houden en kettingen springen zelfs open, zodat degenen, die gebonden zaten in diepe duisternis vrij komen!
Geest en vrijheid horen bij elkaar. Door het waaien van de Geest ontwaakt de vrijheid en zij ziet een nieuwe dag verschijnen, die zij mag aanschouwen en zij werpt alles wat haar hindert en vasthoudt van zich af…totdat zij zelf weer in de overmoed van haar vrijheid nieuwe kettingen gaat smeden en zo de Geest veracht en zij weer terugzinkt in een slaap van slavernij.
De Heer is de Geest, zegt Paulus. Dat is een ander geluid. De Heer, d.w.z. dat is Hij voor wie men niet kan wegvluchten, dat is Hij, die spreekt en het is er, die ons bindt en voor eeuwig zijn wij aan Hem gebonden. De Heer, dat is Hij die knechten heeft, die met hun lichaam en leven, met ziel en geest Hem toebehoren, die zelf niets hebben, wat Hem niet toebehoort, die niets zijn dan  wat Hij niet uit hen gemaakt heeft.
De Heer is de Geest, d.w.z. de Geest is afhankelijkheid: wie de Geest heeft, die is een knecht, een slaaf van de Heer, die de Geest is. Dat staat in schril contrast tot dat andere woord: de Geest is vrees. En toch, zo gaat de apostel verder: waar de Geest van de Heer is, daar is vrees d.w.z. waar de Geest is, die ons tot knechten, ja slaven van Jezus maakt, alleen daar is vrijheid. In een hoogste tegenspraak, in een oneindige diepte, is het Ja en Nee één!
En dit zal het onderwerp van onze Pinksteroverdenking zijn:
De Geest van Pinksteren: zij is de Geest van de Heer, die ons bindt, maar het is (ook) de Geest van vrijheid, die ons bevrijdt; en zij is het ene, omdat en terwijl zij (ook) het andere is.
De Heer is de Geest: deze unieke plaats – en geen enkele andere – toont ons in waarheid de Geest en daarom: aan deze enige plaats zijn wij gebonden, waardoor wij knechten van de Geest zijn.
Wel is het zo, dat de Geest van boven ook elders in de wereld waait: de Scheppergeest, die eens sprak en vandaag nog spreekt - en alles komt aan het licht!  die uit de nacht het licht tevoorschijn heeft gehaald alsook de zon en de aarde, die uit de diepte de bergen omhoog gebracht heeft, maar ook de wolken en de rivieren, die vervolgens weer afdalen in de dalen, die vanuit de donkere  aarde de bloemen laat groeien en deze met kleuren bedekt en die de bomen met bladeren versiert – deze Scheppergeest is het, die de mens schiep naar zijn beeld, zodat deze verder zal scheppen in de kracht van de Geest, zodat hij steden gaat bouwen en rijken sticht, zodat hij heerst over de wind en de zee beheerst en de watervloeden vanuit de diepten aan zich dienstbaar maakt, zodat hij heer kan zijn op aarde in de kracht van de Geest, die de Geest hem geschonken heeft. In dit alles is er zeker sprake van het waaien van de Geest, een Geest van hierboven, en toch niet: de Geest, want: de Heer is de Geest.
Er is een diep en mysterieus waaien  van de Geest aanwezig in ieder mensenhart, in het verborgen leven en verlangen  van de ziel, haar op en neer bewegen in vreugde en pijn, haar hoop en verdriet, haar zoeken en verliezen, haar kracht om te beminnen en één te worden, zielsverbonden met banden, die sterker zijn dan ijzer of erts. Ja, het waaien van de Geest zit in de overgave van de moeder aan het kind en in het vertrouwen van het kind in de moeder, wanneer de ziel van een kind een ander kind vindt, een echtgenoot zijn echtgenote…
Het waaien van de Geest bespeuren we ook in ieder oneindig verlangen, dat pas tot rust komt in een vragend weten, in de heldere stem, die eens luid heeft gesproken: jij moet dit en jij mag dat niet, in het berouw en de schaamte (daarin te falen), in de moed en het offer, in de kracht te weten en te erkennen ook het meest verborgene, in het gebod, dat omhoog rijst tot voor Gods troon, alsook het zuchten, dat niet ophoudt, dat de Geest voor Gods aangezicht brengt…in dat alles is sprake van het waaien van de Geest en toch is dit niet de Geest, want de Heer is de Geest.
En er is een sterk en waarneembaar waaien van de Geest door de geschiedenis van de mensheid heen vanaf de vroegste tijden. Uit de woorden van de groten uit onze tijd horen wij het ruisen en bewegen, ja vanaf de dagen, dat er aan de oevers van de Eufraat en de Nijl in steen en op kleitabletten woorden van wijsheid (in)gebeiteld werden en toen Mozes uit de hand van God de tafels van de Wet ontving, sedert de dagen, dat denkers en dichters de diepten van de  eeuwigheid proberen te verwoorden en opgetekend hebben wat God van ons vraagt: liefde te betrachten en ootmoedig te wandelen voor God…tot op de dagen, dat de rijken bedelaars werden en koningen monniken werden in dienst van Jezus en een monnik paus werd en de kerk zich gewonnen gaf aan diezelfde Geest; tot in de laatste tijden, waarin predikers erop uittrokken naar verre landen om van deze Geest te getuigen en de woorden van liefde om te zetten in daden tot een getuigenis van deze Geest. Het gaat in dit alles om een geweldig waaien van de Geest de eeuwen door – en toch is het niet de Geest, want de Heer is de Geest.
Tenslotte, echter hoe direct ook bij de Heer, die de Geest is, vandaan, namelijk goddelijk, wereld overwinnend, waait de Geest in de woorden van de apostelen en evangelisten, in het boek der boeken, ja hoe waait de Geest in de kerk van Christus eeuw uit eeuw in, hoe waait de Geest in de harten der gelovigen, die verbonden zijn met de Heer, die de Geest is. Maar toch, ook dat is de Geest nog niet, ook de Schrift is de Geest niet, zij kan ook (dode) letter zijn, want de Heer is de Geest. Ook de kerk is de Geest niet, want zij kan een tempel zijn, die door de Geest verlaten is, want de Heer is de Geest; ook het gelovige hart is de Geest niet, want dat kan een plaats van geesten zijn, die van ‘beneden’ zijn of komen, …immers, de Heer is de Geest!
Zo hebben wij dan alle plaatsen even langsgelopen en we bemerkten wijd en zijd een vermoeden van het waaien van de Geest en we hebben toch moeten zeggen: dit is de Geest niet. Laten we daarom nu stilstaan bij die ene plaats, waar niet alleen sprake is van het waaien van de Geest, maar waar de Geest zelf is, voor de Heer, die de Geest is, voor de helderheid van zijn aangezicht, die de helderheid van God zelf is, die de heilige ernst van de Rechter en de oneindige genade van Hem is, die zichzelf richt om anderen te vergeven, die de heilige majesteit van de Koning der koningen, de oneindige deemoed van de meest Verachte en Geringe is, die de dood en zonde overwinnende kracht van de Zoon van God en de oneindige machteloosheid is, die wanhopig uitroept: Mijn God, waarom hebt U mij verlaten, dat, ja dat alleen is de Geest en aan die Geest zijn wij verplicht, van Hem zijn wij knechten en slaven en van Hem mogen wij ons niet losmaken en door Hem alleen zijn wij, wie en wat wij zijn: deze Geest is onze Heer; deze Heer is het, die (de) Geest is!
En wanneer gezegd wordt: Jij, onvrije, kijk maar weg van deze ene plaats, kijk om je heen, zie de Geest van de schepping aan, dat is de Geest! Of kijk naar de Geest in jezelf, de Geest in de mensheid van alle tijden, ja ook de Geest in u en mij, die er wijd en zijd is, dan antwoorden wij toch: inderdaad is er overal het waaien van de Geest, maar wij hebben Hem zelf(s), Hij, de Geest, heeft onszelf: wij zijn van Hem, helemaal van Hem, want waar de Heer is, daar is de Geest!
En als wij dan zo gesproken hebben gaan wij nu ook verder: en toch zijn wij  niet minder vrij en wereldomvattend dan zij, nee, veel meer dan deze Geest, die ons tot slaven maakt van zijn Heer, Hij, Hij alleen is de Geest der vrijheid. Alleen waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid.
Vrij zijn wij ten opzichte van al het geschapene, aan wie het onderworpen is , die daar uitroept: de Geest der schepping is de Geest. Zij moeten immers sidderen, wanneer uit het licht de duisternis ontstaat en uit het geluk ellende; zij zijn knechten van de zorgen en van wat de toekomst zal brengen; zij zijn knechten van de doodsangst, hun leven lang, van de angst voor het ogenblik, wanneer de Geest der schepping wegzinkt in de nacht en het graf van de dood.
Wij echter, wij die de Geest van de Heer hebben, door Wie alles geschapen is en die toch stierf zoals al het geschapene, wij zijn heren van de zorgen en dat is onze vrijheid.
Wij zijn er zeker van dat leven noch dood, tegenwoordige noch toekomstige dingen ons kunnen scheiden van de Heer, die Geest is en dat is onze vrijheid.
En wij zijn vrij van onze ziel met al haar wisselingen, haar heen en weer, op en neer, en men kan wel zeggen: dat is de Geest, je moet wel wanhopen, als uw ziel duister wordt en in de diepte afdaalt en wanneer het stralen van de Geest uitdooft en de matheid van de dood je aangrijpt…wij weten echter, dat engelen noch machten ons kunnen scheiden van de Heer, die de Geest is en dat is onze vrijheid!
En wij zijn vrij van andere mensen, van hun liefde en haat, van hun achting en minachting, van hun koude en warmte; wij zijn vrij van de vrees om hen te verliezen en meer nog dat dit, wij zijn vrij van alle gevoelens, die de liefde tussen ons en hen kunnen verstoren. Wie de menselijke liefde de Geest noemt blijft altijd een knecht van mensen. Wij weten echter, dat hoogte noch diepte noch enig ander schepsel ons kan scheiden van de Heer, die de Geest is en dat is onze vrijheid.
En verder triomfeert de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods over al onze dwalingen, zonde en zwakheid. Waar de Geest van de Heer is, daar is de waarheid, daar is vrijheid van alle dwaling en wanneer ‘de anderen’ zuchten onder (hun) duisternis, leugen en eindeloos dwalen, dan weten wij: ook de dwaling (het dwalen, ons vergissen) kan ons niet tot slaven maken, omdat wij knechten van de Heer zijn. En waar de Geest van de Heer is, die Genade is, daar is vrijheid van alle schuld. Daarom weten wij: ook de schuld kan ons niet tot slaven maken, omdat wij knechten van de Heer zijn. En tenslotte, waar de Geest van de Heer is, die bij machte is te overwinnen, daar is bevrijding van alle zwakte; en wanneer ‘zij’ zuchten vanuit hun zwakte tot God, zo weten wij: ook onze zwakte maakt ons niet tot slaven, omdat wij knechten van de Heer zijn, want waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid!
Zo zijn wij vrij van de mensen, van de grote en de kleine, vrij zijn wij van de Schrift en haar ‘letters’, vrij zijn wij van de kerk en haar wet(ten), vrij zijn wij van onszelf en van het blikken op onze ervaring en op onze geest. ‘Zij’ (de anderen) moeten er altijd treurig om worden, wanneer zij het kleine in de mens ontdekken te midden van het grote, wanneer zij aanstoot nemen aan de ‘letter’ in de Schrift, wanneer zij de kerk zien met al haar lek en gebrek, wanneer zij zichzelf zien in hun eigen zwakheid en onbetrouwbaarheid. Van dit alles zijn zij slaven en onvrij in hun innerlijk; wij echter hebben de Geest, die vrijheid is, de Geest van de Heer!
Wij hebben haar, die Geest, lieve vrienden! Niet alsof wij ons daardoor verheven zouden kunnen voelen boven die anderen, niet alsof wij onszelf zouden willen verheerlijken. Dan zouden wij toch met al onze vrijheid weer slaven van onszelf worden, want dat is toch wel de allerzwaarste slavernij; nee, niet wijzelf, die de Geest van de Heer hebben, zijn de Geest. Niemand weet dat zo zeker als wijzelf: niet wij, de knechten, zijn de Geest, maar alleen Hij, de Heer; Hij alleen is de Geest der vrijheid!
En wanneer wij dan tenslotte nog één keer vragen, waarom Hij de Geest van vrijheid is, dan antwoorden wij: omdat Hij vrij is van hemel en aarde en van alles wat daarin is, omdat Hij vrij is van de geest van de mensen en van de massa, omdat hij vrij is van zichzelf, want voor allen is hij gestorven, niet als een enkeling, die door allen gedood werd, maar als de Heer heeft hij dit alles met zich meegedragen in zijn dood. Aan het kruis is hij aan dit alles en aan iedereen gestorven: aan het kruis zijn wij hierom/door vrij geworden.
Omdat de Heer Heer geworden is door het kruis, daarom is hij tegelijk de Geest der vrijheid, de vrijheid van alles, wat met hem gekruisigd is.
Omdat wij een Heer hebben, die aan het kruis de dood overwonnen heeft, daarom zijn wij zowel knechten als vrijen: aan het kruis van Golgotha is Hij geboren, de Geest van Pinksteren, de Geest van de Heer, die leeft, de Geest der vrijheid, die verlost, die ons bevrijdt. Amen.

 


Lees meer uit ander werk

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

 

Nieuw: F.F. Omta, Sin: against Whom or against What?

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

  

 

 

 

Solario Energy Revolution