Het Eeuwige Nu

 

Hoofdstuk 1: Alleen, maar niet eenzaam

En toen hij de scharen had heengezonden, ging Hij de berg op om te bidden; en toen het avond was geworden was hij daar alleen. Matth. 14: 23

I
“Hij was daar, alleen”. Precies zo zijn wij er aan toe. De mens is alleen, omdat hij een mens
is! In zekere zin is ieder schepsel alleen. In verheven ‘alleenheid’ reist iedere ster door de duisternis van de oneindige ruimte. Iedere boom groeit volgens eigen wetmatigheid en ontplooit zo haar unieke mogelijkheden. De dieren leven, overleven en sterven voor zichzelf, alleen, bepaald als zij zijn door de beperkingen van hun lichaam. Het is waar, zij gaan door het leven als mannetje en wijfje, ze verkeren soms in familieverband, dan weer in kuddes. Sommige kunnen inderdaad alleen maar in groepen leven, maar ieder van hen is uiteindelijk toch alleen! Een levend wezen zijn betekent in een lichaam zijn – een lichaam dat apart staat van alle andere lichamen. En zo ‘apart’ te zijn betekent, dat men alleen is.
Dit geldt voor ieder schepsel, maar vooral voor de mens, meer nog dan voor enig ander schepsel. De mens is niet alleen alleen, hij weet ook, dat hij alleen is. En omdat hij zich bewust is van zijn alleen-zijn, vraagt hij er ook naar. Hij vraagt zich af, waarom hij alleen is en hoe hij zijn alleen-zijn kan overwinnen. Want hij kan zijn alleen-zijn moeilijk verdragen, maar hij kan er ook niet aan ontkomen. Het is in feite zijn bestemming om alleen te zijn en om zich dat bewust te zijn. Zelfs God kan dat lot niet van hem afwenden.
In het paradijsverhaal lezen wij: “Toen zei de Heer: het is niet goed dat de mens alleen is”. En Hij schiep de vrouw uit het lichaam van Adam. Een oude mythe wordt hier gebruikt om te laten zien, dat er oorspronkelijk geen lichamelijke scheiding bestond tussen de man en de vrouw. In den beginne waren zij één. Daarom verlangen zij er nu naar om weer één te zijn. Maar hoewel zij elkaar herkennen als “vlees van mijn vlees”, ieder is en blijft alleen. Zij kijken naar elkaar en ondanks dat zij naar elkaar verlangen, zij zien vooral de ‘andersheid’ van de ander. In het verhaal maakt God zelf hen daarvan bewust, wanneer Hij tot een ieder afzonderlijk het woord richt, wanneer Hij ieder afzonderlijk verantwoordelijk stelt voor zijn of haar schuld, wanneer Hij luistert naar ieders uitvluchten en wederzijdse beschuldigingen, wanneer Hij voor ieder een eigen vloek uitspreekt en hen ieder de schaamte van hun eigen naaktheid laat ervaren. Elk van hen is hierin alleen. De schepping van de vrouw heeft die situatie niet verholpen, die God zag als niet goed voor de mens. Hij is en blijft alleen. De schepping van de vrouw – hoewel dat een hulp betekent voor Adam – heeft het ene menselijke wezen duidelijk gemaakt, dat het andere menselijke wezen in feite net zo alleen is als hijzelf. En dat geldt evenzeer voor wie uit hen voortkomen: ieder mensenkind staat op zichzelf en is alleen!
We vragen ons misschien af, of dit echt zo is. Heeft God het toch inderdaad niet beter gemaakt dan het was? Wordt ons alleen-zijn niet grotendeels opgeheven in de ontmoeting van de sexen? Dat is toch zeker het geval in uren van samenzijn en op momenten van liefde. De extase van het liefdesspel kan het eigen zelf in de vereniging met dat van de ander opslorpen en zo schijnt de scheiding opgeheven te zijn. Maar daarna wordt het onderscheid tussen het zelf en zichzelf zelfs vaak dieper ervaren dan ddarvoor, soms zelfs zo sterk dat men elkaar afwijst. We hebben teveel van onszelf gegeven en nu willen we terugnemen wat we hebben gegeven. Ons verlangen om ons alleen-zijn te beschermen komt tot uitdrukking in ons schaamtegevoel. We zijn beschaamd wanneer ons intieme zelf, zowel lichamelijk als
geestelijk, wordt geopend. We proberen dan onze naaktheid te bedekken, zoals Adam en Eva deden, toen zij zich bewust werden van zichzelf. Daarom blijven man en vrouw uiteindelijk alleen, zelfs op de meest intieme manier van verenigd zijn. Men kan de meest innerlijke kern van de ander niet binnendringen. Maar ook al is dit niet mogelijk, we kunnen toch wel elkaars helper zijn en als mensen gemeenschap met elkaar hebben.
Daarom ook kan zelfs God de mens niet van zijn alleen-zijn bevrijden: het is de grandeur van de mens, dat hij gecentreerd is rond zichzelf. Hij is onderscheiden van de wereld, zodat hij in staat is die waar te nemen. Alleen omdat hij haar kan waarnemen, kan hij haar kennen, beminnen en omvormen. God schiep de mens als ‘heerser’ over de aarde en daartoe moest Hij hem apart stellen en hem zijn alleen-zijn geven. Daardoor kan de mens ook aangesproken worden door God en door de ander. Zo kan hij vragen stellen en antwoorden geven en beslissingen nemen. Zo heeft hij de vrijheid tot het goede en tot het kwade. Alleen wie een ondoordringbare kern in zichzelf heeft is vrij. Alleen hij die alleen is kan zeggen, dat hij een mens is. Dit is zijn grandeur, maar tegelijkertijd ook zijn misère.

II
Onze taal maakt wijselijk onderscheid tussen deze twee kanten van het alleen-zijn van de mens. Het gebruikt het woord ‘alleen-zijn’ om de pijn van het alleen zijn uit te drukken, maar het woord ‘eenzaamheid’ wordt gebruikt, wanneer men de positieve kant van het alleen-zijn wil uitdrukken. In het dagelijks leven onderscheiden we die twee begrippen niet altijd, maar dat zouden we toch wel consequent moeten doen, want daarmee verdiepen wij ons begrip van onze menselijke situatie. In Psalm 25 lezen wij: “Wend U tot mij en wees mij genadig, want ik ben alleen en ellendig”. De psalmdichter voelt de pijn van het alleen-zijn. We weten niet precies, wat de aard van zijn alleen-zijn was, maar we weten allemaal, dat het alleen-zijn vele gezichten kan hebben. We hebben allen wel ervaring met het ene of het andere aspect. Het alleen-zijn dat het meest voorkomt is, wanneer degene die ons hielp om ons te doen vergeten, dat we alleen zijn, ons door een scheiding of door de dood is ontvallen. Ik denk daarbij niet alleen aan degenen, die ons het meest nabij zijn, maar ook aan die mensen, die ons een gevoel van verbondenheid gaven, groepen waar we mee gewerkt hebben, met wie we sociaal contact hebben gehad, met wie we ook op geestelijk niveau contact hadden. Voor heel veel mensen wordt zo’n situatie van alleen-zijn iets permanents en een voortdurende bron van diepe melancholie. Het zuchten van onnoemelijk veel mensen, die alleen zijn, zowel in onze nabijheid of over de hele wereld, bereikt de oren van hen, die in liefde daarvoor openstaan. Maar laten we eens de mensen in ogenschouw nemen, die omringd worden door vrienden en buren, door collega’s en landgenoten, die leven in familieverband en de omgang van de sexen genieten: zij hebben alles wat die anderen niet hebben. En laten we hen eens vragen: zouden zij de pijn van het alleen-zijn niet kennen? Dekt de menigte waarin zij zich bewegen hun alleen-zijn toe? Als wij onszelf tot die mensen rekenen over wie wij het nu hebben dan zouden wij die vraag als volgt beantwoorden: Ik voelde me nooit zo alleen als juist in dat bijzondere uur, toen ik omringd werd door talloze mensen en ik mij toen plotseling bewust werd van mijn ultieme isolement en eenzaamheid. Ik werd er stil van en trok me terug uit de groep om alleen te zijn met mijn alleen-zijn. Want ik wilde dat de situatie waarin ik mij bevond overeenkwam met mijn innerlijke situatie. Laten we zo’n ervaring niet wegwuiven door te stellen dat sommige mensen nu eenmaal niet sterk genoeg zijn om een plaats van betekenis te verkrijgen in de groep en dat zij zich dus
terugtrekken uit zwakte. Deze mensen zouden in gesprekstherapie moeten gaan of psychiatrische hulp moeten zoeken. Het is waar, er zijn genoeg mensen, die met dergelijke problemen worstelen en zij moeten inderdaad hulp zoeken. Maar ik heb het nu over de sterken, die hun plaats in de menigte wel degelijk hebben veroverd en die desondanks de schrik van het ultieme alleen-zijn ervaren. Plotseling dringt hetdoor de wereld om hen heen tot hen door en zijn zij zich er ineens van bewust, wat en hoe hun werkelijke situatie is. Laten we deze ervaring ook niet bagatelliseren door te beweren, dat sommige mensen zich nu eenmaal gauw onbegrepen voelen, dat er nu eenmaal mensen zijn, die niets liever willen dan maar ‘begrepen’te worden en daar hun uiterste best voor doen, maar zich tegelijkertijd in de groep alleen voelen. Niemand kan ontkennen dat er zulke mensen zijn en ook moeten we toegeven, dat zij iets duidelijk maken, namelijk dat niemand ten diepste begrepen kan worden, zelfs niet door onszelf. Men kan immers iemands geheim niet bevatten en het is natuurlijk volstrekt onjuist te mene dat men iemand kan definiëren door zogenaamd een treffende beschrijving van zijn/haar karakter te geven. Er zijn echter (ook) mensen, die zich altijd onbegrepen voelen en die verwarren het geheimenis van een persoon met het koesteren van bijzondere schatten, die men meent te bezitten en die men dan graag door anderen erkend wil zien. Als die erkenning er dan niet komt, dan voelen zij zich alleen en trekken zij zich terug. Deze mensen hebben inderdaad hulp nodig. Maar nogmaals, er zijn er ook, die hun schatten echt wel naar buiten kunnen brengen en die ook begrepen worden en erkenning ontvangen, maar die toch ook weet hebben van deze verschrikkelijke ervaring, namelijk de ultieme eenzaamheid. Op zulke momenten breken zij door de oppervlakte van het gemiddelde leven heen en vallen in de diepte van de ‘condition humaine’. Velen voelen zich alleen, omdat hun liefde wordt afgewezen, ondanks hun pogingen om lief te hebben en bemind te worden. Deze vorm van alleen-zijn schept men in feite zelf. Want deze mensen claimen iets als een recht, wat echter alleen als een geschenk tot ons kan komen. Ze trekken zich terug in een zelfverkozen eenzaamheid en nemen wraak door bitter en vijandig te zijn jegens de personen, door wie zij zich afgewezen voelen, maar in werkelijkheid genieten zij ook van de pijn, die dit alleen-zijn met zich meebrengt. Er zijn veel van dergelijke mensen en zij zorgen voor een enorme toename van de neurotische eenzaamheid in onze tijd. Zij hebben vooral hulp nodig, want zij vallen gemakkelijk ten prooi aan demonische machten, waardoor zij zich volledig opsluiten in zichzelf. Maar iedereen heeft er ook wel weet van wat het betekent om in de liefde afgewezen te worden. Er wordt misschien niets bijzonders ge-eist, men hoopt op en verlangt alleen maar naar de ander, maar het loopt uit op een teleurstelling. En zo loopt een liefdessamenzijn ten einde en houdt op te bestaan. Wanneer men zo alleen komt te staan, dan voelt dat vaak, alsof al onze banden met de wereld worden doorgesneden. Ja, we voelen ons volstrekt alleen en zelfs de liefde die soms onverwacht uit een andere hoek kan komen of zelfs ook de kracht van onze eigen liefde kunnen deze misère niet bij ons wegnemen. Hij/zij die de eenzaamheid van de teleurgestelde liefde zonder verbittering kan verdragen ervaart de diepte van de menselijke verlegenheid op een volstrekt radicale wijze en moet die op een geheel eigen, creatieve manier zien te verwerken. Uiteindelijk zijn er twee vormen van eenzaamheid, die niet kunnen worden opgelost of die we niet kunnen ontlopen: de eenzaamheid van de schuld en die van de dood. Niemand kan wat we zelf gedaan hebben tegen ons ware zijn van ons afnemen. Zowel onze verborgen als ook onze openlijke schuld ervaren we als iets, dat van onszelf is, ja als iets dat helemaal van ons alleen is. We kunnen toch niemand verantwoordelijk maken voor wat wij zelf hebben gedaan? We kunnen niet van onze schuld weglopen en we kunnen het ook niet op een
eerlijke manier oplossen. We staan er alleen voor. Het is een eenzaamheid, die alle andere vormen van eenzaamheid doortrekt en deze eenzaamheid wordt door ons (aan)gevoeld als een oordeel. En dan is er nog die ultieme eenzaamheid, te moeten sterven. Als we in gedachten soms vooruitlopen op onze dood, dan voelen we ons al alleen. Het verbonden zijn met anderen kan dat niet van ons afnemen. Ook kan iemands aanwezigheid tijdens het werkelijke uur van ons sterven het feit verdoezelen, dat het om onze dood gaat, ja de onze alleen. In het uur van onze dood worden we afgesneden van het hele universum, ja van alles. We moeten alles en iedereen loslaten, juist ook hen, die ons (altijd) deden vergeten dat we alleen waren. Wie kan die eenzaamheid aan?

III
Alleen-zijn kan alleen overwonnen worden door degenen, die de eenzaamheid kunnen verdragen. We hebben als mens een natuurlijk verlangen naar eenzaamheid. We willen voelen wat we zijn, namelijk alleen, en dat dan niet als iets pijnlijks of afschrikwekkends, maar juist met vreugde en moed. Er zijn vele manieren waarop de eenzaamheid kan worden gezocht en ervaren. En elke ‘weg’ kan “religieus” genoemd worden, als het waar is, wat een filooof eens opmerkte, namelijk dat “religie datgene is wat een mens doet met zijn afgezonderd-zijn.” Een van de wegen is het verlangen naar de stilte in de natuur. Zonder iets te zeggen kunnen we spreken met de bomen, de wolken en de golven van de zee. Woordeloos antwoorden zij ons met bladgeritsel, het glijden van de wolken door de lucht en het ruisen van de zee. Deze eenzaamheid kunnen we echter maar korte tijd uithouden. Immers, we realiseren ons, dat de geluiden van de natuur ten diepste de vragen in ons hoofd en hart niet kunnen beantwoorden. Onze eenzaamheid in de natuur kan gemakkelijk een alleen-zijn worden en dan keren we weer terug naar de wereld van de mensen. Eenzaamheid kan ook gevonden worden in het lezen van poëzie, in het luisteren naar muziek, in het naar schilderijen kijken of door serieus over de dingen na te denken. Dan zijn we alleen, misschien temidden van mensenmassa’s, maar we zijn niet eenzaam. De eenzaamheid beschermt ons zonder ons te isoleren. Maar het leven roept ons terug naar het lege gepraat en de onvermijdellijke eisen van de dagelijkse routine. Het roept ons terug naar het alleen-zijn en naar de dekmantel/bedekking, die op zijn beurt, zich uitspreidt over ons alleen-zijn. (en naar het masker, dat op zijn beurt ons alleen-zijn verbergt). Dit voorgaande legt ongetwijfeld haarfijn bloot, hoe de mens er in het algemeen aan toe is, maar ook, zo zeg ik met nadruk, onze tijd. Veel dieper dan in voorgaande perioden voelt de mens zich tegenwoordig alleen, ja hij kan zijn eenzaamheid nauwelijks aan. Wanhopig probeert hij deel te nemen aan de massa en alles in onze wereld steunt hem hierbij. Het is een symptoom van een ziekte van onze tijd, dat onderwijzers, ouders en de leidinggevenden bij de publieke omroepen er alles doen om ons te beroven van randvoorwaarden om eenzaam te kunnen zijn. En dat hebben we allen zo broodnodig voor onze privacy. Zelfs onze huizen worden zo gebouwd, dat onze privacy vrijwel geheel onmogelijk wordt. Het alleen kunnen zijn van ieder gezinslid wordt volstrekt niet meer beschermd. Dat geldt evenzeer voor andere vormen van gemeenschapsleven, zoals de school, het collge, het kantoor en de fabriek. Ons verlangen naar eenzaamheid staat dus voortdurend onder druk en dreigt zelfs teloor te gaan.
Maar soms stuwt God ons uit de massa in de richting van de eenzaamheid, die we misschien niet willen, maar die onverhoeds beslag op ons legt. De profeet Jeremia zegt ergens: “Ik zit alleen terneer, want uw hand was op mij”. God legt soms zijn hand op ons. Hij wil ons de vraag naar de waarheid stellen, die ons kan losmaken van de meeste medemensen en die ook alleen maar in de eenzaamheid gesteld kan worden. Hij wil ons de vraag naar de gerechtigheid stellen, die voor ons wellicht het lijden en de dood met zich mee kunnen brengen – en dat kan alleen in ons groeien, als we de eenzaamheid aankunnen. Hij wil dat wij de gewone manieren van ons mens-zijn doorbreken en dat kan verachting en haat jegens ons met zich meebrengen. Ook deze doorbraak kan alleen plaatsvinden in de eenzaamheid. Hij wil dat wij doordringen tot aan de grenzen van ons zijn, waar wij het geheim van ons leven gaan zien en ook dat kan alleen aan het licht komen op momenten van eenzaamheid. Er zijn er misschien onder jullie, die ernaar verlangen om ergens creatief in te worden. Maar je kunt niet creatief worden of blijven zonder de eenzaamheid te koesteren. Een uur bewuste eenzaamheid zal je creativiteit meer verrijken dan de vele uren, die besteed worden aan het leren van het creatieve proces.
Wat gebeurt er namelijk als we alleen zijn? Luister naar Markus’ woorden over Jezus’ alleen- zijn in de woestijn: “En Hij was veertig dagen in de wildernis, verzocht door de duivel; en hij was daar met de wilde dieren en de engelen dienden Hem”. Hij is daar alleen, oog in oog met de hele aarde en de lucht, de wilde dieren om hem heen en ook binnen in hem; zo wordt hijzelf het slagveld van goddelijke en demonische krachten. Dus, dat is het eerste wat in onze eenzaamheid gebeurt: we ontmoeten onszelf, niet als onszelf, maar als een strijdtoneel tussen schepping en verwoesting, tussen God en de demonen. De eenzaamheid is niet gemakkelijk. Wie kan erin staande blijven? Het was zelfs ook voor Jezus niet gemakkelijk.
We lezen: “Hij ging de bergen in om te bidden. En toen de avond viel was hij daar alleen”. Als het avond wordt, wordt het alleen-zijn eenzamer. We voelen dat aan, zodra een dag, een periode of ook alle dagen van ons leven, ten einde gaan. Jezus klom omhoog om te bidden. Is dat de manier om het alleen-zijn om te vormen tot eenzaamheid om het dan ook zo uit te houden? Deze vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden. De meeste gebeden hebben niet zoveel kracht. De meeste gebeden maken God tot een soort gesprekspartner en we gebruiken Hem dan om de enige ware weg naar de eenzaamheid te ontvluchten. Zulke gebeden vloeien heel gemakkelijk uit de mond van voorgangers en leken. Maar ze komen niet voort uit de eenzame ontmoeting van God met de mens. Het zijn zeker niet de soort gebeden, waarvoor Jezus de bergen in ging. Het is beter dat we stil blijven en onze ziel, die altijd verlangt naar eenzaamheid, in de gelegenheid stellen om woordeloos te zuchten naar God. Dat kunnen we zelfs op een drukke dag of in een overvolle ruimte doen, ja zelfs onder de moeilijkste omstandigheden. Dat kan ons dan momenten van eenzaamheid geven, die niemand van ons kan afpakken. Op deze momenten van eenzaamheid gebeurt er iets met ons. Het centrum van ons zijn, ons meest innerlijke zelf, dat de grond vormt van ons alleen-zijn, wordt opgeheven tot in het hart van God en daar in opgenomen. Daarin kunnen wij rusten zonder onszelf te verliezen. Nu kunnen we misschien de vraag beantwoorden, die u al lange tijd hebt willen stellen, namelijk: hoe kan er gemeenschap groeien uit eenzaamheid? We hebben gezien, dat we nooit en te nimmer het meest innerlijke centrum van een ander wezen kunnen bereiken. Maar toch kan het wel, maar dan alleen in een beweging die eerst opstijgt naar God en dan van Hem uit terugkeert naar het zelf van de ander. Zo wordt het menselijke alleen-zijn niet opgeheven, maar opgenomen in de gemeenschap van/met dat waarin de centra van alle
levende wezens rusten en zo kan gemeenschap ontstaan met die allen. Zelfs de liefde wordt herboren in de eenzaamheid. Want alleen in de eenzaamheid zijn zij, die alleen zijn, in staat om diegenen te bereiken, van wie men was gescheiden. Alleen de aanwezigheid van het eeuwige kan de muren doorbreken, die het tijdelijke van het eeuwige scheiden. Eén uur van alleen-zijn kan ons dichter brengen bij hen, die wij liefhebben dan vele uren van samen praten en samen-zijn. Zo nemen we hen mee naar de heuvels van de eeuwigheid. Misschien vragen we ons nog af: wat is nu precies de kern van eenzaamheid? Dan moeten we eigenlijk antwoorden: de aanwezigheid van de Eeuwige (het eeuwige) op de drukke wegen van het tijdelijke. Dat is precies de ervaring van het alleen-zijn, maar toch niet eenzaam zijn, ten overstaan van de eeuwige aanwezigheid die afstraalt van het gelaat van Christus. En die omvat alles en iedereen van wie zij gescheiden zijn. In de armoede van de eenzaamheid zijn alle rijkdommen aanwezig. Laten we het aandurven om eenzaam te zijn – om oog in oog te komen met het eeuwige, de anderen te vinden en onszelf te zien, zoals wij werkelijk zijn.

Lees meer uit: Het Eeuwige Nu

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.