Als de fundamenten gaan wankelen

 

HOOFDSTUK 18: Wachten

Ik wacht op de HEER, mijn ziel wacht en ik hoop op zijn Woord. Mijn ziel wacht op de HEER, meer dan men wacht op de morgen, ja, ik zeg: meer dan zij wachten op de morgen. Laat Israël hopen op de HEER, want bij de HEER is ontferming en bij Hem overvloedige vergeving.

Psalm 130:5-7.

In deze hoop zijn wij gered, maar hoop die men kan zien is geen hoop; immers, waarom zou men hopen op iets wat men ziet? Maar als wij hopen op iets, wat wij niet zien, dan wachten wij er met geduld op.

Romeinen 8: 24-25

Zowel het Oude als het Nieuwe Testament beschrijven ons bestaan in verhouding tot God als een wachten. Bij de psalmdichter zien we een ansgtig wachten, bij de apostel een geduldig wachten. Wachten betekent niet hebben en tegelijkertijd hebben . We hebben immers niet waar we op wachten, of, zoals de apostel zegt: als we hopen op iets wat we niet zien, dan wachten we er op. De relatie tussen de mens en God is allereerst te typeren als een niet hebben, een niet zien, een niet weten en een niet bevatten. Een godsdienst die dit vergeten is, hoe extatisch, actief of redelijk deze ook mag zijn, vervangt God door een door haarzelf gemaakt beeld van God. Ons godsdienstige leven wordt hierdoor meer gekenmerkt dan men doorgaans zich bewust is. Ik denk dan aan de theoloog, die God niet verwacht, omdat hij Hem reeds bezit, opgesloten in zijn leer. Ik denk aan iemand, die de Bijbel bestudeert en daarbij niet op God wacht, omdat hij Hem bezit in het boek. Ik denk ook aan de kerkganger, die God niet verwacht, omdat hij Hem bezit, opgesloten in zijn kerk. Ik denk aan de gelovige, die niet op God wacht, omdat hij Hem bezit, ‘gevangen’ in zijn eigen ervaring.

Het is niet gemakkelijk om dit niet-hebben van God, dit wachten op Hem vol te houden. Het is niet gemakkelijk zondag aan zondag te (moeten) preken, terwijl wij onszelf en anderen ervan moeten overtuigen dat we God niet hebben en niet over Hem kunnen beschikken. Het is niet gemakkelijk om aan kinderen en heidenen, aan sceptici en seculieren God te verkondigen en hun tegelijkertijd duidelijk te maken, dat wijzelf God evenmin bezitten, dat ook wij op Hem wachten. Ik ben ervan overtuigd, dat een groot deel van de weerstand tegen het christendom te wijten is aan de openlijke of verborgen claim van christenen, dat zij God bezitten. Daardoor is het element van wachten verloren gegaan, dat zo beslissend is bij de profeten en de apostelen. We moeten ons er niet toe laten verleiden te denken, dat zij, omdat zij over wachten spraken, louter wachtten op het einde, het oordeel en de voltooiing van alles en dat zij (dus) niet op Godzelf wachtten, die dat einde tot stand zou brengen. Nee, zij bezaten God niet; zij wachtten op Hem!

Laten we wèl wezen: hoe zou men God als bezit kunnen hebben? Is God dan een ding, dat men kan beetpakken, iets dat men kent, zoals andere dingen? Is God dan minder dan een menselijk persoon? Op een mens moet men nog altijd wachten, nietwaar? Bij de meest intieme omgang tussen mensen is er nog altijd een element van niet hebben en van niet kennen en van wachten. Aangezien God oneindig verborgen, vrij en niet na te rekenen is, moeten wij op Hem wachten in de meest absolute en radicale zin van het woord. Hij is ons tot een God juist voorzover wij Hem niet kunnen bezitten. De psalmdichter zegt, dat zijn hele wezen op de HEER wacht en daarmee geeft hij aan, dat wachten op God niet zomaar een aspect is van onze verhouding tot God, maar dat dit eigenlijk onze relatie als zodanig uitmaakt. We hebben God, hoewel we Hem niet hebben.

Maar hoewel wachten een niet hebben inhoudt, toch is het ook een hebben. Uit het feit, dat we op iets wachten blijkt al, dat we het in een bepaald opzicht al hebben. Het wachten grijpt

vooruit op wat nog geen werkelijkheid is. Als we in hoop en met geduld wachten dan is dat waar we op wachten al als een effectieve kracht in ons werkzaam. Uiteindelijk is hij die wacht niet ver verwijderd van waar hij op wacht. Hij die in opperste ernst wacht wordt of is in feite al gegrepen door dat waarop hij wacht. Hij die vol overgaveaan het wachten is, is a.h.w. zelf al een actieve kracht geworden, waardoor zijn persoonlijk leven en zijn bestaan in de geschiedenis veranderd wordt. In feite zijn we zelfs sterker wanneer we wachten dan wanneer we bezitten. Als we God zouden bezitten dan zouden we Hem tot iets kleins gereduceerd hebben, iets wat we kunnen bevatten en we zouden een afgod van Hem gemaakt hebben. Alleen lege aanbidding gelooft dat men God kan bezitten. Dit soort afgodendienst bestaat volop onder christenen.

Maar als we dat weten kennen we niet Hem(zelf), maar als we op Hem wachten om Zichzelf aan ons bekend te maken, dan weten we werkelijk iets van Hem, dan zijn we door Hem gegrepen, door Hem gekend en heeft Hij van ons bezit genomen. Juist dan zijn wij gelovigen in ons ongeloof en juist dan zijn wij aanvaard door Hem, hoewel wij van Hem gescheiden zijn.

Laten we echter niet vergeten dat wachten iets buitengewoon spannends is. Het sluit iedere vorm van zelfgenoegzaamheid uit, ook die van het niet hebben, alsook iedere onverschilligheid of cynische minachting t.a.v. hen die iets bezitten en zich beroemen op hun twijfel en wanhoop. Laten we er toch vooral niet trots op zijn, dat we niets bezitten, en zo dat opnieuw tot een bezit gaan maken. Dat is één van de grootste verzoekingen in onze tijd, dat we het weinige dat nog over is als bezit gaan claimen. En we vallen in dezelfde verzoeking, als we - in ons streven om God te bezitten -, gaan pochen, dat we Hem niet bezitten. Het antwoord van God op dergelijke pogingen is dat we terechtkomen in een volslagen leegte. Wachten is op zichzelf geen wanhoop. Het gaat erom dat men accepteert niet te hebben krachtens datgene, wat we reeds hebben.

Onze tijd is een wachtenstijd. Wachten hoort bij haar bijzondere bestemming. En iedere tijd is een tijd van wachten, wachten op een doorbraak van (de) eeuwigheid. Zo spoedt de tijd voorwaarts, zodat alle tijd, zowel van de geschiedenis als van ons persoonlijk leven, en zij is ‘in verwachting’. De tijd zelf is in feite een wachten, niet zozeer een wachten op een andere tijd, maar een wachten op wat eeuwig is.

 

Lees meer uit: Als de fundamenten gaan wankelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.