Het Eeuwige Nu

 

HOOFDSTUK 8: De NAAM van God

 

 

Gij zult de Naam van de HEER uw God niet zomaar gebruiken, want de HEER zal niet onschuldig houden, die zijn Naam zomaar gebruikt.
Exodus 20:7

In: “The Eternal Now”

 
Er moet wel iets buitengewoons met de naam aan de hand zijn, als het tweede gebod deze probeert te beschermen, zoals de andere geboden het leven, de eer en het bezit in bescherming nemen. Uiteraard hoeft God zichzelf niet te beschermen, maar dat doet Hij wel met zijn Naam en wel zo serieus, dat Hij als enige aan dit gebod een bijzondere bedreiging toevoegt. En dat gebeurt, omdat in de naam datgene/diegene aanwezig is, die de naam draagt. In vervlogen tijden geloofde men, dat men het wezen van iemand in bezit had, als men iemand naam, die verborgen was, kende. Men geloofde dat de Redder-God de demonen kon overwinnen door het geheim van hun macht, die in hun namen besloten zat, te onthullen, zoals wij vandaag de dag de verborgen namen van de krachten proberen te achterhalen, die de diepte van ons onderbewustzijn overhoop halen en die ons geestelijk ziek maken. Als we inderdaad inzicht krijgen in wat daar diep van binnen gaande is, kunnen we de kracht ervan breken. Zo heeft men ook altijd geprobeerd de naam van God te gebruiken, niet om de kracht ervan te breken, maar om die ten eigen bate te gebruiken.

Als we bijvoorbeeld Gods Naam aanroepen in onze gebeden, dan kan dat betekenen, dat we proberen van God een middel te maken voor onze eigen doeleinden. Een naam is nooit een lege klank; zij is de drager van een kracht; zij stelt het onzichtbare a.h.w. geestelijke present. Daarom kan men de Naam van God tevergeefs/ijdel gebruiken en daardoor kan men zelfs zichzelf vernietigen. Immers, het aanroepen van het heilige laat ons nooit oneberoerd. Als het ons niet heelt, dan kan het ons verlammen. Daarom is het gebruik van de Naam van God zo’n ernstige zaak. Dit is het gevaar van iedere religie, maar evengoed van de anti-religie, want in beide gevallen wordt de Naam van God gebruikt en/of misbruikt. Laten we eens bezien, waarom het gebruik van het woord ‘God’ gevaarlijk is, wanneer deze wordt ontkend of bevestigd en waarom we ons zo in verlegenheid voelen, wanneer we ‘God’ zeggen. We kunnen hierbij drie vormen van verlegenheid onderscheiden: die van tact, van twijfel en van ontzag.

 

I
Niet zo lang geleden moet een vooraanstaand persoon op intellectueel gebied gezegd hebben: “Ik zie uit naar de dag, waarop iedereen weer zonder schroom over God kan spreken”. Ik meen oprecht dat deze woorden aandachtig overwogen moeten worden, vooral als we in ogenschouw nemen, dat gedurende de laatste vijftien jaar er juist een enorme toename te bespeuren is in de bereidheid om de naam van God te gebruiken – ontegenzeggelijk een verbazingwekkende opleving, zo niet van de godsdienst zelf, dan toch wel van het godsdienstig besef. Hopen wij er werkelijk op, dat hierdoor een toestand ontstaat, waarin de naam van God zonder enige schroom zal worden gebruikt, zonder dat rekening wordt gehouden met de beperking, die gelegen is in het feit dat in de Naam van God er meer aanwezig is dan de naam? In geen geval! Want de Aanwezigheid van het goddelijke in de Naam vereist een bescheiden en bevend hart.
Van tijd tot tijd bevindt iedereen zich in een situatie, waarin hij moet beslissen of hij de naam van God zal gebruiken of niet, of hij met persoonlijke betrokkenheid zal spreken over religieuze zaken, hetzij ervoor of ertegen. Het nemen van zo’n beslissing is vaak moeilijk. We voelen soms wel aan, dat we ons temidden van bepaalde groepen mensen beter stil kunnen houden, omdat het tactloos zou zijn om de naam van God ter sprake te brengen of zelfs maar over  godsdienst te spreken. Maar onze houding is tegelijkertijd ambivalent. We denken misschien tactisch te zijn geweest, terwijl we in werkelijkheid laf waren. En een andere keer beschuldigen we onszelf van lafheid, terwijl het werkelijk van tact getuigde, dat we onze mond hielden. Dit overkomt niet alleen degenen, die zich willen uitspreken voor God, maar evengoed degenen, die zich tegen Hem willen uitspreken. Of we nu voor of tegen Hem spreken, zijn Naam op onze lippen maakt ons verlegen, omdat we wel aanvoelen dat er meer aan de hand is dan een omgangsvorm. Daarom houden wij ons vaak stil en we weten niet of we daar goed aan doen of niet. De situatie zelf is ambivalent.
Misschien kunnen we ons alleen voelen staan of denken we, dat we ons belachelijk maken door zelfs maar de naam van God te noemen, in positieve of negatieve zin. Maar er kan ook iemand anders aanwezig zijn, voor wie het noemen van de naam van God een eerste ervaring van de Aanwezigheid van de Geest zou kunnen oproepen, zodat het een beslissend moment in zijn leven kan worden/is. Maar ook is het mogelijk, dat er iemand is voor wie een tactloze verwijzing naar God een definitief gevoel van afkeer van religie kan teweeg brengen. Hij kan zelfs vanaf dat moment gaan denken, dat religie als zodanig een misbruik is van de naam van God. Niemand kan in het hart van anderen kijken, zelfs niet wanneer men intensief en vertrouwelijk met hem/haar spreekt. Wij moeten het durven riskeren om nu moedig te spreken en om nu ons tactisch stil te houden. Maar in geen geval moeten we toegeven aan de neiging om God rechtstreeks te bevestigen of te ontkennen, want dan wordt de tact gemist, die voortkomt uit ontzag. De verheven schroom aangaande zijn werkelijke presentie in en door zijn Naam zou ons nooit moeten verlaten.
Velen van ons hebben wel iets van pijn en schroom gevoeld, als zij hun kinderen moesten leren over de naam van God, terwijl anderen wellicht datzelfde voelden, als zij hun kinderen probeerden te beschermen tegen de naam van God, die zij als een uiting beschouwden van een gevaarlijk bijgeloof. Het schijnt heel gewoon te zijn om zonder enige schroom kinderen iets te leren over dingen in de natuur en over geschiedenis, terwijl er ook ouders zijn, die het heel gewoon vinden om hen iets bij te brengen over dingen, die met God te maken hebben. Maar toch geloof ik, dat de meesten van ons als ouders in dit soort situaties iets van opperste verlegenheid ervaren. Net als Jezus weten ook wij, dat kinderen meer open staan voor de aanwezigheid van God dan volwassenen. Echter, het zou zo maar kunnen, dat indien wij de naam van God al te gemakkelijk gebruiken, wij die openheid toesluiten en onze kinderen ongevoelig maken voor het diepe geheimenis, dat aanwezig is in de Naam van God.
Maar als wij het bij hen proberen weg te houden, of wij het nu stevig bevestigen of ontkennen, dan kan leegte hun hart in beslag gaan nemen en later zouden zij ons ervan kunnen beschuldigen, dat wij hen afgehouden hebben van het meest belangrijke in het leven. Wat nodig is is een door de Geest geïnspireerde tact om de juiste weg te vinden tussen deze gevaren. Er bestaat geen technische oplossing of psychologische kennis, die in de plaats zouden kunnen komen van het in opperste verlegenheid gebrachte hart van ouders of onderwijzers, m.n. van godsdienstleraren.
Er bestaat een bepaalde vorm van misbruik van Gods Naam, die m.n. hen die een gevoelig oor daarvoor hebben, stoort, vooral omdat zij, die zonder enige gevoeligheid de Naam misbruiken, er zelf geen last van hebben. Ik heb het nu vooral over het gebruik van de Naam van God in het openbaar, dat eigenlijk weinig met God zelf te maken heeft, maar meer met menselijke doeleinden – goede of verkeerde. Degenen onder ons, die gegrepen zijn door het geheim, dat aanwezig is in de naam van God, zijn vaak onaangenaam getroffen, wanneer Zijn naam wordt gebruikt in politieke en regerings-speeches, in openingsgebeden voor conferenties en diners, in seculiere en religieuze advertenties en in internationale oorlogspropaganda. Vaak wordt het veelvuldig gebruik van de naam van God geprezen, want dat zou er op wijzen, dat we een religieuze natie zijn. En men laat zich er op voorstaan als men zichzelf vergelijkt met andere landen. Moeten we dit afkeuren? Het is moeilijk om dat niet te doen, maar anderzijds is het ook niet gemakkelijk. Als de naam van God in het openbaar met volle overtuiging gebruikt wordt en dus met schroom en geestelijke tact, dan kan dat gebeuren zonder er aanstoot aan te nemen, maar dit is eigenlijk nooit het geval. Doorgaans wordt de Naam ‘ijdel’ gebruikt, wanneer deze ingezet wordt voor doeleinden, die niets van doen hebben met de eer van Zijn Naam.

 

II
Er is nog een andere, meer basale oorzaak om de hoogste vorm van schroom ten aanzien van het gebruiken van de naam van God in acht te nemen en dat is de twijfel aangaande God zelf. Zo’n twijfel is algemeen menselijk en God zou geen God zijn als wij Hem zouden kunnen bezitten zoals een willekeurig voorwerp uit de ons bekende wereld en als we zijn bestaan konden verifiëren, zoals we andere zaken aan een onderzoek kunnen onderwerpen. Als alle twijfel overwonnen zou zijn, zou er geen geloof (kunnen) zijn. Geloof moet altijd  iets overwinnen; het moet over het gewone proces, dat bewijzen levert, heenspringen, omdat zijn voorwerp ver verheven is boven het terrein, waarop wetenschappelijke verificatie mogelijk is. Geloof is de moed, die de twijfel overwint, niet door deze te verwijderen, maar door deze als een element in zich op te nemen. Ik ben ervan overtuigd, dat het element van twijfel, dat in het geloof is overwonnen, nooit helemaal ontbreekt, ook al erkent men oprecht het zijn van God. Die twijfel zit niet altijd aan de oppervlakte, maar gaapt wel altijd in de diepte van ons zijn.
Sommige mensen kennen we misschien wel zo goed, dat wij denken dat zij een oorspronkelijk en ongeschokt geloof hebben, maar vaak is het niet moeilijk een ondertoon van twijfel daarin te ontdekken, dat vooral op moeilijke momenten opduikt  en aan de oppervlakte komt. Religieuze leiders vertellen ons vaak op een direkte of indrekte wijze over de strijd in hun denken tussen geloof en ongeloof. Onder het ongeschokte geloof van fanatici in het bestaan van God horen we vaak het schelle geluid van hun onderdrukte twijfel. De twijfel wordt wel onderdrukt, maar beslist niet verdreven.
Aan de andere kant is het ook zo, dat we in de cynische ontkenningen van God dikwijls een vlucht voor de betekenis van het leven horen, we horen de stem van een zorgvuldig weggestopte wanhoop, een wanhoop, die geen zekerheid uitstraalt, maar eerder twijfel aangaande hun stellige ontkenning. En als we mensen ontmoeten, die menen dat er wetenschappelijke redenen zijn om God te ontkennen, dan komen we er al snel achter, dat zij zeker van hun ontkenning zijn zolang zij – terecht – strijd leveren tegen bijgelovige ideeën over God. Als men echter de vraag omtrent God stelt in de zin wie God werkelijk is – namelijk de vraag naar de betekenis van het leven als geheel en van hun eigen leven, inclusief hun wetenschappelijk werk, dan begint hun zelfverzekerdheid te wankelen, want noch hij die God’s bestaan bevestigt noch wie God ontkent kan uiteindelijk zeker zijn omtrent zijn erkenning of ontkenning.
Onze menselijke situatie wordt eerder gekenmerkt door twijfel aangaande God, hetzij wij Hem erkennen of ontkennen, dan door zekerheid. En misschien is het verschil tussen die beide houdingen niet eens zo groot als wij vaak denken. Zij zijn waarschijnlijk erg verwant, omdat geloof en twijfel altijd vermengd zijn. Daarom moet de ontkenning van God, als men die serieus meent, ons niet van ons stuk brengen. Wat iedereen, die het leven serieus neemt, zou moeten verontrusten is het voorkomen van onverschilligheid. Want wie onverschillig is, wanneer hij de naam van God hoort en tegelijkertijd aanvoelt, dat de betekenis van zijn leven in het geding is, die ontkent in feite zijn ware menselijkheid.
Het is de twijfel in de diepte van het geloof die dikwijls de opperste schroom tevoorschijn brengt. Die schroom kan een uitdrukking zijn van bewuste of van onbewuste eerlijkheid. Hebben we nooit gevoeld, hoe iets in ons ons wil laten stoppen, al is het maar voor een ogenblik, wanneer we “God” willen zeggen? Dit moment van aarzeling kan een diep gevoel van God uitdrukken. Het zegt iets over de kracht van de naam van God en het zegt iets over hem, die aarzelt die naam te gebruiken. Soms aarzelen wij zelfs om ‘woordeloos’ het woord “God” te gebruiken, als we alleen zijn; we aarzelen misschien wel om tot God te spreken zelfs als we alleen zijn en het zonder woorden willen doen, zoals in een gebed. Het kan zijn, dat de twijfel ons verhindert om te bidden. En daarenboven kunnen we vaak aanvoelen, dat de afgrond tussen God en ons ervoor zorgt, dat het onmogelijk voor ons is zijn naam te gebruiken; we durven zelfs niet tot Hem te spreken, omdat we aanvoelen, dat Hij aan de andere zijde van de afgrond staat dan wij. Niettemin kan dit een diepe bevestiging van Hem zijn! De stille schroom om de naam van God te gebruiken kan ons ertegen beschermen om het goddelijk geheim te schenden.

 

III
We hebben gelet op het niet noemen van de Naam van God in verband met tact, maar even goed vanuit een bepaalde eerlijkheid. Maar achter deze beide houdingen ligt iets diepers, namelijk het zwijgen uit ontzag, die het spreken over God zelfs helemaal schijnt te verhinderen. Maar is dit inderdaad het laatste woord dat het goddelijk geheimenis van ons eist? Moeten we stilzwijgen in acht nemen over iets dat ons meer aangaat dan wat ook – de betekenis van ons bestaan? Het antwoord is: Nee! Want God zelf heeft de mensheid namen voor Hem gegeven op die momenten, wanneer Hij (a.h.w.) ingebroken heeft in onze eindigheid en zichzelf bekend maakte. We kunnen en moeten die namen ook gebruiken. Immers, stilzwijgen is alleen veelzeggend, als het het tegendeel van spreken is en het op die manier zelf een soort spreken wordt.  Als wij samenkomen in de Naam van God betekent dat noodzakerlijkerwijs, dat we daartoe enerzijds gerechtigd zijn, maar anderzijds ook op geoordeeld worden. We zijn een vergadering van mensen, waarin we spreken over God; wij zijn een kerk.
De kerk is de plaats, waar het geheim van het heilige zou moeten worden ervaren met ontzag en gewijde ootmoed. Maar is dat inderdaad onze ervaring? Zijn onze gebeden, zowel de gemeenschappelijke als de persoonlijke, gebruik of misbruik van de naam van God? Voelen we de opperste schroom, die zoveel mensen buiten de kerken voelen, zelf wel? Zijn we, als voorgangers, gegrepen door ontzag, als we verwijzen naar de presentie van God in de sacramenten? Of als we als theologen uitleggers van het heilige zijn, zijn we er dan zeker van, dat wij Hem werkelijk kunnen uitleggen aan anderen? Is er genoeg heilige schroom in ons aanwezig, wanneer vloeiend Bijbelcitaten of snel pasklare gebedswoorden uit onze mond rollen? Bewaren we wel respectvol afstand tot het Heilige zelf, als we claimen de waarheid over Hem in pacht te hebben of ervan uitgaan, dat we bijeen op de plaats van zijn Aanwezigheid of dat wij de uitvoerders van Zijn macht zijn – de bezitters van Christus?! Hoeveel schroom, hoeveel ontzag is er werkelijk tijdens de zondagse diensten over de gehele wereld?
Laat mij nu de kerk en al haar leden, inclusief u en mijzelf, een boude vraag stellen. Zou het kunnen zijn dat om het misbruik van zijn Naam binnen de kerk te oordelen, dat God zichzelf van tijd tot tijd openbaart door een stilte omtrent Zichzelf tot stand te brengen. Zou het kunnen, dat Hij soms het gebruik van zijn Naam voorkomt om zijn Naam te beschermen, dat Hij bij een generatie weghoudt wat natuurlijk was voor de voorgaande generaties – het gebruik van het woord ‘God’. Zou het kunnen, dat God-loosheid niet alleen wordt veroorzaakt door het menselijke verzet, maar ook door het paradoxale handelen van God zelf – door de mensen en de krachten, die hen aandrijven te gebruiken om een oordeel uit te spreken over de vergaderingen, die in zijn Naam bijeenkomen en zijn Naam ‘ijdel’ gebruiken? Is het verzwijgen van God in het publieke domein, dat we dagelijks ervaren misschien een manier van Godswege om zijn kerk te dwingen terug te keren tot een geheiligde schroom, wanneer zij over Hem spreekt? Het is misschien stoutmoedig om zulke vragen te stellen. Wij kunnen deze vragen zeker niet beantwoorden, omdat wij geen kennis hebben van het karakter van Gods voorzienigheid. Maar ook al weten wij geen antwoorden, de vraag zelf zou allen in de kerk, die al te gemakzuchtig met de Naam van God omgaan, moeten waarschuwen.
Laat ik mogen eindigen met een paar woorden, die zowel persoonlijk alsook meer dan persoonlijk zijn. Toen ik over deze preek nadacht probeerde ik er een te maken niet alleen over de Naam van God, maar ook over God zelf. Maar zo’n poging valt onder het oordeel van juist dit gebod, dat ik trachtte te interpreteren, want dat was precies een geraffineerde manier om de Naam van God ‘ijdel’ te gebruiken. We kunnen alleen maar over de namen, waarmee Hij zichzelf aan ons bekend gemaakt heeft, spreken. Want Hijzelf “leeft in een ontoegankelijk licht, dat geen mens ooit gezien heeft of kan zien”.

 

Lees meer uit: Het Eeuwige Nu

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.