Het Eeuwige Nu

 

HOOFDSTUK 11: Het eeuwige Nu (Eeuwig Ogenblik)

 
Een werkvertaling -

Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde.

Openbaring 21: 6

Het is ons aller lot - en eigenlijk van alles in deze wereld ␣ dat we ten einde zullen gaan. (NB: Hier is wellicht meteen merkbaar, dat Tillich een collega is geweest van Martin Heidegger in Marburg in de jaren 30, die beroemd is geworden met zijn pregnante uitspraak dat het menselijk bestaan een "Sein zum Tode" is.) Iedere ervaring van het 'einde', zowel in de natuur als in het leven van mensen, roept ons met luide stem toe: ook jij zult eens aan een (je) einde komen! Het kan tot ons doordringen als wij de plaats, waar we lange tijd gewoond hebben, moeten verlaten of wanneer we het gezelschap van goede vrienden moeten missen of wanneer iemand die ons na staat komt te overlijden. Of het wordt ons duidelijk wanneer het werk, dat zoveel betekenis voor ons had, mislukt lijkt te zijn of wanneer een hele periode van ons leven ten einde komt of bij het naderen van de oude dag of wanneer melancholie ons bekruipt als we de herfst in ogenschouw nemen. Kortom, al deze en dergelijke ervaringen vertellen ons: ook jij zult eens aan je einde komen.
Wanneer deze stem, die ons herinnert aan ons einde, ons telkens weer doet beven, vragen we ons bezorgd af: wat betekent het dat we een begin en een einde hebben, dat we komen uit de duisternis van het "nog niet" en dan voortsnellen in de richting van de duisternis van het "nog niet"? Toen Augustinus zich dit afvroeg, begon hij zijn poging tot een antwoord met gebed. En dat is juist, want bidden betekent dat men zich verheft tot het eeuwige. Eigenlijk is er inderdaad geen andere manier om de tijd te beoordelen dan haar te zien in het licht van het eeuwige (of: van de eeuwigheid). Om iets te beoordelen moet men er ten dele in zijn, maar ook ten dele buiten. Als we helemaal binnen in de tijd zouden zijn dan zouden we niet in staat zijn om onszelf te verheffen in gebed, meditatie en gedachten in de richting van het eeuwige. We zouden kinderen van de tijd zijn evenals alle schepselen en we zouden de vraag naar de betekenis van de tijd niet eens kunnen stellen. Maar omdat we mensen zijn, zijn wij ons bewust van het eeuwige, waartoe wij behoren én waarvan we vervreemd zijn door ons gebonden-zijn aan de tijd.

I

We spreken over de tijd in drie gestalten of modi ␣ het verleden, het heden en de toekomst. Ieder kind heeft weet van deze drie modi van tijd, maar niemand heeft dit mysterie ooit doorgrond, hoe wijs men ook is. We worden ons ervan bewust, wanneer we een stem horen, die ons zegt: ook jij zult ten einde gaan. Dus het is de toekomst, die bij ons het mysterie van de tijd wakker roept. De tijd loopt weliswaar van begin tot het einde, maar ons besef van tijd verloopt precies andersom. Dat begint bij het vooruitzicht op en nadenken over ons einde. In het licht van de toekomst zien wij het verleden en het heden. Laten we eerst een stilstaan bij ons gaan in de richting van de toekomst en van ons einde, dat het laatste punt is dat wij ons ten aanzien van de toekomst kunnen voorstellen.
Het beeld van de toekomst kan verschillende, tegengestelde gevoelens bij ons opwekken. Als we ergens naar uitzien in de toekomst geeft ons dat een gevoel van vreugde. Zo is het prachtig een toekomst te hebben, waarin men zijn mogelijkheden kan realizeren, waarin men de overvloedige rijkdom van het leven kan ervaren, waarin men iets nieuws tot stand kan brengen. Dat kan een nieuw werk zijn, een nieuw levend wezen, een nieuwe manier van leven of het opnieuw 'uitvinden' van zichzelf. Maar dit gevoel komt in botsing met die andere vooruitzichten: de angst voor wat er verborgen ligt in de toekomst, de dubbelzinnigheid van wat zij ons zal brengen, de kortheid van duur, die met ieder levensjaar afneemt en korter wordt naarmate we dichter bij het onvermijdellijke eind komen. En dan tenslotte het einde zelf met haar ondoordringbare duisternis en de dreiging dat iemand's hele bestaan in de tijd zal ge- en beoordeeld worden als een falikante mislukking.
Hoe reageert men, ja hoe reageer jij, op dit beeld van de toekomst, die hoopvol kan zijn maar ook bedreigend en in elk geval uitloopt op ons einde? Waarschijnlijk reageren de meesten van ons er op door vooral naar de meest nabije toekomst te kijken, door daar alvast op vooruit te lopen, eraan te werken, erop te hopen en ook wel door er bezorgd over te zijn, maar het besef van de wat verdere toekomst laten we buiten beschouwing en zeker het einde, dat laatste moment van onze toekomst, daar willen we liever helemaal niet aan denken. Misschien moeten we meestentijds zo wel denken, anders konden we niet normaal leven. Maar misschien zijn we niet in staat om te sterven, als we altijd zo zouden denken en doen. En als iemand niet in staat is om te sterven, kan hij dan wel echt leven?
Hoe reageren we als we ons bewust worden van ons onontkoombare aanstaande einde? Kunnen we dat aan, kunnen we de angst ervoor omzetten in moed, zodat we de ultieme duisternis in het aangezicht kunnen zien? Of gaan we hopeloos bij de pakken neerzitten? Gaan we hopen tegen beter weten in of gaan we ons besef van het einde onderdukken, omdat we er niet tegen kunnen? Dit onderdukken van het besef van onze eindigheid kan op verschillende manier boven water komen.
Veel mensen proberen dat door een lang leven te verwachten tussen nu en het einde. Voor hen is het beslissend, dat het einde zo lang mogelijk wordt uitgesteld. Zelfs oude mensen, die het einde naderen, doet dat, want zij kunnen het feit, dat het einde niet erg lang meer kan worden uitgesteld, niet verdragen .
Veel mensen zijn hier teleurgesteld over en hopen op een voortgang van dit leven na de dood. Zij verwachten een oneindige toekomst, waarin zij alles kunnen bereiken of bezitten, wat ze in dit leven niet hadden. Dit is de heersende mening over de toekomst, maar wel een erg simpele. Eigenlijk ontkent men dat er een einde is. Men weigert te aanvaarden, dat we schepselen zijn, die voortkomen uit de eeuwige grond van de tijd en terugkeren naar de eeuwige grond van de tijd en dat we een begrensde tijdsperiode hebben ontvangen en dat is onze tijd. Men vat de eeuwigheid op als een eindeloze toekomst.
Maar zo'n eindeloze toekomst keet dan geen finaal doel; er is alleen maar sprake van een zichzelf herhalen en zou daarom al seen beeld van de hel beschreven kunnen worden. Dit is niet de manier, waarop christenen met het einde omgaan. De christelijke boodschap verkondigt, dat het eeuwige leven boven het verleden en boven de toekomst staat: "Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde".
Het Evangelie weet ervan, dat de tijd naar zijn einde spoedt en dat ook wijzelf daarheen op weg zijn en dat die tijd onze tijd is. Velen ␣ maar niet de Bijbel - spreken losjes over een 'hiernamaals' of over een 'leven na de dood'. Zelfs in onze liturgie wordt de eeuwigheid vertaald als 'een wereld zonder einde'. Maar de wereld is naar haar aard iets dat aan een einde zal komen.  Als we er in waarheid, zonder dwaasheid en 'wishful thinking' over zouden spreken, dan moeten we zeggen dat het noch tijdeloosheid is noch eindeloze tijd. Het eeuwige is te beschouwen als het antwoord op het geheimenis van de tijd, waarover we alleen maar kunnen spreken in beelden ontleend aan de tijd. Maar als we vergeten dat het beelden zijn vervallen we algauw in absurditeiten en zelfbedrog. Er is geen tijd na de tijd, maar er is eeuwigheid boven de tijd (uit).

II

We zijn op weg naar iets dat er nog niet is en we komen ergens vandaan, dat er niet meer is. We zijn wat we zijn door datgene waar we vandaan komen. Zoals we een begin hebben, zo hebben we ook een einde. Er is een tijd geweest, die niet de onze was. We krijgen er over te horen van hen, die ouder zijn dan wijzelf; we kunnen erover lezen in geschiedenisboeken en we proberen ons de onvoorstelbare miljarden jaren voor de geest te halen, waarover noch wijzelf noch iemand anders iets kan vertellen. Het is moeilijk ons voor te stellen, dat we 'er niet meer zijn'. Maar het is evengoed moeilijk ons in te denken, dat we 'er nog niet waren'. Maar over het algemeen maken we ons niet zo druk over ons 'er nog niet niet', over de oneindige tijd voor onze geboorte, waarin wij er niet waren. We denken er liever aan dat we er nu zijn; dit is onze tijd en we willen er niets van verliezen. We zijn niet bezig met de vraag wat er voor ons begin was. Wel interesseert ons vaak het leven na de dood, maar zelden vragen we naar ons bestaan voor onze geboorte. Maar kun je het ene doen en het andere nalaten? Het vierde Evangelie denkt van niet!
Als dat spreekt over de eeuwigheid van (de) Christus wordt dat niet alleen gezegd over zijn terugkeer naar de eeuwigheid, maar betreft dat evenzeer zijn komen uit de eeuwigheid. "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, eer Abraham er was, ben Ik (er)". Hij komt vanuit een andere dimensie dan die waarin het verleden ligt. Degenen, tot wie Hij spreekt, begrijpen hem verkeerd, omdat zij denken aan het historische verleden. Zij geloven, dat Hij zichzelf honderden jaren oud(er) maakt en daarom nemen ze terecht aanstoot aan die absurditeit. Hij zegt toch ook niet "Ik was er voor Abraham, maar Hij zegt: "Ik ben (er) voordat Abraham er was." Hij spreekt hier over zijn begin vanuit de eeuwigheid. En dat is het begin van alles wat er is ␣ niet de ontelbaar miljarden jaren ␣ want dat is het eeuwige, de eeuwigheid als het ultieme punt in ons verleden.
Het geheimenis van het verleden waaruit we voortkomen is dat dat er is en dat is er niet op ieder moment in ons leven. Het is er voorzover wij zijn, wat het verleden van ons gemaakt heeft. In iedere cel van ons lichaam, in iedere trek van ons gelaat, in iedere zielsbeweging zit ons verleden in ons heden aanwezig.
In onze tijd weet men veel meer over de voortdurende doorwerking van het verleden in ons heden dan vroeger. We weten van de invloed van onze kindertijd op ons karakter. We weten van de littekens die in het verleden zijn opgelopen. We hebben opnieuw ontdekt wat de Griekse tragedieschrijvers en de Joodse profeten wisten, dat het verleden in ons aanwezig is, zowel als vloek en ook als zegen. Want het verleden betekent altijd zowel een vloek als een zegen, niet alleen voor de mens als individu, maar ook voor naties en zelfs voor continenten.
De geschiedenis leeft van het verleden, dat is haar erfenis. De glorie van de Europese naties wordt gevormd door hun lange, onuitputtelijk rijke traditie. Maar de zegeningen van deze traditie is vermengd met een vloek, die voortkwam uit opdelingen in het verleden en die leidden tot de vorming van verscheidene naties. Deze bloedige strijd heeft eeuwen gewoed en heeft Europa telkens weer gebracht tot aan de rand van de zelfvernietiging. Opzienbarend zijn de zegeningen die deze natie (de VS) heeft verworven in de loop van haar korte geschiedenis. Maar toch zijn ook hier elementen aan het werk, die een vloek hebben betekend en die dat ook de komende jaren zal blijven betekenen. Ik denk bijv. aan hoe men met de rassenverschillen omgaat, niet alleen binnen de natie zelf, maar ook invloed die dat heeft op de wijze waarop men met rassen en naties buiten de eigen grenzen omgaat, "The American way of lief" is een zegen, die uit het verleden is voortgekomen, maar het is ook een vloek, die de toekomst bedreigt!
Is er een manier om van dergelijke vloeken af te komen, die het leven van naties en continenten bedreigen ␣ en ook steeds meer dat van de mensheid in haar geheel? Kunnen wij elementen van ons verleden echt naar het verleden verbannen, zodat zij hun invloed op het heden verliezen? In het leven van een mens als individu is dat zeker mogelijk. Men heeft terecht opgemerkt, dat de kracht van iemands karakter bepaald wordt door de hoeveelheid dingen, die hij naar het verleden heeft verwezen. Ondanks het feit dat het verleden macht over iemand blijft uitoefenen, is de mens toch in staat zich ervan los te maken, het uit het heden weg te werken naar het verleden, waar het gedoemd is krachteloos te blijven ␣ al was het maar voor een tijd(je). Het kan wel weer terugkomen en proberen het heden opnieuw te veroveren en de persoon in kwestie te overmeesteren, maar dat hoeft niet noodzakelerwijs zo te zijn. Wij zijn geen onontkoombare slachtoffers van ons verleden. We kunnen ervoor zorgen, dat het verleden niets anders dan het verleden blijft. De daad waarmee wij dat doen wordt wel berouw genoemd. Echt berouw is niet een gevoel van spijt over wat men verkeerd gedaan heeft, maar het is een daad van de hele persoon, waarin hij/zij zich losmaakt van elementen van zijn bestaan en die vervolgens naar het verleden verwijst als iets dat langer geen invloed meer zal hebben op het heden.
Kan een natie dit ook doen? Kan een natie of een andere sociale groep echt berouw hebben? Kan deze zichzelf losmaken van de vloek van het verleden? Op die mogelijkheid rust de hoop van een natie. De geschiedenis van Israel en de kerkgeschiedenis laten zien, dat het mogelijk is, maar zij laten ook zien, dat het zelden gebeurt en uiterst pijnlijk is. Niemand weet of het met deze natie zal gebeuren. Maar we weten allemaal, dat haar toekomst afhangt van de wijze waarop zij omgaat met het verleden en of zij elementen, die een vloek zijn, kan terugverwijzen naar het verleden.
In ieder mensenleven vindt een strijd plaats met het verleden. Het is een strijd tussen zegen en vloek en vaak weten we niet eens precies wat nu een zegen is en wat een vloek. In het licht van de ontdekking van onze onderbewuste strevingen, zijn wij er tegenwoordig meer toe geneigd om eerder vloeken dan zegeningen in ons verleden waar te nemen. Het in ere houden van onze ouders, dat in het Oude Testament zo onlosmakelijk verbonden is met hun zegeningen, is tegenwoordig veel meer verbonden met de vloek, die zij onbewust en tegen hun zin over ons hebben gebracht. Velen, die lijden aan psychische aandoeningen, zien hun verleden ␣ en dan m.n. hun kindertijd ␣ voornamelijk als een bron waar een vloek uit opwelt. En we weten allemaal hoe vaak dit inderdaad het geval is.
Maar we moeten natuurlijk niet vergeten, dat we niet zouden kunnen leven en de toekomst tegemoet kunnen gaan, als er geen zegeningen waren, die ons ondersteunen en die uit dezelfde bron voortkomen als de vloek(en). Veel mannen en vrouwen voeren momenteel een pathetische strijd met hun verleden en dat gaat maar ononderbroken voort. Geen enkele medicatie kan dit conflict verhelpen, omdat geen enkel medicijn het verleden kan veranderen. Alleen een zegen, die het conflict tussen zegen en vloek teboven gaat, kan genezing aanbrengen. Het gaat hier om een zegen, die wat onveranderlijk scheen, namelijk het verleden, toch verandert!
Natuurlijk kan het de feiten niet veranderen: wat gebeurd is is gebeurd en dat blijft zo tot in alle eeuwigheid! Maar de betekenis van de feiten kunnen veranderen door het eeuwige en de  naam, die we aan die verandering geven is de ervaring van 'vergeving'. Als de betekenis van het verleden veranderd wordt door die vergeving, dan zal de invloed van dat verleden op de toekomst ook veranderen. Het vloek-karakter is er uit weggenomen. Het is zelfs een zegen geworden dankzij de omvormende kracht van de vergeving.
Het verleden is niet alleen gevuld met zegen en vloek: er zit ook veel leegte in. Wij herinneren ons ervaringen, die overduidelijk gevuld waren met een overvloedige inhoud, maar dat was toen. Maar als wij er nu aan terugdenken, dan is die overvloed weggevaagd en de extase erover is verdwenen en de volheid ervan is een leegte geworden. Pleziertjes, successen, ijdelheden worden hierdoor gekenmerkt. Zij voelen niet als een vloek, maar ook niet als een zegen. Zij zijn opgeslokt door het verleden en droegen niet(s) bij aan het eeuwige. Laten we onszelf eens afvragen, hoe weinig in ons leven aan dit oordeel kan ontsnappen.

III

Het geheim van de toekomst en dat van het verleden komen samen in het geheim van het heden.  Onze tijd, de tijd die we hebben, is de tijd waarin we 'tegenwoordigheid' hebben? Maar hoe kunnen we de 'presentie' hebben? Immers, het huidige moment is al verdwenen op het moment, dat we eraan denken! Is het heden niet de altijd bewegende grenslijn tussen het verleden en de toekomst? Maar een bewegende grens is niet echt de plaats om op te gaan staan. Als ons niets meer was gegeven dan het "niet meer" van het verleden en het "nog niet" van de toekomst, dan zouden we eigenlijk niets hebben. Dan konden we ook nooit spreken over de tijd als onze tijd: we zouden geen 'tegenwoordige' tijd hebben , geen aanwezigheid.
Het geheim is dat we een heden hebben; ja, we hebben zelfs ook onze toekomst, want we kunnen daarop anticiperen in 'het heden'. En we hebben ons verleden, omdat we ons dat herinneren in het heden. In het heden zijn onze toekomst en ons verleden van ons. Maar er is geen 'heden' als we aan de nooit eindigende tijdstroom denken. Het raadsel van het heden is het grootste raadsel van de tijd. Nogmaals, daar is geen antwoord op dan wanneer we gaan spreken over het eeuwige, dat alle tijd omvat en daar bovenuit gaat. Telkens wanneer we 'nu' of ' vandaag' zeggen, dan hebben we de tijdstroom stilgezet. We aanvaarden het heden en staan er niet bij stil dat het voorbij is op het moment, dat we het aannemen. We leven er in en het wordt voor ons vernieuwd tot telkens een nieuw heden.
En dat is mogelijk, omdat ieder tijdsmoment tot in het eeuwige reikt. Het is het eeuwige, sat de tijdstroom voor ons stilzet. Het eeuwige 'nu' dat ons voorziet van een tijdelijk 'nu'. We leven 'zolang het heden is', naar de woorden van de Hebreeenbreifschrijver. Niet iedereen en ook niemand is zich steeds ervan bewust van dit 'eeuwige nu' in het tijdelijke 'nu'. Maar soms breekt het krachtig in ons bewustzijn binnen en geeft het ons de zekerheid van het eeuwige, dat er een tijdsdimensie is die in onze tijd insnijdt en ons onze tijd geeft.
Mensen, die zich nooit bewust zijn van deze dimensie verliezen de mogelijkheid om rust te vinden in het heden. Zoals de brief aan/van de Hebreeen schrijft: zij betreden nooit de goddelijke rust. Zij worden vastgehouden door het verleden en kunnen zichzelf er niet van losmaken, of zijn vluchten de toekomst in, niet in staat om te rust te vinden in het heden. Zij zijn niet de eeuwige rust binnengegaan, die de tijdstroom stilzet en ons de zegen van het heden geeft. Misschien is dit wel de meest kenmerkende karakteristiek van onze tijd, m.n. in de westerse wereld en in het bijzonder in dit land, dat het (ons) aan moed ontbreekt om het 'heden' te aanvaarden, omdat men de dimensie van het eeuwige is kwijtgeraakt.
"Ik ben het begin en het einde". Dat wordt tegen ons gezegd, die ons leven leiden, gebonden aan tijd, die ons einde onder ogen moeten zien en die niet kunnen ontsnappen aan het verleden. Dit wordt gezegd tegen ons, die een heden nodig hebben om op te staan. Iedere tijdsmodus heeft zo zijn eigen geheimenis en ieder brengt ook zijn eigen angst met zich mee. Iedere modus brengt ons uiteindelijk tot een uiterste vraag en op die vraag is maar één antwoord te geven: het eeuwige! Er is maar één kracht die de alles-verterende macht van de tijd teboven gaat en dat is het eeuwige, de Eeuwige: Hij die was en die is en die komt, het begin en het einde. Hij vergeeft wat is gepasseerd en Hij geeft ons moed voor wat komen gaat. En Hij geeft ons rust in zijn eeuwige Aanwezigheid.

 

Lees meer uit: Het Eeuwige Nu

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.