Het Eeuwige Nu

 

HOOFDSTUK 4: Het goede dat ik wil, doe ik niet. (uit: The Eternal Now)

 

Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, doe ik. Indien ik dus doe wat ik niet wil, dan ben ík het niet langer die dat doe, maar de zónde die in mij woont.
Romeinen 7:19-20

 “Het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, doe ik (wel)”. Beschrijven deze woorden van Paulus op een juiste manier onze natuur? Is het onderscheid tussen het willen van het goede en het bereiken ervan inderdaad zo radicaal als ze hier aangegeven wordt? Of verzetten we ons tegen deze beschuldiging door er op te wijzen, dat we heus wel vaak het goede doen, dat we willen en het kwade vermijden, dat we niet willen? Overdrijft Paulus misschien het kwaad in de mens schromelijk om de glans van de genade des te beter tegen deze pikzwarte achtergrond te laten uitkomen? Dit zijn vragen die iedere criticus van het christendom stelt. Maar zijn het ook niet de vragen die wijzelf stellen, d.w.z. wij, die ons christenen noemen of tenminste die verlangen te zijn wat de boodschap van het christendom wil dat wij zijn?
Natuurlijk gelooft niemand van ons, dat hij altijd het kwade doet, dat hij eigenlijk niet wil doen. En we weten ook wel, dat we soms het goede dat we willen bereiken, bijv. wanneer we een daad van liefde betonen jegens iemand, die we niet mogen of wanneer we zelfdiscipline opbrengen t.a.v. ons werk of wanneer we een moedige daad van non-conformisme tot stand brengen in een situatie, die ons in gevaar kan brengen. Zonder dit soort handelingen zou onze morele balans er een stuk minder rooskleurig uitzien! En hebt u ooit echt een prediker gekend van de “totale verdorvenheid van de mens”- soort, die in zijn eigen gedrag liet zien, dat hij er wel degelijk op vertrouwde, dat de balans van zijn moraal positief uitviel? Zelfs Paulus zelf was zo iemand! Het lijkt er althans op, dat hij ons zoiets wil vertellen als hij gaat roemen op zijn lijden en prestaties, zoals bijv. in de zijn brief aan de Korinthiërs.
Weliswaar noemt hij zijn roemen dwaasheid. Ook wij houden steevast vol, dat ons roemen dwaasheid is, maar toch gaan we er altijd mee door! Zijn degenen die zo gemakkelijk geloven dat ze niets hebben om zich op te beroemen, misschien niet een beetje ziek, zwak en met te weinig eigenwaarde behept? Misschien zijn zij zelfs wel trots op hun diepe wanhoop, waarin men zichzelf ziet zwelgen. Nee, niemand kan leven zonder gevoel van eigenwaarde – al is het misschien soms maar weinig – zelfs hij/zij niet, die zijn/haar eigenwaarde baseert op wanhopen aan zichzelf.
Maar waarom leggen we Paulus’ woorden niet eenvoudigweg naast ons neer? Waarom reageren we positief op zijn bewering “het goede dat ik wil, doe ik niet”? Is het misschien omdat we wel aanvoelen, dat het niet gaat om een balans tussen goed en kwaad, maar dat het meer om ons hele wezen gaat, om onze situatie als mens, om ons staan voor het aangezicht van de Eeuwige, de Bron, het Doel en de Rechter van ons bestaan? Het is met ons mens-zijn gegeven, dat een Macht ons in haar greep houdt, die niet uit onszelf voortkomt, maar wel in ons is, een macht die wij vaak haten, maar tegelijkertijd ook opgelucht aanvaarden. Die macht fascineert ons; we spelen er mee en we geven er gehoor aan. Maar we weten ook, dat zij ons zal vernietigen, als we niet gegrepen worden door een andere macht, die die andere macht zal weerstaan en overwinnen. Wat ons kan vernietigen trekt ons (ook) aan en op sommige momenten voelen we zelfs een verborgen verlangen om erdoor vernietigd te worden. Zo zag Paulus zichzelf en ik denk dat velen van ons zichzelf vaak op dezelfde wijze zien!
Mensen die zichzelf (een) christen noemen – onze ouders, leraren en predikanten – vertellen ons allemaal, dat we “goed”  moeten zijn en de wil van God moeten gehoorzamen. Voor velen van hen verschilt de wil van God niet heel erg van wat de maatschappelijk onberispelijke mensen willen, wier conventies wij volgens hen inderdaad moeten aanvaarden. Als we dit soort goedheid écht zouden willen, zeggen zij dan, dan konden we ze heus wel bereiken en we zouden er in tijd en eeuwigheid voor beloond worden, maar vooral en allereerst ‘hier en nu’.
Men mag God wel bedanken, dat dit soort prediking steeds meer onder verdenking is komen te staan, want het komt in geen enkel opzicht overeen met de echte, menselijke realiteit. De ogen van vele serieuze mensen zijn er vandaag de dag voor geopend, dat men zich bewust is geworden van de menselijke verlegenheid. Iedere zin in Paulus’ boodschap is gericht tegen de zogenaamde “mensen van goede wil”. Dat zijn precies die mensen, die hij ziet als voortgedreven door een of andere macht om juist in strijd met hun goede wil te handelen. En zij, zeg ik, maar dat zijn wij natuurlijk zelf. Want wie van ons loopt niet over van goede wil? Maar misschien beginnen we te vermoeden, dat onze goede wil helemaal zo goed niet is en dat we in ons doen en laten vaak gedreven worden door krachten, waarvan we ons zelfs vaak niet eens bewust zijn. Dit licht gaat ons op, als we onszelf wat beter leren kennen.
Het is niet nodig de mensen te beschrijven, die a.h.w. de goede wil belichamen en eigenlijk altijd in tegenovergestelde richting aan het werk zijn, op een niveau dat onder hun goedheid schuilgaat. Psychologen e.a. hebben dit al uitvoerig gedaan, dus dat hoeft niet herhaald te worden. Ondanks wat critici hebben te zeggen over onze tijd, één van de verworvenheden is toch wel, dat we geleerd hebben, dat het voor iemand vrijwel onmogelijk is geworden om de motieven van zijn handelingen te blijven verbergen achter zichzelf en achter anderen. Wat we ook mogen vinden van de methoden, die soms gebruikt worden om om mensen tot dit inzicht te brengen, het inzicht zelf is oneindig waardevol!
Voor iemand die met toewijding zijn werk doet of succesvol zijn zaak runt of zijn beroep uitoefent is het ook altijd moeilijk om zich er zeker over te voelen, dat wat hij doet inderdaad goed is. Hij kan voor zichzelf niet verbergen, dat de toewijding aan zijn werk ook weleens een manier kan zijn om zich aan de gewone menselijke verplichtingen te onttrekken, ja, dat het vooral een manier is om aan zichzelf te ontsnappen.
Voor een moeder die  zielsveel van haar kinderen houdt is het moeilijk om er zeker van te zijn, dat het alleen maar liefde is dat haar drijft. Zij kan niet langer voor zichzelf verborgen houden, dat haar bezorgdheid over het welzijn van haar kinderen ook weleens een uitdrukking kan zijn van haar wil om hen te domineren of zelfs van een schuldgevoel over een diepverborgen, vijandige wens om van hen af te zijn.
En we moeten dus ook niet iedere daad van morele zelfbeheersing toejuichen, omdat we nu wel weten, dat de oorzaak ervan weleens lafheid kan zijn, want men wil een opstand tegen vastgeroeste, maar toch ook ‘im Frage’ gestelde gedragsregels voorkomen. Ook moeten we niet iedere daad van gedrufd non-conformisme de hemel inprijzen, omdat we nu wel weten dat de reden ervan weleens kan zijn iemands onvermogen om de onverantwoorde overredingskracht van de groep van non-conformisten te weerstaan.
In deze en talloos andere gevallen hebben we te maken met een macht, die in ons woont en die in staat is onze wil tegen onszelf te richten. De naam die deze macht heeft is “de zonde”. Het is een nogal aangelegen zaak om het woord “zonde” onder christenen te laten vallen – ook onder niet-christenen overigens – want iedereen  heeft er een enorme weerstand tegen. Het is een woord dat in diskrediet is geraakt. Voor sommigen onder ons klinkt het woord zelfs belachelijk in de oren en roept het gebruik van dit begrip eerder hoongelach op dan dat men een bereid zou zijn om er serieus over te praten. Anderen, die er wel serieus over willen nadenken, zien het meer als een aanval op hun menselijke waardigheid. En voor weer anderen, die er echt onder geleden hebben, betekent het weer de dreigende ontmoeting met de ‘tuchtmeester’, die hen verbiedt om te doen wat ze graag zouden willen en die van hen eist, wat ze eigenlijk verafschuwen.
Daarom zijn er leraren in de kerk – en ik behoor daar ook zelf toe – die ervan afzien om het woord ‘zonde’ te gebruiken. We weten immers hoeveel  wan-denkbeelden het woord alleen al  kan oproepen.  Maar het blijft zijn vreemde kwaliteit behouden, het komt ook altijd weer terug en we kunnen er niet van af komen. Het zit lelijk aan ons vastgeplakt. Daarom is het eerlijker – dat zeg ik ook tegen mijzelf – om ‘de zonde’ openlijk tegemoet te treden en te vragen, wat de zonde dan werkelijk is.
Het is zeker niet wat de mensen van goede wil zouden willen dat wij geloofden, namelijk dat de zonde de mislukking is om op de juiste wijze te handelen, het falen om het goede te doen, dat men had moeten en kunnen doen. Als dat “de zonde” was dan zou men net zo goed een minder agressieve en lelijke term kunnen gebruiken, bijv. de menselijke zwakheid. Maar dat is ‘zonde’ nou juist niet. Wie onder ons demonische machten in en rondom onszelf hebben ervaren vinden zo’n beschrijving belachelijk. Laten we ons wenden tot Paulus, en wellicht tot Dostojewski’s Iwan Karamazow of luisteren naar het gesprek tussen de duivel en de held in Thomas Mann’s Dr. Faustus. Van hen kunnen wij heel goed leren wat zonde is.
En misschien kunnen we het leren door te kijken naar het schilderij van Picasso over dat kleine Baskische dorp Guernica, dat verwoest werd op een onvoorstelbaar verschrikkelijke manier door de demonische krachten van het fascisme en het nazisme. En misschien kunnen we leren wat zonde is, als we luisteren naar de dissonante klanken in de muziek, die bij ons geen rustgevende emoties teweegbrengen, maar eerder het gevoel dat we verscheurd of gespleten worden. Misschien leren we de betekenis van de zonde kennen vanuit de uitbeeldingen van het kwaad en de schuld, die in onze theaters opgevoerd worden of door het uitstallen van wat uit het onderbewuste voortkomt, waar de moderne romans van overlopen. Het is wel de moeite waard om op te merken, dat we vandaag de dag ons licht buiten de kerken en hun gemiddelde prediking moeten opsteken om te weten te komen wat zonde betekent. Laten we het gaan vragen aan de kunstenaars en de schrijvers! Maar er is misschien nog een andere plaats, waar we kunnen leren wat de zonde is en dat is ons eigen hart…
 Paulus spreekt eigenlijk zelden over zonden (meervoud), maar wel vaak over ‘de Zonde’, zonde in het enkelvoud en met een hoofdletter geschreven; de zonde als een macht, die de wereld en de gedachten van mensen en naties beheerst.
Hebt u ooit in dit beeld over de zonde nagedacht? Het is toch precies het beeld van de zonde, dat de Bijbel ons voorhoudt. Maar hoeveel christenen en niet-christenen hebben het zo gezien? De meesten van ons herinneren zich nog wel, dat er thuis, op school en in de kerk geleerd werd, dat er veel dingen waren die je wel graag zou willen doen, maar dat je die niet moest doen. Deed je dat toch, dan had je een zonde begaan. We herinneren ons ook vast wel, dat ons verteld werd, dat er dingen waren die we moesten doen, hoewel we er een hekel aan hadden om ze te doen. En als we die dan niet deden, dan begingen we een zonde. We hadden lijsten met verboden en catalogi met geboden en als we die niet opvolgden, dan begingen wij zonden.
Natuurlijk begingen we iedere dag één of meer zonden, hoewel we oprecht en met de beste bedoelingen ons best deden om het aantal te verminderen. Dit was – en is misschien nog – ons beeld van de zonde: een armoedig, bekrompen en vertekend beeld en tevens de reden waarom dit woord in ongenade is gevallen.
De eerste stap die genomen moet worden om de boodschap van het Christendom, het evangelie, d.i. het goede nieuws genoemd, te begrijpen is om het beeld van de zonde als een zondencatalogus weg te doen. Degenen, die vastzitten aan dit beeld zijn precies ook degenen, die het het moeilijkst vinden om de boodschap van de ‘acceptatie van de onaanvaardbare’  te ontvangen als het goede nieuws van het christendom. Omdat men zichzelf ziet als half-zondig en half-rechtvaardig is men ongevoelig geworden voor een boodschap, die zegt, dat de totale zondigheid en de totale rechtvaardigheid in dezelfde persoon op hetzelfde moment aanwezig zijn. Zij hebben nooit de moed gehad een totaal oordeel tegen zichzelf uit te spreken en daarom hebben zij ook nooit de moed gevat om te geloven in een totale aanvaarding van zichzelf.
Diegenen echter, die in hun hart hebben ervaren dat zonde meer is dan het overtreden van een lijst van regels, weten dat alle zonden manifestaties zijn van ‘de zonde’, van die macht van vervreemding en van strijd in jezelf. De zonde woont in ons, beheerst ons en zorgt ervoor dat wij doen, wat we eigenlijk niet willen doen. Het zorgt voor een scheur in onszelf, die ervoor zorgt dat we onze identiteit verliezen. Paulus schrijft tot twee maal toe over deze ‘splijting’: “Als ik doe wat ik eigenlijk niet wil doen dan ben ik het niet langer zelf, die dat doe, maar de zonde die in mij woont”. Wie geleden hebben aan deze splitsing in zichzelf weten, hoe onverwacht zich dat kan voordoen en hoe bedreigend dat kan zijn.
Gedachten kwamen in ons op, woorden rolden uit onze mond, iets werd door ons teweeg gebracht, zo maar plotseling en zonder waarschuwing vooraf. En als we dan kijken naar wat gebeurd is, dan voelen we ons zo: “Dat kan ik niet geweest zijn, die zo handelde. Ik herken mijzelf er niet in. Er overkwam mij iets, iets dat ik nauwelijks opmerkte. Maar ineens was het er en hier sta ik dan. Ik was het wel, die het deed, maar een vreemde ik. Het is niet mijn echte, meest innerlijk ik-zelf. Het is alsof ik bezet(en) werd door een macht, die ik nauwelijks kende. Maar nu weet ik, dat ik er niet alleen door overvallen kan worden, maar dat die macht zelfs in mij woont”.
Weten we dit echt? Of verdringen we – na een moment van schrik – zulke kennis toch liever? Vertrouwen we toch maar op ons betrekkelijk goed geordende leven en proberen we situaties, waarin de moraal in gevaar komt, te vermijden en houden we ons dus maar aan de regels, zoals gezin, school en samenleving die hebben vastgesteld. Voor wie tevreden is met zo’n leven heeft Paulus zijn woorden vergeefs geschreven. Zij weigeren namelijk oog in oog te komen met hun werkelijke benarde situatie, hun condition humaine. Maar misschien kan er nog iets anders met hen gebeuren, namelijk dat God Zelf hen meer en meer in de zonde laat rondwentelen om hen ervan bewust te maken wat en wie zij werkelijk zijn. Ik geef toe, dat dit een boude manier van zeggen is, maar zo hebben mensen met diepe religieuze ervaringen er wel over gesproken.
Doordat zij meer in de zonde terecht kwamen, hebben zij (daarin) de wakker schuddende hand van God gevoeld. En eenmaal ontwaakt, hebben zij zichzelf in de spiegel gezien, waarvan zij zich altijd hadden afgewend. En toen zij zich niet langer voor zichzelf konden verbergen, hebben zij de vraag gesteld, vanuit de diepte van hun zelfverwerping, waarop de boodschap van het christendom het antwoord is, namelijk de overmacht van het geaccepteerd-worden, die de wanhoop van de zelfverwerping kan overwinnen. In die zin kan meer zonde de manier zijn waarop wij ons bewust worden van onszelf.
Met Paulus vragen we ons dan af, wat in ons kan het toch zijn, dat een woonplaats van deze kracht wordt? Dan antwoordt hij, dat het zich verborgen houdt in onze leden. Hij noemt deze plaats ook wel ‘vlees’ en soms spreekt hij over ons  als een ‘lichaam des doods’. Maar er zijn ook krachten in ons, die die macht weerstaan: ons meest eigen zelf, onze geest, onze gedachten. Uit deze woorden blijkt dat Paulus worstelt met het diepe mysterie van de menselijke natuur, precies zoals ook wijzelf nog steeds doen. En het is beslist niet gemakkelijker om zijn beschouwingen over de zonde te begrijpen dan de taal van de huidige wetenschappers over de mens. Maar één ding staat vast: Paulus – en met hem de hele Bijbel – stellen nooit ons lichaam als zodanig verantwoordelijk voor onze vervreemding van God, van de wereld en van onszelf.
Het is niet zo, dat alleen ons lichaam, het ‘vlees’, onze ledematen de zondige delen van ons zijn, terwijl ons meest eigen ik, onze gedachten en geest, het andere, een zondeloos deel zou zijn. Nee, ons hele zijn, iedere cel van ons lichaam en iedere gedachtenspinsel, zowel lichaam als geest, is onderworpen aan de zonde en is betrokken in het verzet daartegen. Uit het feit dat we onszelf beschuldigen blijkt wel, dat we nog een besef hebben van wie we waarlijk zijn en dus zouden moeten zijn. En uit het feit dat we onszelf verontschuldigen blijkt, dat we de vervreemding van onze ware natuur niet willen erkennen. Uit het feit dat we ons schamen vloeit voort, dat we nog weten wat we zouden moeten zijn.
Geen enkel gedeelte van de mens is in zichzelf slecht, zoals er ook geen fragment in hem op zichzelf goed zou zijn. Ieder onderricht van het christendom, dat dit is vergeten, heeft de hoogte van dit christelijke inzicht tekort gedaan. En wat dat betreft moeten in feite alle christelijke kerken de zware schuld erkennen, dat zij mensen naar de vernieling hebben geholpen door ze met wanhoop te vervullen t.a.v. hun schuld, terwijl die er in het geheel niet was. Vanaf kansels, op scholen en in gezinnen hebben christenen het natuurlijke streven om te leven, te groeien en zichzelf te worden voorzien van het etiket ‘vleselijke zonde’.
Men focust op een ongepaste en puur heidens manier op het onderscheid van de sexen en alle mogelijke ontsporingen op dat gebied. Natuurlijk zijn die ontsporingen er, maar die zijn er evengoed op het terrein van het geestelijk leven en denken, zoals bijv. trots of onverschilligheid. De macht van de zonde vooral te zien in de seksuele levensdrift is op zichzelf al een afwijking. Dit soort gepreek slaat volkomen de plank mis en staat ver af van wat Paulus als zonde omschrijft. Maar wat nog erger is, is dat het onterechte schuldgevoelens voortbrengt bij ontelbaar veel mensen en de twijfel van deze mensen leidt tot angsten en de angsten tot wanhoop en de wanhoop leidt tot geestesziekte en vandaar tot de wens om zichzelf van kant te maken.
Maar ook andere gevolgen kan dit soort prediking teweeg brengen. Paulus wijst weliswaar op enkele perverse seksuele begeerten en hij ziet dat als een extreme uiting van hoe de mensheid door de zonde beheerste wordt. Maar hebben wij als christenen onszelf wel eens afgevraagd, in hoeverre wijzelf in hevige mate hebben bijgedragen aan deze situatie, door het natuurlijke als zonde af te schilderen of op z’n minst als een reden tot schaamte te laten zijn? Dat komt nou allemaal voort uit dat armetierige beeld van de zonde, dat volstrekt in tegenspraak is met de werkelijkheid alsook met het bijbelse verstaan van de menselijke situatie.
Het is eigenlijk best gevaarlijk om over de zonde te preken, omdat het ons ertoe verleiden kan onze zondige toestand te gaan koesteren. Misschien is het zelfs beter er helemaal niet over te preken; ik heb zelf jarenlang erover geaarzeld. Maar soms moet het dan toch maar gewaagd worden om de misvattingen erover die de zonde doen toenemen weg te nemen, vooral als door het voortbestaan van onjuiste gedachten, onjuiste levenswijzen onvermijdellijk zijn.
Ik denk dat het mogelijk moet zijn om de gevaren, die samenhangen met een al te sterke focus op de zonde, te boven te komen, als we onze aandacht er indirect op gaan vestigen, namelijk door vooral ons licht te laten schijnen op wat ons in staat stelt ons er tegen te verzetten, namelijk door te letten op het weer één worden, die de vervreemding overwint. Zonde is immers de daad van het ons afwenden van deelname aan de goddelijke Grond, waar wij uit voortkomen en waarheen wij teruggaan. Zonde betekent dat wij ons op onszelf richten en dat wij onszelf tot het centrum van de wereld maken én van onszelf en deze Zonde beheerst iedereen, ook degenen die zich oefenen in zelfbeheersing en zo haalt men zoveel mogelijk ‘wereld’ in zichzelf binnen. Maar we kunnen ons dit alleen maar ten volle bewust worden als we een bepaald ‘levens-level’ boven onszelf uit hebben gevonden. Een ieder, die zichzelf weer gevonden heeft, nadat hij zichzelf verloren had, weet hoe diep ingrijpend  dat zelfverlies kan zijn. Als we naar onze vervreemding kijken vanaf het punt van het weer-één-zijn, dan bevinden we ons buiten de gevarenzone om onze vervreemding te gaan koesteren. We kunnen dus alleen over de zonde spreken, wanneer we beseffen, dat haar macht over ons gebroken is.
Die macht is zeer zeker niet door onszelf gebroken. De poging om de overmacht van de zonde te breken door onze goede wil is door Paulus beschreven als de poging om de Wet te vervullen, d.i. de wet in ons denken, ons diepste zelf, die dan gelijk is aan de Wet van God. Het resultaat van deze poging is volstrekte mislukking, schuld en wanhoop. De Wet met zijn ge- en verboden, roept alleen maar verzet op, ondanks haar positieve functie om het kwaad aan te wijzen en in te dammen. Het is poëtisch en ook diep(zinnig) psychologisch gezegd, als Paulus stelt dat de zonde , die in onze leden woont, slaapt tot op het moment, dat ze wakker wordt geschud door het woord “Je mag niet”. De zonde heeft a.h.w. de geboden nodig om tot leven te komen. Het verbod maakt het sluimerende verlangen wakker. Het wekt de macht en de bewustheid van de zonde op, maar is niet in staat om haar macht te breken. Alleen als we met ons hele wezen aanvaarden, dat die macht over ons gebroken is, wordt die ook in ons gebroken.
Dit plaatje van de zonde is er één van lelijkheid, lijden en schaamte en tegelijk ook vol drama en passie. Het is het beeld van ons als een strijdtoneel van machten die groter zijn dan wijzelf. Het verdeelt de mensen niet in groepen of categorieën, zoals blank en zwart, goed en kwaad. Het verschijnt niet aan ons als een dreigende vinger van een autoriteit, die ons met klem bezweert niet te zondigen! Het gaat echter om een oneindig belangrijk inzicht, dat zich voordoet op onze planeet, in ons lichaam en in onze geest. Het brengt de mensheid op een niveau in het heelal, waar op ieder moment iets beslissends gebeurt, beslissend voor de uiteindelijke betekenis van ieders bestaan. In ieder van ons vinden zulke beslissingen plaats, maar niet alleen in ons, ook door ons. Dat is een last die op ons drukt en dat kan ons wanhopig maken, maar daarin schuilt tegelijkertijd ook onze grandeur.

 

Lees meer uit: Het Eeuwige Nu

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.