De tegenwoordigheid van Gods Geest/De Goddelijke Geest

 

(uit: Paul Tillich, Auf der Grenze. Aus dem Lebenswerk Paul Tillichs (Stuttgart 1962), S.70-79.

 

5 Niet dat wij vanuit onszelf zo bekwaam zijn dat we dit als ons eigen werk kunnen beschouwen; onze bekwaamheid danken we aan God. 6 Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
2 Korinthe 3: 5-6

I
“Niet dat wij vanuit onszelf zo bekwaam zijn”, schrijft Paulus. Wie zijn die “wij”? Dat zijn ongetwijfeld de apostel zelf en degenen, die met hem samenwerken. Dat omvat allen, die bekwaam gemaakt zijn om ‘het nieuwe verbond’, zoals Paulus dat noemt, te dienen. Dat nieuwe verbond is de nieuwe verbondenheid van God en mens, de ‘nieuwe schepping’, de nieuwe stand van zaken in de mensheid en de wereld. En ‘geschikt gemaakt’ om dit nieuwe zijn te dienen is een ieder, die daaraan deel heeft, hoe gebroken en beperkt ook. Maar als we gaan vragen, wie dan aan die nieuwe schepping deel heeft, dan ontdekken we, dat die vraag niet te beantwoorden is. Want niemand kan in het innerlijk van iemand anders blikken, want iemand kan niet eens zijn/haar eigen innerlijk begrijpen. Daarom kan niemand  met zekerheid zeggen, dat iemand anders deel heeft aan die nieuwe stand van zaken; hij kan het immers nauwelijks van zichzelf zeggen. Nog minder kan hij van iemand anders, hoe verwoest diens leven ook is, zeggen, dat hij in het geheel geen deel heeft aan het nieuwe zijn en dat hij dus onbekwaam is dat te dienen. Van jezelf kun je die onbekwaamheid al zeker niet volhouden. Misschien is het juist in onze tijd van belang om dat tweede te beklemtonen, namelijk dat wij en die bij ons horen wel degelijk in staat zijn om de nieuwe schepping te dienen en elkaar tot priester te zijn in het streven naar verwerkelijking ervan. Nog niet zo lang geleden voelden veel mensen, m.n. kerkmensen, zich geroepen over andere mensen te oordelen en hen voor te schrijven wat ze moesten geloven en doen. Vandaag de dag zijn wij er diep van binnen van doordrongen, dat zulk oordelen pure aanmatiging is. Overal om ons heen bespeuren wij een besef, dat men onbekwaam is tot de dienst aan de nieuwe schepping, m.n. bij de jongere generatie. We hebben de neiging te denken, dat wij zelf daartoe geen recht hebben. We voelen wel aan, dat we niet genoeg deel hebben aan het nieuwe zijn om anderen tot deelname te kunnen brengen. Wij wijzen de eer en de last van het wederzijdse priesterschap af. Dat gebeurt op velerlei manieren, o.a. dat wij onze hoogste menselijke roeping vergeten. Maar meestal komt het voort uit wanhoop jegens onszelf, uit twijfel, schuld(gevoel) en innerlijke leegte. Wij voelen ons oneindig ver verwijderd van een nieuwe stand van zaken en we voelen ons daardoor onbekwaam om anderen daarin te helpen.
Als we ons zo voelen, dan moeten die andere woorden van onze tekst zich laten gelden, namelijk dat onze bekwaamheid van God komt en niet van onszelf. En we moeten daarbij denken aan dat troostrijke woord, dat God groter is dan ons hart. Als we aan onszelf voorbij zien naar datgene, wat groter is dan wijzelf, dan voelen we ons daardoor aangespoord om anderen juist dan te hulp te komen, wanneer we zelf het meest hulp nodig hebben – en dan kunnen we ook helpen. Door ons heen werkt een macht, die niet van onszelf is. Misschien kunnen wij ons wel een situatie te binnen brengen, waarin uit de diepte van ons zijn, misschien wel vanuit onze eigen angst, woorden opkwamen, die de ander in de diepte van zijn zijn en zijn angst zo krachtig raakten, dat zij hem zelfs  tot een nieuw zijn brachten. Misschien herinneren wij ons ook nog wel een andere situatie, waarin het handelen van een mens, wiens verwoeste leven wij kenden, een enorm priesterlijke, opwekkende en helende werking op ons had. Dat kwam niet bij hem vandaan, maar het zat in hem, zoals in het andere geval het niet bij ons vandaan kwam, maar in ons zat. We moeten ons nooit aanmatigend in de middelaarsrol manoeuvreren, noch vanuit een persoonlijke  noch vanuit een kerkelijke pretentie. Maar desondanks  mogen we ook nooit de opdracht om de ander een  priester te zijn vergeten, ook niet als we aan onszelf wanhopen en ook niet, wanneer diegene dat wat ons allen ten diepste moet aangaan, minacht. Zowel tegenover de aanmatiging als tegenover de vertwijfeling staat het woord, dat onze bekwaamheid daartoe niet van onszelf komt, niet van een mens, niet van een instituut, ook niet van een kerk, maar van God. En als het van God komt dan is het Zijn Geest, die in onze geest tegenwoordig is en die ons de volmacht geeft het nieuwe zijn te dienen.

 

II
Als we dan nu het woord “Gods Geest” horen zijn we daar alvast een beetje op voorbereid: het is de macht in ons, die niet van ons(zelf) is, maar die ons wel bekwaam maakt voor de dienst aan het nieuwe zijn. Dat is precies, wat de Geest van God beduidt. Voor veel mensen binnen en buiten de kerk klinkt dat misschien vreemd in de oren, want voor hen is het woord “Heilige Geest” één van de vreemdste van de vreemdgeworden woorden binnen het christelijk taalgebruik geworden. De Heilige Geest is bijna nooit onderwerp van prediking en ook binnen het godsdienstonderwijs schrikt men er voor terug erover te spreken. Pinksteren, het feest van de Heilige Geest, is een vrolijke vrije dag geworden om de natuur en haar schoonheid te beleven. Groepen, die beweren, dat zij bijzondere geestelijke ervaringen hebben, worden met wantrouwen bejegend - en dikwijls terecht!  Toch is de ervaring van de goddelijke Geest in ieder mens even werkelijk als die van bemind te worden en even werkelijk als de lucht, die men inademt. Daarom hoeven wij ook niet terug te schrikken voor het woord “Geest Gods”. Het is heel goed mogelijk om ons de tegenwoordigheid van Gods Geest in en om ons heen bewust te worden, hoe beperkt onze ervaring van “Gods Geest die ons tegenwoordig is” ook is. Want dat is precies wat de goddelijke Geest betekent: “God tegenwoordig in/aan onze geest”. De goddelijke Geest is niet een of andere mysterieuze substantie, en zij is ook niet een deel van God. Zij is God Zelf, maar niet God als de scheppende grond van alle dingen, en niet God, die de geschiedenis ‘stuurt’ en die zich in die centrale gebeurtenis, de Christus, manifesteert, maar zij is God als tegenwoordig in gemeenschappen en in enkelingen, die zij aangrijpt, inspireert en verandert.
Want de goddelijke Geest is vooral macht, de macht die de menselijke geest boven zichzelf uit drijft naar datgene, wat zij uit zichzelf niet bereiken kan: naar de liefde, die groter is dan alle andere gaven; naar de waarheid, waarin de diepte van het zijn zich voor ons  opent; naar het heilige, dat de openbaring van het hoogste is.
Iemand zegt misschien: “Ik ken deze macht niet, ik heb nog nooit zo’n ervaring gehad. Ik hoor niet bij een of andere godsdienst, ook niet bij de christelijke en ik ben beslist geen drager van de goddelijke Geest. Wat ik zojuist hoorde, klinkt mij als extase in de oren, maar ik blijf liever nuchter. Het klinkt als zelfopoffering, maar ik ben iemand, die liever doet wat mij menselijkerwijs  mogelijk is”.
Daarop antwoord ik: Het is zeker waar dat de macht van de goddelijke Geest sommige mensen in vervoering kan brengen, zoals de meesten van ons nooit ervaren hebben. De Geest kan ook leiden tot een bepaalde mate van zelfopoffering, waartoe de meesten van ons niet in staat zijn; zij kan ook inzichten geven in de diepten van het zijn, die voor de meesten onbereikbaar blijven. Maar dat alles geeft ons niet het recht om het werken van de  Geest van God in ons te ontkennen.
Er zijn immers ook heel andere, zichtbare uitwerkingen van de tegenwoordigheid van de goddelijke Geest te noemen. Ik wil er enige opsommen, waarbij wij onszelf de vraag stellen, of en in welke mate deze overeenkomen met onze eigen ervaringen.
De Geest van God kan in ons werken met een zachte, maar duidelijke stem, die zegt, dat ons leven leeg en zinloos is, maar dat de mogelijkheden van een nieuw leven voor de deur van ons diepste zelf a.h.w. staan te wachten om deze leegte te vullen en de verveling ongedaan te maken. De Geest van God werkt in ons, wanneer het verlangen naar het heilige in ons gewekt wordt in plaats van naar het alledaagse en profane. De Geest van God kan ons laten zien, dat wij iemand diep verwond hebben, maar ons dan ook het juiste woord geven, dat ons weer met die ander verbindt. Hij kan bewerken, dat wij met de goddelijke liefde, die ‘agape’ heet, iemand accepteren, die wij als mens niet zo mogen of zelfs haten of die ons onverschillig was. De Geest van God kan onze traagheid met betrekking tot datgene, wat wij als doel van ons leven gesteld hadden, overwinnen. Hij kan onze verborgen agressie of openlijke depressies ombuigen. De Geest van God kan ons bevrijden van verborgen vijandschap jegens degene, van wie wij houden en van de openlijke wil tot vergelding jegens degenen, door wie wij ons gekwetst voelen. Hij kan ons de kracht verlenen om onnodige angsten achter ons te laten en de angst, die bij het leven zelf hoort, op ons te nemen. De Geest van God kan ons plotseling inzicht geven in de weg, die wij moeten inslaan en zij kan ons de ogen openen, zodat wij de wereld ineens in een ander licht gaan zien. Door de Geest kunnen we (zelfs) vreugde ervaren temidden van diepe smart.
In de koude, die wij allemaal in en om ons heen kunnen voelen, kan de Geest van God met haar warmte komen en zij kan ons wijsheid en kracht geven, als onze liefde voor een geliefd medemens gestrand is. In de hel van vertwijfeling kan de Geest ons boven onszelf uittillen en ons dan de zekerheid geven, dat het leven Ja tegen ons zegt, juist toen we dachten dat we volkomen verworpen waren en (toen we) ook onszelf verwierpen. Door de Geest van God kan in ons de kracht om te bidden groeien, die niemand uit zichzelf heeft dan door de tegenwoordigheid van de goddelijke Geest. Want ieder gebed – met of zonder woorden – dat zijn doel bereikt, namelijk de hereniging met de goddelijke grond van ons zijn, is het werk van de Geest van God, die in en door ons spreekt. Het gebed is het zich verlangend verheffen van een eindig wezen in de richting van zijn oorsprong.
Dit zijn allemaal werkzaamheden van de Geest van God, tekenen van de tegenwoordigheid van de Geest van God in ons.Wie kan ten overstaan van deze uitingen beweren, dat hij/zij zonder de Geest van God is? Wie kan zeggen, dat hij beslist geen drager van de Geest van God is? Men kan het in geringe mate zijn, maar wie van ons kan eigenlijk meer dan dat beweren van zichzelf?
We kunnen de tegenwoordigheid van de Geest van God vergelijken met de lucht, die wij inademen, die om ons heen is en ons zo nabij is en ons in leven houdt. Deze vergelijking is zeer terecht: in de meeste talen betekent het woord ‘geest’ “adem” of “wind”. Soms groeit de wind uit tot een storm, allerlei hevig en verwoestend, maar meestal is zij lucht in beweging, altijd aanwezig, maar niet steeds opgemerkt. Zo is de Geest van God ook altijd aanwezig als een kracht die in beweging brengt: soms door zich in stormachtige extasen te uiten in enkelingen of in groepen, maar meestal verbindt zij zich rustig met onze menselijke geest en wekt die tot leven; soms wordt de Geest van God manifest op de grote momenten van de geschiedenis of van iemands persoonlijk leven, maar meestal werkt zij verborgen door middel van ontmoetingen met mensen en met de wereld; soms werkt de Geest door godsdienstige gemeenschappen en hun manier van leven, maar vaak verschijnt Hij op terreinen, die ver verwijderd zijn van wat men religieus noemt. Zoals de wind waait, waarheen zij wil, zo is het ook met de Geest van God. Zij is aan geen enkele regel onderworpen en op geen enkele wijze laat zij zich beperken. Haar verhouding tot de mensen hangt niet af van wie die mensen zijn of van wat zij doen. Zij kunnen de Geest van God ook niet ontbieden, geen sterveling of groep kan dat bewerken, ook een christelijk kerk kan dat niet. Al was Hij, die de grond van de kerk is, zelf uit de Geest van God geboren en al is de goddelijke Geest, die in Hem tegenwoordig was, de grootste uitdrukking van de tegenwoordigheid van de Geest van God – toch is de Geest van God niet gebonden aan de christelijke kerken of aan één van deze. De Geest van God is vrij om in de geest van de mensen in allerlei situaties in te werken en Hij dringt er bij de mensen op aan om Hem zijn gang te laten gaan op ieder moment van het leven van mensen.
Maar waarom bidt de psalmdichter dan: “Neem uw Geest niet van mij!” En waarom spreken wij tegenwoordig zo dikwijls over de “afwezige God”? Deze uitdrukking geeft duidelijk weer, wat momenteel in de literatuur en de kunst, maar vooral ook in de persoonlijke  ervaringen van ontzettend veel mensen een grote rol speelt. Hoe kunnen wij de boodschap van de tegenwoordigheid van de Geest van God dan rijmen met de ervaring van de afwezigheid van God? Laat ik daar dit over zeggen. Als wij vragen: wat is de grond van zijn afwezigheid? , dan kunnen we antwoorden: ons verzet, onze onverschilligheid, ons gebrek aan ernst, ons eerlijke of oneerlijke verzet, onze echte of onze cynische twijfel. Al deze antwoorden bevatten een kern van waarheid, maar niet de laatste waarheid, het enige geldige antwoord op de vraag, waarom God afwezig is. De grond van de afwezigheid van God ligt in God zelf! Het is het werk van de Geest van God zelf, dat God aan ons zicht onttrokken wordt en dat niet alleen voor enkelingen, maar ook voor een hele periode. Zo leven wij in een tijd, waarin God voor ons de afwezige God is. Maar als wij God als de afwezige God ervaren, dan weten wij wel van Hem; wij beleven zijn niet-bij-ons-zijn als een lege plek, zoals die achterblijft, wanneer iemand of iets dat bij ons hoorde, ons verlaten heeft. God is ons steeds oneindig nabij en oneindig verre van ons. Pas als wij beide ervaren, weten wij werkelijk van Hem. Maar soms, als wij ons zijn aanwezigheid als een vanzelfsprekende alledaagsheid zijn gaan zien en wij er warm noch koud van worden, of als wij al te familair met Hem zijn omgegaan, alsof er geen geheim in of aan Hem was en als Hij alleen maar een God van nabij was geworden en zijn oneindige afstand van ons niet meer ondervonden werd – dan wordt Hij de afwezige God. En toch hield zijn Geest er niet mee op om tegenwoordig te zijn, want die kan nooit en te nimmer ophouden. Maar de Geest van God onttrekt God aan ons zicht. Geen enkel verzet, onverschilligheid of twijfel kan de Geest van God verdrijven. Hij blijft altijd tegenwoordig, maar Hij kan zich wel verbergen en dat houdt dan in: Hij kan God verbergen. Dan ervaren wij alleen maar de afwezigheid van God en de lege plek in ons, die (toch ook) ruimte van God is. Aan onze tijd en aan talloze mensen in onze tijd heeft de Geest van God de afwezige God laten zien, alsook de leegte in ons, die ernaar verlangt om met Hem vervuld te worden. En dan kan de Afwezige wel weer terugkeren en de plaats innemen, die aan Hem toebehoort en de tegenwoordigheid van de Geest van God zou weer in ons bewustzijn kunnen terugkeren om ons op te wekken tot de kennis van wat wij zijn. Hij schudt ons dan weer wakker en wij zullen veranderen!
Dat zou kunnen geschieden zoals een stormwind nadert, de storm van de Geest van God, die ons vanuit de traagheid ons geestelijk leven weer oprakelt. De storm kan ook weer gaan liggen en er zal wellicht weer nieuwe traagheid ontstaan en in plaats van de zekerheid omtrent de tegenwoordigheid van God kan de leegte weer post vatten in ons bewustzijn. Die op- en neerbeweging hoort bij het leven in de Geest. En dat betekent: of wij God nu als aanwezig of als afwezig ervaren – beide is het werk van de Geest van God.

 

III
En nu wil ik nog een symptoom van de tegenwoordigheid van Gods Geest beschrijven en dat is de grootste van alle en kernachtig door Paulus onder woorden gebracht, als hij schrijft: “..niet van de letter, maar van de Geest, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend”. Dat betekent, dat het werk van God in de mens het grootst is, als het hem van het juk van de geboden bevrijdt tot de vrijheid van de Geest.
Het is als bij het opheffen van een doodstraf en het schenken van een nieuw leven. In deze woorden ligt een geweldige ervaring opgesloten, een ervaring, die ons allen ten deel kan vallen, hoewel het zelden in zijn volle diepte plaatsvindt. Maar als zij plaats vindt, dan is het een omvormende kracht, die de wereld van de Geest en daardoor de geschiedenis van de mensheid verandert, zoals gebleken is bij mannen als Paulus, Augustinus en Luther. Kunnen ook wij aan zo’n ervaring deel hebben?
Allereerst hebben wij allen de dodelijke kracht van de letter gevoeld, niet alleen in de Tien Geboden en de velerlei uitleg ervan in de Bijbel en de geschiedenis, maar ook in het gezag van ouders en van de maatschappij, hetgeen doordrong tot in de onbewuste diepten van ons zijn en zo werd zij door ons geweten gekend en erkend en bepaalde zij ons doen en laten. Niemand kan de ‘letter’ ontvluchten, want deze bepaalt het in- en het uitwendige leven. En als we proberen deze geboden tot zwijgen te brengen en onze oren ervoor dicht te stoppen, dan maakt de Geest van God zelf dat ons onmogelijk en daarin staat Hij eigenlijk achter de ‘letter’. Want de Geest van God schenkt ons het leven niet, tenzij Hij ons door de ervaring van de dood heeft gevoerd. De letter van de Wet heeft in zijn bedreigende majesteit de kracht om wat leeft te doden. De vreugde om het goede te doen doodt hij, doordat hij dat, wat hij ons oplegt als iets vijandigs laat ervaren. Hij doodt ook de vrijheid om in mensen en dingen vreugde te scheppen, als hij met de wetstafelen tussen beide komt. Hij doodt ook de ‘kunst’ om de stem van het ogenblik, het woordeloze roepen en smeken van de ander te vernemen en in te gaan op haar hier en nu. Hij doodt ook de moed om te handelen door de schroom van een door angst aangejaagd geweten. En bij degenen, die de letter van de Wet het meest ernstig nemen, doodt hij ook de hoop en stort hen in een put van zelfverlorenheid.
Onder de letter van de Wet komt niemand uit! De Geest van God zelf verhindert ons om compromissen te sluiten en een loopje te nemen met de ernst van de geboden. Hij zelf roept ons terug, als we onze toevlucht nemen tot onverschilligheid of wetteloosheid of de gebruikelijke uitweg: doorsnee eigengerechtigheid. Maar als de Geest van God ons bij dit alles vandaan roept, dan doet Hij dat niet om ons onder de Wet te houden, maar om ons een nieuw leven te geven.
Hoe kunnen we dat leven, dat de Geest van God ons geeft, omschrijven? Ik zou daar vele woorden voor kunnen gebruiken, die iedereen kent, die  Paulus gesproken heeft en na hem ook de grote predikers en leraren der kerk. Ik zou kunnen zeggen, dat het werk van de Geest van God, die ons van de Wet verlost, vrijheid is. Of ik zou kunnen zeggen, dat geloof en hoop zijn werk zijn. En bovenal zou ik kunnen zeggen, dat de Geest van God de liefde bewerkt, liefde waarin alle wetten bevestigd en vervuld en tegelijkertijd overtroffen zijn. Maar als ik zulke woorden zou gebruiken dan zou de schaduw van de afwezige God verschijnen en mij te binnen brengen, dat wij heden tendage zo niet kunnen spreken. Als we dat wel zouden doen dan zou vrijheid misverstaan worden als willekeur, geloof als voor waar houden van absurditeiten, hoop als utopie en liefde – het woord dat ik het leifst zou gebruiken om het werk van de Geest mee aan te duiden – als een sentimenteel gevoel. De Geest van God moet ons nieuwe woorden schenken of de oude woorden opnieuw tot leven wekken om écht leven voor ons te kunnen uitdrukken. Wij moeten daar op wachten, om bidden, want kunnen ze niet afdwingen. Maar op sommige momenten in ons leven weten we wat leven is! Dan weten we, dat het groot(s) en heilig is, diep en rijk, extatisch en nuchter, vergankelijk en vervormd in de tijd, voltooid in eeuwigheid. En als we de juiste woorden niet kunnen vinden, omdat God voor ons de Afwezige is (geworden), dan mogen wij zonder woorden ons oog richten op HEM, in wie het leven en de Geest van God volledig openbaar waren.


Lees meer uit ander werk

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.