Over het verstaan van de moderne mens

 

DAS CHRISTLICHE VERSTÄNDNIS DES MODERNEN MENSCHEN in: Paul Tillich, Auf der Grenze. Aus dem Lebenswerk Paul Tillichs (Stuttgart 1962)

HOE ZIET HET CHRISTENDOM DE MODERNE MENS?

Oorspr. : Das ist der Mensch. Beiträge der Wissenschaft zum Selbstverständnis des Menschen (Stuttgart 1959)

Het is heel gewoon, wanneer men vraagt hoe de moderne mens het christendom verstaat  of het - trouwens vaker – misverstaat. Dat is een noodzakelijke en voor de theologie en de prediking ook een belangrijke vraag. Het is immers de moderne mens, tot wie beide willen spreken en die zij alleen maar bereiken kunnen, als men weet, waar hij staat. Maar vandaag willen wij de omgekeerde vraag stellen: Hoe ziet de moderne mens eruit, als hij met christelijke maatstaven wordt gemeten? Wat heeft het christendom over de moderne mens te zeggen? Zo’n vraagt behoeft natuurlijk wel enige verheldering. Zo moet men meteen vragen: wat wordt bedoeld, wanneer men over de moderne mens spreekt en hoe ziet het christendom eruit, dat de moderne mens gaat meten met christelijke maatstaven?
Eerst maar de eerste vraag: wat wordt bedoeld met ‘modern’, als men over de moderne mens spreekt? Zonder veel omhalen zou ik kunnen antwoorden: de mens halverwege de 20e eeuw. Zeker, de mens van onze tijd is niet uit de lucht komen vallen. Hij is eerder het resultaat van een lang verleden, waarop men overal punten kan vinden, die het begin van de moderne mens al aanduiden. De meest gangbare en waarschijnlijke ook juiste datering van de geboorte van de moderne mens is de Renaissance. Men kan ook bij de 17e en 18e eeuw beginnen, maar hoe dan ook, men komt uiteindelijk uit bij het beeld van de mens, die hier en nu leeft en waarover het christendom iets wil zeggen.
Nu doet zich natuurlijk de vraag voor: welk christendom gaat die uitspraak doen? Dat is een moeilijke vraag, maar hij moet wel beantwoord worden. Iedere christelijke theologie heeft zo haar  eigen manier om over de moderne mens te spreken. Wat ik ga zeggen komt voort uit een vorm van  protestantisme, dat zovele moderne elementen in zich opgenomen heeft, dat het in feite over zichzelf spreekt, wanneer het over de moderne mens spreekt. En toch ook weer niet helemaal: als protestants christen is men in staat een dimensie van het menselijke zijn te zien, die aan de blik van de moderne mens, die slechts modern mens is, ontsnapt. Ik bedoel de dimensie van het onvoorwaardelijke. Het laatste in de sfeer  zijn en zin. Het is de dimensie, die naar voren komt, wanneer vragen gesteld worden als: Waartoe ben ik er? Waarom is er eigenlijk iets? Wat is de grond, wat is de zin van al wat is? Wat is de zin van mijn zijn? Op deze vragen geeft de religie antwoorden. Dat zijn dus geen antwoorden, die op het vlak van het wetenschappelijk onderzoek(en) liggen. Het gaat hier bovendien om antwoorden, die direkt en persoonlijk tot degene gesproken worden, die de vraag stelt; het zijn antwoorden, die met het totale zijn van de vraagsteller verbonden zijn en in hem/haar opgenomen moeten zijn.  En zijn taal is die van het symbool.
Het christendom, d.w.z. veel vertegenwoordigers van het christelijk denken, waartoe ik ook mijzelf reken, menen te zien, dat deze dimensie, de religieuze dimensie, voor de typisch moderne mens is verloren gegaan. Het is nu de opgave voor de theoloog, die zich moeite getroost de moderne mens te verstaan, om aan te tonen, waardoor dit verlies zich heeft voorgedaan, en wat dat betekent en hoe dat wat verloren gegaan is (eventueel) weer herwonnen kan worden.

Er zijn drie principes, die het bewustzijn van de moderne mens bepalen en elk daarvan heeft bijgedragen aan het verlies van de dimensie van het onvoorwaardelijke – of om een metafoor te gebruiken: de dieptedimensie. We zouden deze principes kunnen noemen die van de ‘binnenwereldlijkheid’ (Innerweltlichkeit) d.w.z. dat de wereld ‘dicht’ is, een gesloten systeem. En die van de ver-ding-lijking (Vergegenständlichung), d.w.z. dat men alles en iedereen ‘object-iveert’  en die van de ‘omvorming’ (Umgestaltung). Ik wil deze drie principes één voor één nader met u bekijken en zo proberen dichterbij het verstaan van de moderne mens te komen.
Daarbij moet vooraf wel opgemerkt worden, dat deze principes in hun oorspronkelijke betekenis geenszins antireligieus waren, maar dat zij dat in de loop van hun ontwikkeling wel werden.
Het principe van de ‘binnenwereldlijkheid’ of de ‘gesloten’ wereld bedoelde oorspronkelijk te zeggen, dat het goddelijke zijn plaats niet had in een ‘wereld hierboven’, maar dat het in ieder deel van deze wereld, zowel in de zon als in de zandkorrel, zowel in het dier als in de mens, volledig present was. Men hoefde niet naar een ‘wereld hierboven’ op te stijgen om God te ‘hebben’, men kon Hem hier en nu ‘hebben’, helemaal en reëel, hoewel niets wat eindig is Hem (volledig)  kan omvatten of begrijpen. Zo was het zelfs een door en door religieus bepaalde  ‘binnenwereldlijkheid’, waaruit op den duur het moderne principe van (de seculiere) ‘binnenwereldlijkheid’ geboren werd. In de loop van de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij is het gebeurd, dat men het religieuze element, de dieptedimensie, kwijtraakte. De geest van de industriële kennis van de wereld en die van het willen beheersen van de wereld is veel meer op de dimensie van het horizontale gericht. Alles wat vanuit het vertikale zou kunnen inbreken wordt als storend ervaren. Men kreeg  behoefte aan een berekenbare wereld, waaruit al het onberekenbare verbannen moet worden.
Het vertikale heeft twee richtingen, één naar boven en één naar beneden. De naar boven gerichte staat symbool voor het goddelijk scheppende, de richting naar beneden voor het demonisch verwoestende. Het was voor het moderne bewustzijn niet al te moeilijk om met de richting naar boven af te rekenen. Het was niet eens nodig die richting te ontkennen, integendeel, het was juist vaak nuttig om haar voor eigen ‘binnenwereldlijke’ doeleinden te gebruiken. Men kon sociale overheersingsverhoudingen als door God gewild rechtvaardigen. Men kon politieke doelstellingen een religieuze wijding geven en nationale ambities kon men een religieus fundament geven. Echter, dit alles was slechts mogelijk, nadat het religieuze ‘gevaar-loos’ was geworden en onschadelijk was gemaakt. Voor onverwacht goddelijk ingrijpen, zoals het goddelijke zich voordoet in de profetische beleving, is in dit denken, dat typisch hoort bij de industriële samenleving, geen plaats. En evenmin trouwens voor de boodschap van het nieuwe Zijn, dat in de wereld is ingebroken en voortdurend inbreekt.
Maar voor de moderne mens was het moeilijker om van het vertikale naar beneden, het verwoestend demonische af te komen, ja, dat was veel moeilijker dan afscheid  nemen van het vertikale naar boven. Al vroeg in de 18e eeuw heeft men het geprobeerd en niet zonder succes! Het meest extreme symbool van de richting naar beneden, de hel, werd gemakkelijk terzijde geschoven. Alleen het woord zelf bleef nog van kracht als vloek(woord). Spoedig volgde het begrip ‘zonde’, m.n. de erfzonde. Dat begrip gaf uiting aan een diep pessimisme t.a.v. de menselijke situatie en was daarom natuurlijk onverenigbaar met de optimistische tegemoettreding en beleving van het ‘binnenwereldlijke’. Tenslotte volgde ook de verbanning van de dood, die verdween uit het algemene bewustzijn van de mensen: men praatte er niet over en men wilde de dood ook niet zien. Het werd zelfs als tactloos ervaren om over de dood te spreken. En met dat alles ging niet alleen het bijgeloof in de duivel met alle bijbehorende verschrikkingen  over boord, maar ook verloor men het besef, dat er  verwoestende,  demonische krachten in het leven van de enkeling en in de maatschappij werkzaam waren. Zo is de moderne mens eraan toe, gevormd door het principe van de binnenwereldlijkheid,  levend in een  ‘gesloten’ wereld.
En toch is hij zo niet. Hij was nooit helemaal zo en zo is hij ook niet meer. De mens van de 20e eeuw heeft ervaren, dat het vertikale naar beneden niet doorgesneden kan worden; hij heeft ingezien, dat hij eindig is. Hij botst op tegen de golf van eindigheid, hij beukt op de muur van zijn gevangenis, waarin het principe van de ‘gesloten’ wereld hem heeft opgesloten. Was de ‘binnenwereldlijkheid’ aanvankelijk nog een bevrijding van een steeds maar dreigend hiernamaals, heden ten dage wordt deze ‘geslotenheid’  beleefd als een gevangenschap. De angst voor de eindigheid heeft ook de dragers en drijvende krachten van de industriële samenleving  aangegrepen. De kunst, de literatuur en de filosofie van de 20e eeuw zijn daar een overweldigend bewijs en getuigenis van. Hun stijl, d.i. de stijl van verscheurdheid en die van terugkeer naar de oerelementen van het universum en van de mens, laat zien, dat de demonen – om dit symboolwoord te gebruiken – die verbannen leken te zijn, teruggekeerd zijn. Men heeft weer weet van het tragische lot van de mens in zijn situatie, men weet weer wat schuld is, innerlijke leegte en wanhoop. Maar dat betekent nog niet, dat men de muren van de tijdelijkheid heeft doorgebroken. Geen enkele nuchtere waarnemer zal beweren, dat de golf van religiositeit, die zich in de westerse wereld voordoet, in Amerika en in Europa, het antwoord is op de vraag naar de dieptedimensie. Het laat wel zien, dat velen halverwege de 20e eeuw  naar zo’n antwoord op zoek zijn. Maar dikwijls heeft men het gevoel, dat deze terugkeer van de belangstelling voor religie de oprechtheid en de radikaliteit van die vraag in gevaar brengt. En dat gebeurt vooral – en eigenlijk altijd – wanneer de symbolen van het vertikale in dienst gesteld worden van het horizontale, m.a.w., wanneer de toewending naar de religie door de machthebbers van de propaganda, de reklame e.d. voor hun eigen eindige doeleinden ingezet worden.  Daardoor worden de muren van de gevangenis van in een ‘gesloten’wereld te leven nog ondoordringbaarder.
Nauw verbonden met het principe van te leven in een ‘gesloten’ wereld is dat van de ver-ding-lijking of objectivering. Ook dit principe was oorspronkelijk religieus  bedoeld. Op de achtergrond staat de erkenning van de mens als van oneindige waarde, ieder mens als een individuele spiegel van het universum, als een wereld in het klein, maar ook hoog verheven boven alle andere lagen van het bestaan. De mens, begiftigd met verstand, is daartoe bestemd om alles wat hem/haar ontmoet, met kennis te weerspiegelen en handelend te beheersen. Hij is een subject, tegenover wie al het andere tot object wordt. Vooral in de wetenschap en in de techniek komt dit programma volledig tot zijn recht. Zo wordt men bevrijd van bijgeloof en  van de angst voor magie, van de heerschappij van gestolde mechanismen, die door de mechanismen van de natuur zelf kunnen worden overgenomen. Zo wordt de hele werkelijkheid van haar macht beroofd ten gunste van degene, die door zijn verstand macht over de dingen gegeven is. De dingen zijn niet langer meer machten, maar het zijn objecten geworden. Maar zij wreken zich aan degenen, die hen onderworpen heeft. Ze hebben de mens meegezogen, hem ook zelf tot een ding gemaakt. In de gevangenis van de loutere eindigheid is de mens tot een ding geworden. De gevaren van deze situatie zijn door de profetische geesten van de 19e eeuw beschreven en in onze eeuw worden ze door iedereen erkend. Vandaag de dag zien we helder, wat het betekent om een deel van de machine ‘maatschappij’ te zijn, die maar produceert en consumeert en die de enkeling dwingt zich aan te passen aan haar wetten. Dat bewustzijn kwam voor het eerst tot uitdrukking als reactie van het industrieproletariaat op het lot, dat hun getroffen had, namelijk een waar(de)  in het economische proces te zijn geworden, een machineonderdeel in het productieproces. Het werd vervolgens duidelijk in de levens van de werknemers en de ambtenaren, die dagelijks te maken kregen met de gevolgen van de mechanisering, zowel  in de werksituatie als in de vrije tijd. Momenteel wordt het vooral duidelijk zichtbaar in de eis tot een grote mate van conformiteit, die aan het midden- en hoger personeel van de grote industriële ondernemingen en aan het middenkader en de hogere geledingen van de ambtenarij gesteld worden. Maar vooral blijkt het uit de wijze, waarop de hele westerse wereld er voortdurend op uit is de publieke opinie te bepalen d.m.v. de radio en de TV, de krant en de bioscoop, de reclame en de propagandaredevoeringen. De half(on)bewuste invloed van deze media zorgt ervoor, dat ze des te gevaarlijker zijn voor de geestelijke vrijheid, ook daar, waar de politieke vrijheid gegarandeerd is.
De moderne mens staat tussen de angst zich te verzetten tegen de eis om zich te conformeren enerzijds en de angst om zich uit te leveren aan de conformiteit en daarmee zijn menszijn te verliezen en louter tot een object te (ver)worden.
De weerstand tegen de ver-ding-lijking komt het sterkst aan het licht in die kunstuitingen, zoals bijv. de literatuur en de filosofie, die in hun uitdrukkingsvormen uit de gevangenis van de eindigheid willen breken. De stijl van het expressionisme, zoals die zich in de 20e eeuw ontwikkelde, is een uniek en groots protest tegen de ver-ding-lijking van de mens, maar komt uiteindelijk ook niet verder dan tot datzelfde vraagteken, die wij achter de toewending tot de religie geplaatst hebben. Het kan ook hier zo zijn – en voor een deel is het dat ook , bijv. in de beeldreclame – dat de uitdrukkingsvormen van het protest tegen de ver-ding-lijking van de mens als middel in (eigen) dienst genomen worden. Ze worden daardoor, hoe revolutionair ze  aanvankelijk ook leken, zelf  elementen van de conformiteit, waarin onze tijd zelfs ook de meest extreme ideeën probeert te drukken. Hieraan moet ook nog worden toegevoegd, dat in dit opzicht het onderscheid tussen de wereld van het Westen en die van het Oosten steeds kleiner wordt.
Tenslotte nog een krote blik op het derde principe, dat mede bepalend is voor de moderne mens, namelijk het principe van de ‘omvorming’. Ik bedoel de omvorming van de natuur en de maatschappij door de mens (zelf).  Ook hier is de religieuze achtergrond duidelijk zichtbaar. Het gaat er om de aarde tot een schouwplaats voor het rijk van vrede en gerechtigheid te willen maken, een oord van geluk voor alle mensen, religieus gesproken gaat het om het idee van het Koninkrijk Gods. Maar weldra werd deze religieuze achtergrond vervangen door een feitelijke beheersing van de natuur en een in dienst nemen van de natuur, terwijl ook de organisatie van de samenleving voor ditzelfde doel werd ingezet. In naam van de vooruitgang werd er steeds meer geproduceerd. De onbegrensde mogelijkheid om te kunnen produceren leidde tot de onweerstaanbare verzoeking het ook te doen. En zo wordt er geproduceerd, omdat het mogelijk is, zelfs ook buiten de grenzen van de aarde. Er wordt maar doorgeproduceerd, steeds nieuwere mogelijkheden doen zich voor, men stormt grenzeloos voort op de lijn van het horizontale vlak, totdat plotseling uit de verwrongen vertikale dimensie de vraagt opduikt: Waarvoor eigenlijk? Is het geluk bereikt? En de gerechtigheid en de vrede? Of zijn de resultaten van het voorwaarts snellen op het horizontale vlak alleen maar de pijn van rusteloosheid, de verdeeldheid in de wereld, de ongerechtigheid in de verdeling van macht en bezit tussen de volken, de mogelijkheid van zelfvernietiging door de werktuigen van de natuurbeheersing? Walging, leegte, het gevoel van zinloosheid hebben veel moderne mensen, m.n veel jongeren, aangegrepen. Ontelbare ‘zielen’ zijn uit balans geraakt. De vooruitgangsgedachte heeft haar glans verloren. Het geloof in het Rijk Gods op aarde is verloren gegaan. Men zoekt zijn heil wel vanuit de vertikale richting, vaak in mystieke vormen. Maar ook hier verschijnt de gemoderniseerde reiligieuze ‘medicijnman’ op het toneel en hij buigt de vertikale lijn terug naar het horizontale vlak, terwijl hij de verwarde ‘zielen’ belooft hen weer levensvatbaar te maken – ja, men kan de concurrentie weer aan, op het horizontale vlak wel te verstaan!
Zo is het beeld van de moderne mens, vanuit protestants-christelijk standpunt bezien. Het is niet het beeld van de mens zonder God. Uiteindelijk bestaat dat in werkelijkheid ook niet, omdat God de mens nooit loslaat. Het betreft echter wel het beeld van de mens, die niet meer weet, dat en hoe hij in de hand van God is. Het is het beeld van de moderne mens, aan wie de principes van de moderniteit gebroken zijn, - het betreft de mens, die worstelt om de vertikale dimensie, die hij is kwijtgeraakt, die tegen de muren van de eindigheid aanloopt, waartussen hij gevangen zit, die wanhopig het Zelf verdedigt, dat hem t.g.v. de ver-ding-lijking de wereld dreigt af te nemen, die zich vanuit het zinloos geworden horizontale wil redden in het zingevende vertikale. Als dat de moderne mens is, dan is hij een vraag, nog voordat hij zelf een vraag stelt, een vraag, die het christelijk geweten horen en die het ook zelf stellen moet, in de hoop, dat de christelijke boodschap antwoorden bevat, die de moderne mens vernemen kan, als zij maar tot hem gezegd worden in zijn eigen situatie en in zijn eigen taal.

 

Ga naar het overzicht Lezingen & Artikelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.