Het Eeuwige Nu

 

HOOFDSTUK 6: De mens en de aarde

 

Als ik opzie naar uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die U hebt aangebracht: wat is de mens (dan), dat U aan hem denkt en de zoon des mensen, dat U voor hem zorg draagt? Toch hebt U hem een winig minderdan God gemaakt en hebt U hem gekroond met glorie en eer. U hebt hem heerschappij gegeven over de werken van uw handen, U hebt alles onder zijn voeten gebracht. Psalm 8:3-6

I

Enige tijd geleden vroegen vertegenwoordigers uit de wereld van de wetenschap om een nieuw gedragslijn t.a.v. hun onderzoek. Zij wilden de wetenschap voortaan typeren als “de wetenschap om te overleven”. En ze bedoelden daar niet het overleven van individuen of sociale groepen, landen of rassen mee – dat zou niet nieuw geweest zijn – maar het ging nu over het overleven van de beschaafde wereld, de mensheid in haar geheel, of zelfs het leven an sich op de planeet aarde. Het poneren van zo’n nieuw uitgangspunt wijst er op, dat we een nieuwe fase in de geschiedenis van de mensheid hebben bereikt, die als enige analogie in het verleden het verhaal van de ‘grote vloed’ (zondvloed) heeft, zoals we dat aantreffen in het Oude Testament als ook in mythen en legenden van vele volkeren. Het enige verschil tussen onze situatie en die van de zondvloed is, dat in die verhalen de goden of God de vernietiging van het leven op aarde bewerken, omdat de mensen de goddelijke toorn over zich hadden afgeroepen. Het boek Genesis beschrijft het zo:

“De HEER had er spijt van, dat hij de mens op aarde had gemaakt en het bedroefde Hem innerlijk. Toen zei de HEER: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, wegvagen van de aardbodem, mensen, beesten, kruipend gedierte en de vogelen des hemels, want het bedroeft Mij, dat Ik hen gemaakt heb”. In het volgende vers wordt de vraag beantwoord, of er een mogelijkheid tot overleven bestaat – “Maar Noach vond genade in de ogen van de HEER”. We lezen dan, dat niet alleen deze mens, maar ook een paar van ieder soort van de dieren een overlevingskans op aarde gegeven werd. Maar vandaag de dag is het zo, dat de vernietiging èn het overleven in de hand(en) van de mens is komen te liggen. De mens, die heerschappij voert over alles, volgens deze

Psalm, heeft de macht om alles te redden of om alles te vernietigen, want hij is maar een klein beetje minder dan God.

Hoe reageert de mens op deze nieuwe situatie? Hoe reageren wij? Hoe zouden we moeten reageren? “De aarde met onszelf inbegrepen” is niet langer meer iets om nieuwsgierig te onderzoeken, om je artistieke verbeelding op los te laten, om wetenschappelijke studie over te maken of technisch te exploreren. Nee, de aarde is eerder een vraag geworden, die mensen tot op de bodem bezighoudt en ook hevig verontrust. We proberen nog wel wanhopig aan de ernst ervan te ontsnappen, maar als we diep in hart van onze tijdgenoten kijken, m.n. van de jongere generatie, dan bespeuren we een angst, die hun hele bestaan doortrekt. Deze angst bestond enkele tientallen jaren geleden niet in deze mate en het is lastig om deze goed te omschrijven. Het is in elk geval het gevoel te leven onder een voortdurende dreiging; en al kan die natuurlijk vele oorzaken hebben, de grootste is toch wel het nabije gevaar van een universele en totale catastrofe.

De reactie van mensen op dit gevoel wordt enerzijds gekenmerkt door een hartstochtelijk verlangen naar veiligheid en zekerheid in het dagelijks leven en anderzijds door een overdreven vertoon van overmoed van en vertrouwen in de mens, zoals die tot uitdrukking komt in zijn verovering van de aarde en de buitenaardse ruimte. De meesten van ons zullen deze tegenstrijdige reacties bij zichzelf wel herkennen. Het vroegere naïeve vertrouwen op ‘moeder aarde’ en haar beschermende en bewarende kracht zijn verdwenen. Het is zelfs mogelijk, dat de aarde ons niet langer zal (ver)dragen! En wij zijn het zelf, die ervoor kunnen zorgen, dat zij dat niet meer doet. Geen enkel teken aan de hemel – zoals de regenboog eertijds aan Noach was gegeven als een belofte, dat er geen tweede vloed zou komen – is (aan) ons gegeven. We hebben geen enkele garantie, dat de door onszelf voortgebrachte vloedgolven – en dat zullen geen watervloeden zijn, maar vuur vanuit de lucht -, ons niet zullen treffen.

Deze overwegingen werpen de vraag op: wat heeft het Evangelie hierover te zeggen, in dit ons tijdsgewricht? Wat heeft het te zeggen over het leven op deze planeet, over zijn begin en zijn einde en wat is de aan de mens toegemeten ruimte? Wat heeft het te zeggen over de betekenis van de aarde, het verloop van de geschiedenis van de mensheid en dan met name met het oog op de onmetelijke grootheid van het heelal? Wat heeft het te zeggen over de korte tijdsperiode, die aan deze planeet en het leven daarop is toegemeten, althans kort in vergelijking met de onvoorstelbare lengte van het uitdijende heelal.

Zulke vragen werden tot nu toe maar zelden opgeworpen, in het catechetisch onderwijs niet en in de prediking evenmin. De centrale thema’s van het christendom waren steeds het drama van schepping en val, van redding en

voleinding. Maar soms verschuiven vragen van de periferie ineens naar het centrum van een gedachtensysteem, niet om theoretische redenen, maar omdat zulke vragen voor velen ineens vragen van leven en dood waren geworden. Zo’n soort beweging heeft zeer dikwijls plaatsgevonden in de geschiedenis van de mensheid, ook in de geschiedenis van het christendom. En als dat gebeurde, dan veranderde dat de visie van de mens op zichzelf in alle opzichten, zoals het ook het verstaan van de christelijke traditie veranderde, in allerlei opzichten.

Het zou heel goed kunnen zijn, dat wij nu op zo’n momentum leven, en dat de vraag betreffende de verhouding van de mens tot de aarde en het heelal op termijn het eerste punt van zorg zal worden, m.n. voor mensen, die daar gevoelig voor zijn en erover nadenken. Als dit zou gebeuren dan kan het christendom zich zeer zeker niet terugtrekken op het quasi-zekere terrein van haar oude vragen en antwoorden, maar het zal zich vooruit gedreven moeten weten en wegen moeten durven inslaan in de ruimte van de menselijke geest om zo nieuwe antwoorden te geven op vragen, die nog niet eerder gesteld werden, zoals die wij zojuist stelden, maar tegelijkertijd moet het niet verzuimen in de richting van het eeuwige te wijzen, wat de bron en het doel van de mens en zijn wereld is.

De situatie waarin wij verkeren is grotendeels tot stand gebracht door de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen, die in deze eeuw hebben plaatsgevonden. Het is even dwaas als onzinnig om hierover een klaagzang aan te heffen. Want zo zijn de feiten nu eenmaal: voor ons ligt een terrein, dat door de mens is geschapen en dat zich veel verder uitstrekt dan het gebied, dat hem door de natuur was aangereikt, toen hij daar voor het eerst uit voortkwam. Zo is het en het verandert ons leven en onze gedachten en gevoelens in alle opzichten, hetzij bewust of vaker onbewust. Studenten van deze tijden zijn niet meer dezelfde als van de voorgaande generaties. De hoop, die mensen vandaag de dag koesteren en waarover men zich bezorgd maakt staat vaak ver af van de ouderen onder ons en zij begrijpen dat niet. Als wij de afstand tussen onze beide generaties met welke andere generatie in vroeger tijden vergelijken dan is de afstand werkelijk immens geworden.

Aangezien de wetenschap en haar toepassingen de mensheid deze duw voorwaarts heeft gegeven, moet de wetenschap dan ook niet zelf het laatste woord hebben over de mens, zijn aarde en het heelal? Is de religie inderdaad niet vaak terzijde geschoven, omdat zij deze dingen probeerde te onderzoeken en zich mengde in de ontwikkeling van de wetenschap? Dat is zeker in het verleden gebeurd en het gebeurt eigenlijk nog steeds. Maar het is niet de godsdienst zelf, die zich ermee bemoeit; het is de bezorgdheid, angst en het fanatisme van godsdienstige mensen, zowel leken als vaktheologen, die

herkenbaar zijn aan hun afkeer van serieus willen nadenken en die niet bereid zijn onderscheid te maken tussen de beeldende taal van de religie en de abstracte voorstellingen van het wetenschappelijk onderzoek. Maar in vele delen van de christelijke wereld is deze misvorming en dit misbruik van de religie overwonnen. Daar kan men vrijuit in naam van de religie spreken over de mens en zijn aarde, zonder dat men de bedoeling heeft ook maar iets aan de wetenschappelijke of historische kennis toe te voegen of dat men er op uit zou zijn een wetenschappelijke theorie, hoe stoutmoedig die ook is, te verbieden.

Wat heeft het Evangelie dan (wel) te zeggen over de mens en zijn situatie in deze wereld? Psalm 8, die honderden jaren voor het begin van de christelijke jaartelling is geschreven, stelt in feite dezelfde vraag, in heldere taal en in prachtige bewoordingen. Aan de ene kant wijst hij op de oneindige kleinheid van de mens in vergelijking met het heelal van de hemel en de sterren, maar aan de andere kant is er ook de verbazingwekkende grandeur van de mens, zijn glorie en eer, zijn macht over alle geschapen dingen en zijn bijna gelijkheid aan God Zelf. Zulke gedachten komen we niet vaak tegen in de Bijbel. Maar als we ze tegenkomen, dan lijkt het net, alsof ze in onze eigen tijd zijn geschreven. Zodra het universum werd open gelegd door de moderne wetenschap en de ‘grote’ aarde gereduceerd werd tot een kleine planeet in een oceaan van hemellichamen, vanaf dat moment begon het de mens echt te duizelen t.o.v. die oneindige ruimte.

Het voelde alsof hij uit het middelpunt van het heelal was weggeslingerd in een ondeduidend hoekje ervan en hij begon zich bezorgd af te vragen: wat blijft er zo over van de hoge roeping en bestemming van de mens, zoals die eeuwenlang geponeerd was? Wat blijft er over van de gedachte, dat het beeld van God in zijn natuur was ingebracht? Wat bleef er over van het verhaal, dat het christendom zichzelf altijd beschouwde als het punt van waaruit de redding van alle mensen moest plaatsvinden? Wat bleef er over van de Christus, die in het Nieuwe Testament wel de Heer van de kosmos wordt genoemd? En wat moest men denken over het einde van de geschiedenis, in bijbelse taal beschreven als een kosmische catastrofe, waarbij de zon, maan en sterren misscien weldra op de aarde zouden vallen? Wat blijft er over – in onze huidige kijk op de werkelijkheid – van de belangrijkheid van de aarde en van de glorie van de mens? En wat blijft er verder over van de betekenis van de christelijke visie op de geschiedenis van de mensheid met in haar ‘midden’ de verschijning van de Christus, wanneer het mogelijk schijnt te zijn, dat er ook nog andere wezens bestaan op andere hemellichamen, in wie het beeld van God ook duidelijk aanwezig is en naar wie Gods gedachten ook uitgaan en die Hij ook met eer en glorie heeft gekroond?

Deze vragen zijn niet louter theoretisch. Zij zijn cruciaal voor ieder zelfverstaan van de mens, die zichzelf ziet als menselijk wezen geplaatst op deze ster, in een onvoorstelbaar uitgestrekt heelal van sterren. En deze vragen zijn niet alleen verwarrend voor wie zich gegrepen weet door het Evangelie, maar evengoed voor hen, die het Evangelie afwijzen, maar die smane met het christendom het geloof delen, dat de geschiedenis ergens goed voor is en dat het leven van de mens een uiteindelijke betekenis heeft.

Nogmaals, de achtste Psalm lijkt wel vandaag geschreven te zijn. – “U hebt hem een weinig minder dan God gemaakt; U hebt hem heerschappij gegeven over de werken van Uw handen”. Als voorbeeld wordt het heersen van de mens over de dieren gegeven, maar sinds de moderne technologie alle sferen van de natuur onder beheer van de mens heeft gesteld, heeft de zinsnede “een weinig minder dan God” zijn eigenlijke betekenis onthuld. De verovering van de tijd en de ruimte heeft de banden, waarmee de mens gebonden was aan zijn eindigheid, losser gemaakt. Wat ooit werd voorgesteld als alleen voorbehouden aan de goden, is nu dagelijkse werkelijkheid geworden, toegankelijk gemaakt door de technische mogelijkheden van de mens. Geen wonder, dat wij de Psalmdichter gelijk geven, als hij zelgt, dat de mens “een weinig minder dan God” is en dat sommigen onder ons zich zelfs gelijk aan God voelen en dat nog verder op deze gedachte doordenkend anderen niet zullen aarzelen om publiekelijk te beweren, dat de mensheid, als een collectieve gedachte, God heeft vervangen.

We hebben dus te maken met een verbazingwekkend feit, dat dezelfde gebeurtenissen, waardoor de mens verdreven werd van zijn plaats als middelpunt van de wereld en waardoor hij gereduceerd werd tot iets van geen (enkele) betekenis, dat diezelfde gebeurtenissen hem tegelijkertijd omhooggestuwd hebben tot een God-gelijke positie, zowel op aarde als daarbuiten!

Kan er een antwoord gevonden worden op deze contradictie? Laten we naar de Psalmdichter luisteren: hij zegt niet dat de mens heerschappij heeft over alles of dat de mens iets minder dan God is; hij zegt ... “Gij hebt hem heerschappij gegeven over de werken van uw handen; Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan God”. Dit betekent dat noch de grootheid noch de kleinheid van de mens uit hemzelf voortkomt, maar dat er iets is dat boven deze tegenstelling uitstijgt. De mens komt, samen met alle dingen, uit Hem voort, die alle dingen onder zijn voeten heeft geplaatst. De mens komt voort uit dezelfde Grond als waaruit het heelal met al zijn sterrenstelsels voortkomt. Het is deze Grond, die grandeur geeft aan alles, hoe klein dat ook is, aan atomen, maar ook aan planten en dieren; en juist dat maakt alle dingen klein, hoe groot(s) ze ook zijn en dat geldt zowel voor de sterren als voor de mens. Zo

krijgt wat ogenschijnlijk betekenisloos is betekenis. Zo krijgt het leven van ieder individu betekenis, maar ook de mensheid in haar geheel. Dit antwoord brengt onze bezorgdheid over onze kleinheid tot bedaren en het matigt onze trots op onze ‘grootheid’. Ditantwoord is niet uitsluitend bijbels, ook niet uitsluitend christelijk of zelfs religieus. Dat dit antwoord waar is wordt door een ieder van ons aangevoeld, zodra wij ons bewust worden van de situatie, waarin wij verkeren, dat wij niet van onszelf zijn, dat onze aanwezigheid op deze aarde niet iets van of uit onszelf is. Wij zijn tot stand gekomen en gevormd door dezelfde energie als waaruit ook het universum en de aarde met alles erop en eraan is voortgekomen, een energie in vergelijking waarmee wij oneindig klein zijn, maar het is tegelijk ook een energie, die ons, zodra we ons dat bewust worden, grandeur geeft temidden van alle andere schepselen.

II

Laten we ons nu opnieuw de woorden te binnen brengen, die God sprak in het verhaal van de zondvloed: “Ik heb er spijt van de mens gemaakt te hebben”. Deze woorden brengen nieuwe elementen naar voren in ons denken over de mens en ‘zijn’ aarde, namelijk oordeel, frustratie en tragedie. Geen enkel ander thema wordt in de Bijbel noch ergens anders zo indringend en voortdurend besproken als dit. De aarde is onnoemelijk vaak door de mens vervloekt, omdat ze hem tezamen met alle leven, inclusief alle daarmee verbonden misère, heeft voortgebracht en dit vormt tevens de tragedie van de geschiedenis van de mensheid. Deze aanklacht tegen de aarde klinkt door onze hele huidige cultuur heen en dat is ook begrijpelijk. We klagen haar aan in onze artistieke uitingen, in romans en dramastukken, in schilderkunst en muziek, in het denken over en beschrijven van de menselijke natuur door filosofen. Maar misschien nog wel belangrijker is de aanklacht hoorbaar in het stilzwijgen, dat we horen in onze cynische afwijzing van hen, die “Ja” tegen het leven zeggen en wanneer we er afstand van nemen en ons afzijdig houden van hen, die vertoeven in de krochten van geestelijke verwarring en ziekten, of wanneer we het leven ‘kunstmatig’ boven zichzelf uit laten stijgen of tot onder zichzelf (laten) degraderen door drugs en andere vormen van verdoving of wanneer datzelfde plaatsvindt door sociale drugs als banaliteit en conformiteit. Dit zijn allemaal verschillende manieren waarop wij een aanklacht indienen tegen de lotsbestemming, die ons in dit universum en op deze planeet heeft geplaatst, want “Gij kroont hem met eer en glorie” zegt de Psalmdichter. Maar velen van ons verlangen ernaar om van die glorie af te komen en wensen wel, dat we die nooit bezeten hadden. We verlangen ernaar terug te keren naar een toestand van schepsel-zijn, waarin we ons niet bewust zijn van onszelf en onze wereld en

ons kunnen beperken tot het bevredigen van alleen maar onze animale behoeften.

In het verhaal van de zondvloed gaat het God aan zijn hart, dat Hij de mens gemaakt heft en is Hij het, die het besluit neemt om de mens van de aarde weg te vagen. Maar nú is het de mens zelf, die in staat is zichzelf weg te vagen en vaak gaat het hèm aan zijn hart, dat hij mens geworden is en verlangt hij ernaar om van zijn mens-zijn af te komen. Veel meer mensen dan wij denken - en met wie wij dagelijks omgaan - voelen deze wens aan en misschien is er iets in ons dat daar een antwoord op weet? Zou het kunnen gebeuren, dat de aarde, wanneer deze volledig ontdekt en veroverd is door de mens, ophoudt een plaats te zijn, waar de mens wil wonen? Zijn onze hartstochtelijke excursies in de ruimte misschien een onbewuste uitdrukking daarvan, dat de mens de aarde wil ontvluchten? Men kan deze vragen niet afdoende beantwoorden, maar men moet ze wel stellen, want ze stellen ons onjuiste gevoel van zekerheid over de relatie tussen de mens en de aarde aan de kaak.

Het oude inzicht, dat “de mens slechts een vreemdeling op aarde is” klinkt als een echo in deze vragen door en is momenteel in feite van toepassing op de mensheid als geheel. De mensheid zelf is immers als een pelgrim op weg over deze aarde en er zal een moment aanbreken, waarop deze pelgrimstocht is afgelopen, op een oneindig ver verwijderd tijdstip, of misschien wel spoedig, in de nabije toekomst. Het christendom geeft geen aanwijzingen over de vraag, hoelang de geschiedenis van de mensheid zal duren; de vroege kerk verwachtte ieder moment het einde en toen dat niet aanbrak en veel christenen daarover hevig teleurgesteld waren, werd de tijdsspanne uitgebreid. Momenteel zeggen wetenschappers, dat de geschiedenis van de mensheid wel miljoenen jaren zou kunnen duren. Miljoenen jaren, duizenden jaren of zal het morgen al zijn? – we weten het niet! Maar we hebben te maken met deze vraag: wat is de betekenis van deze geschiedenis, wanneer die ook maar begon en wanneer die ook maar eindigt? En in deze tijd vragen we niet zozeer, wat de geschiedenis voor u en mij betekent, maar eerder: welke betekenis heeft zij in het licht van het heelal en wat is haar uiteindelijke bestemming!

Het oude verhaal vertelt, dat God er spijt van had de mens gemaakt te hebben. Dit impliceert, dat God een risico nam, toen Hij de mens schiep en ieder risico brengt de kans op een mislukking met zich mee. God zelf beschouwde de schepping van de mens als een vergissing/mislukking en Hij gunde zichzelf een herkansing. Maar niets kan ons ervan verzekeren, dat deze herkansing wel zal slagen. Volgens het eerste verhaal voerde de natuur het oordeel van God uit, maar nu zou de mens zelf wel eens de uitvoerder ervan kunnen zijn. Als dat zou gebeuren dan is het gedaan met de bevoorrechte positie van de mens op aarde, waarover de astronomen spreken en waarin de mens altijd geloofd

heeft. En dan lijkt het ook zo te zijn, alsof de unieke rol die hem verleend was, vergeefs is geweest.

We moeten dit soort gedachten niet wegschuiven, want zij verdienen het om serieus overwogen te worden. In elk geval schijnt het mij toe, dat het voor mensen, die willen nadenken, onmogelijk is om deze gedachten onbesproken te laten. En wat heeft het Evangelie er over te zeggen? Ik herhaal nogmaals, dat het Evangelie ons niets vertelt over de duur van onze geschiedenis. Het zegt ons niet, dat zij na morgen zal verder gaan en ook niet hoe haar einde er wetenschappelijk gesproken uitziet. Daar stelt het Evangelie ook geen belang in. Wat het Evangelie ons wel vertelt is, dat de betekenis van de geschiedenis boven haarzelf uitstijgt en dat daarom haar duur van geen enkel belang is ten opzichte van haar uiteindelijke betekenis. Maar de tijd doet er natuurlijk wel degelijk toe, als het gaat om de ontelbare kansen die zij aanreikt voor de schepping van leven en geest en daar moeten we ons met al onze krachten voor inspannen.

Verder is het zo, dat als de geschiedenis morgen zou eindigen doordat de mensheid zichzelf vernietigt, dan nog zou het aanzijn van deze planeet en de mens daarop toch niet vergeefs geweest zijn. Immers, al zou een wezen maar minstens één keer verschenen zijn – gedurende de miljarden jaren van het heelal – naar wiens schepping alle krachten van het leven op aarde toegewerkt hebben, nl. naar dat wezen, waarin het beeld van de goddelijke Grond van alle leven present zou zijn. Een levend wezen zal tot bestaan moeten komen, al was het maar één keer, waarin het leven aan de dag trad en wel het hoogst mogelijke: (de menselijke) geest! Dit is nu precies de ultieme bron van de menselijke grandeur en wie onder ons openlijk of in bedekte termen het leven aanklaagt, die zou zich moeten openstellen voor deze waarheid: in de korte tijd van ons leven en in de korte duur van de geschiedenis van de mensheid en zelfs van het bestaan van deze planeet, gebeurde iets van eeuwige betekenis – de diepte van alles kwam duidelijk openbaar in één wezen en de naam van dat wezen is de mens en u en ik zijn mensen!

Als we dit echter niet kunnen aanvaarden en stellen, dat het zo geweest had kunnen zijn, maar dat het zo niet gegaan is en beweren, dat de mensheid enkel ‘boosheid’ is en aangetast is door de mensenlijke schuld en dat het bloed van de vermoorden vanuit alle tijden tot de hemel schreeuwt om wraak, zodat zelfs God wel spijt moest krijgen van zijn schepping, laten we dan nog even nadenken over deze woorden: “De mens Noach vond genade in Gods ogen”. Deze ene mens vertegenwoordigt iets in ieder mens, dat hem tot een spiegel maakt van het goddelijke ondanks alle kwaad en afwijking. En het Evangelie gaat verder: er is één mens, in wie God zijn beeld ongeschonden aantrof en die zo staat in naam van de gehele mensheid – die Ene, die daarom genoemd

wordt Zoon van God en de Christus. De aarde, die door de mens bedorven was, wordt ook weer gezuiverd en gewijd door de mens, namelijk door de goddelijke kracht van heling en vervulling, van liefde en gezegend zijn, dat zichtbaar werd in die ene mens en werkzaam is in de mensheid als geheel, in alle perioden van de geschiedenis en op alle plaatsen. Dit is het wat de geschiedenis rechtvaardigt, en ook de aarde, die gedurende miljoenen jaren de komst van de mens voorbereidde en dit rechtvaardigt het heelal, die de aarde voortbracht.

En toch wordt het heelal niet alleen gerechtvaardigd door de aarde en de schepping ook niet alleen vanwege de mens. Andere hemellichamen, andere geschiedenissen, andere schepselen waarin het geheim van het zijn aanwezig is kunnen onze plaats innemen. Onze onwetendheid en onze vooroordelen moeten er niet toe leiden, dat wij de aarde en onze geschiedenis en zelfs het christendom niet zouden kunnen transcenderen. De wetenschap en poëtische verbeelding hebben deze sprong al gemaakt en het christendom moet niet aarzelen hierin mee te gaan. Verder moet het ook niet aarzelen te laten zien, dat de ervaring van christenen met de macht en de glorie van God een onuitputtelijke goddelijke creativiteit impliceert, die de grenzen van de aarde of van de mens en welk deel van of toestand in het heelal ook maar overschrijdt.

Dit houdt in, dat we niet kunnen zoeken naar een begin of een einde van het heelal binnen de grenzen van het verleden en de onmeetbare toekomst. “Begin” en “einde” liggen niet zozeer achter of vóór ons, maar zij liggen bóven ons, in het eeuwige. Alles komt uit het eeuwige vandaan en alles gaat daar ook heen (terug), op ieder moment van het leven en van de geschiedenis, op ieder moment van onze planeet en van het universum, waartoe het behoort. De schepping omvat zowel het verleden als het heden. De voleinding omvat zowel de toekomst als het heden. En in het heden ontmoeten het verleden en de toekomst elkaar, want beide komen uit het eeuwige voort en gaan er ook heen.

Het vraagstuk van de mens en ‘zijn’ aarde is een vraagstuk, dat onze tijd met zorg vervult en een conflict oproept tussen ons denken en ons voelen. Zonder dat men zich bewust is van het eeuwige kan men deze vraag niet aan. Immers, alleen het eeuwige kan ons bevrijden van het gevoel dat men zich verloren voelt bij het nadenken over de tijd en de ruimte van het heelal. Alleen het eeuwige kan ons bevrijden van de angst, dat we maar een stukje stof zijn in een draaikolk van atomen en electronen. Alleen het eeuwige kan ons de zekerheid geven, dat de aarde – en daarmee de mensheid – niet vergeefs heeft bestaan, zelfs al zou de geschiedenis morgen aan haar einde komen. Immers, het laatste einde is waar ook het begin ligt, namelijk in Hem bij Wie “duizend jaar zijn als de dag van gisteren”.

 

Lees meer uit: Het Eeuwige Nu

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.