Dialoog over 'ultimate concern'

Paul Tillich in gesprek met docenten en studenten over ‘ultimate concern’ (1e dialoog)

De voorzitter was Prof. Donald Mackenzie Brown van de afd. Religieuze Studies aan de Universiteit van Californië in Santa Barbara (uitgegeven in 1965)

Omdat het begrip ‘ultimate concern’ een belangrijke term is in de filosofie van Paul Tillich leest u hieronder een discussie over de betekenis en reikwijdte van dit begrip. In het Engels is het geen eenduidig duidelijke term en dat komt waarschijnlijk, omdat Tillich het vanuit het Duits heeft vertaald: was uns unbedingt angeht? In het Nederlands is het ook lastig om een equivalent te vinden: ‘uiterste zorg’, ‘dat wat ons ten laatste aangaat’ of ‘het allerbelangrijkste’ e.d. zijn pogingen om de betekenis zo goed mogelijk te treffen. Daarom heb ik het vaak onvertaald in de tekst laten staan.

De eerste dialoog

Nu ik deze noodzakelijke, maar onvolledige schets heb gegeven van de theologie van Paul Tillich (zie op deze website onder Hoofdlijnen van zijn theologie) zou ik hem willen vragen of hij op dit moment nog enig commentaar wil geven of enkele vragen in petto heeft, anders kunnen we overgaan tot de vragen van en de discussie met de deelnemers aan dit seminarie.

Twee godsdienst-begrippen

Dr. Tillich: Ik dank u zeer. Ik denk dat we nu duidelijk die principes in beeld hebben, die in het bijzonder van belang zijn voor onze discussie. Uiteraard zjn er nog vele andere problemen te noemen, maar ik geloof dat dit de belangrijkste zijn. Misschien mag ik de zaak op één punt nog net iets anders formuleren, omdat dat zo fundamenteel is voor deze seminar in zijn geheel.

Achter dit systeem, zoals impliciet aan de orde gesteld, gaan twee opvattingen over religie schuil. En omdat dit feit zo fundamenteel is zullen we dit uitvoeriger met elkaar bespreken, maar toch moet er hier alvast een algemene opmerking over gemaakt worden, namelijk deze: als religie wordt gedefinieerd als een toestand van ‘gegrepen zijn door wat ons ten laatste aangaat’ – wat ook mijn definitie van geloof is – dan moeten we dit als een universeel of breed concept onderscheiden van ons gebruikelijke, kleinere begrip voor religie, die een georganiseerde groep veronderstelt met een geestelijkheid, heilige geschiften en dogma’s; zij hebben een serie symbolen voor dat ‘ultimate concern’ geaccepteerd en deze cultiveren deze mensen in hun leven en denken. Dit laatste is religie in een ‘engere’ zin van het woord, terwijl religie gedefinieerd als ‘het allerbelangrijkste’ religie in de meer brede zin van het woord is. Deze onderscheiding betreffende dat grotere concept verschaft ons het criterium, waarmee wij de concrete godsdiensten kunnen beoordelen, die vallen onder dat kleinere, traditionele concept. Bepaalde godsdiensten zijn inherent ontvankelijk voor kritiek, die hen in leven houdt

of hen veroordeelt om op te houden te bestaan, indien zij zich al of niet kunnen kwalificeren krachtens dit ultieme beginsel.

Daarom is het ook, dat ik in mijn boekje Het christendom in de ontmoeting met wereldgodsdiensten het begrip quasi-godsdiensten heb besproken, ik bedoel daarmee ideologiën zoals het nationalisme of het socialisme, die loyaliteit en verering van hun volgelingen vragen met soms een zelfde intensiteit als de theïstische godsdiensten van hun aanhangers vragen. De term ‘quasi-godsdienst’zou betekenisloos zijn als we godsdienst alleen zouden definiëren in de engere, smallere betekenis van het woord.

Dus in het licht van de bredere opvatting kunnen we wel begrijpen, dat ‘het allerbelangrijkste’ ook aanwezig is in wat wij doorgaans het seculiere of profane terrein noemen. In Europa heeft het woord ‘profaan’ niet die negatieve connotatie, die het in het Engels heeft gekregen, want daar heeft het de betekenis behouden van het oude Latijnse ‘pro fanum’ d.i. ‘buiten de deuren van het heilige’, op de marktplaats, wat op zichzelf niet iets slechts of negatiefs is. Ook deze seculiere of profane werkelijkheid kan haar ‘ultimate concern’ uitdrukken en zo ontstaat dan het begrip ‘quasi-religie’. Maar de quasi-godsdiensten vallen onder dezelfde kritiek als de godsdiensten zelf. Die staan namelijk ook bloot aan hetzelfde gevaar, namelijk van volledige secularisering en ontlediging, terwijl de eigenlijke godsdiensten, in de engere betekenis bedoeld, bloot staan aan het gevaar van wat ik ‘demonisering’ noem en dat is aan de orde, wanneer bepaalde symbolen en ideeën verabsoluteerd worden en zelf een soort ‘afgoden’ worden. We hebben dus te maken met twee tegenovergestelde gevaren: aan de ene kant is er wat we ‘secularisering’ kunnen noemen (ik geef echter de voorkeur aan het begrip ‘profanisering’) – d.i. een proces van ontlediging en materialisering zonder dat er meer sprake is van ‘het allerbelangrijkste’ en aan de andere kant vindt demonisering plaats, wanneer een bepaald religieus symbool, groep, gebruik of wereldbeschouwing – of wat ook maar – iets van absolute betekenis wordt. Uitgaande van deze beschouwingen kunnen we misschien de problemen van de wereldreligies tegemoet treden.

Student: Kunt u misschien een scherper onderscheid maken tussen wat u verstaat onder godsdienst in ‘engere’ en in ‘bredere’ zin? Wat zijn precies de verschillen?

Dr. Tillich: Welnu, de doorsnee gedachten, die we verbinden met het woord ‘godsdienst’ zijn: een tempel binnengaan, naar de kerk gaan, behoren tot een kerk, secte of godsdienstige beweging, het erop nahouden van bepaalde symbolen van of gedachten over God, het uitvoeren van bepaalde sacramenten of handelingen. Daar houden godsdienstige groepen zich bewust mee bezig. En dat is ook zo, als we spreken over de wereldgodsdiensten, dan denken we - om deze groepen te karakterizeren - aan hun gedachten/opvattingen en hun praktische en denkbeeldige symbolen (of: aan hun symbolen, die uitdrukking geven aan hun gedachten en activiteiten). Maar als we verder kijken moeten we zeggen, dat religie ‘meer’ is dan dit. Religie d.i. een ‘uiterste zorg’ t.a.v. de betekenis van iemands leven en de zin van het ‘zijn’ als zodanig, dat komt toch ook in andere vormen tot uitdrukking? Het komt bijv. naar voren in de schilderkunst, die misschien geen traditioneel godsdienstige inhoud als zodanig heeft. Of het komt naar voren in de filosofie als een ‘uiterste zorg’ waarin een filosoof de werkelijkheid probeert te verstaan. Of het komt naar voren in een politieke gedachte. Het idee ‘democratie’ heeft zo’n karakter bereikt voor sommige westerse landen, zoals het communisme voor sommige oosterse landen en het nationalisme voor bijna alle landen in de wereld.

We hebben dus met twee concepten te maken en de ‘engere’ betekenis is die welke je waarschijnlijk zult vinden in de meeste woordenboeken, als je op zoek bent naar de betekenis

van ‘godsdienst’. Misschien wil een van jullie dat even opzoeken en kijken of het inderdaad dat eerste concept levert, of misschien ook nog wel dat tweede? Nu zou het interessant zijn als een woordenboek ook dat tweede concept vermeldt, maar het zou mij ook verbazen. Hoe dan ook, als je wilt weten wat godsdienst in ‘engere zin’ betekent, dan kun je terecht bij in feite ieder woordenboek. Maar wat religie in ‘bredere zin’ inhoudt, dat betreft een bijzondere ontwikkeling in de filosofische interpretatie van wat religie is en ik zou eraan willen toevoegen ook een gevolg is van gebeurtenissen in sommige belangrijke godsdiensten, die in een bepaald opzicht zelfs anti-religieus zijn. Zo kunnen we misschien wel zeggen, dat in die zin Jezus anti-religieus was en Buddha ook en nog wel enkele anderen, die we later zullen bespreken.

(anti-religieus in die zin, dat zij bepaalde godsdienstige instellingen uitdaagden)

Wat betekent ‘uiterste zorg’ , ‘het allerbelangrijkste’ (ultimate concern) eigenlijk?

Student: mijn vraag gaat over dit ‘ultimate concern’, waarover u sprak. Ik heb uw boeken gelezen en deze gedachte met verschillende mensen, die ik ken, besproken, zowel in als buiten de kerk. De gedachte schijnt wel door bijna iedereen begrepen te worden. Ik bedoel, dat mensen die naar de kerk gaan doorgaans een betrokkenheid op het ultieme hebben, op de een of andere manier. Maar soms denk ik dat door ons moderne onderwijssyteem en door de manier waarop de meeste doe-gerichte Amerikanen worden opgevoed, dit idee van gegrepen te zijn door deze ‘zorg’ voor de meeste mensen moeilijk te begrijpen is. Is er op een of andere manier een mogelijkheid om dat te verduidelijken, denkt u?

Dr. Tillich: Ik begrijp je niet helemaal. Wat is er moeilijk aan?

Student: De gedachte gegrepen te zijn door dit ‘allerbelangrijkste’. De meeste mensen hebben een positieve benadering en zij zeggen: Wel, je neemt toch geheel vrijwillig Jezus als je Verlosser aan? Je kunt er toch van uit gaan, dat iemand daar J of Nee op kan zeggen? Maar de andere gedachte, dat je niet bewust zelf iets kiest, maar dat je integendeel gegrepen bent door dit ultieme principe – dat is moeilijk. Hoe moet ik dat zien?

Dr. Tillich: In jouw vragen zitten, denk ik, twee problemen die met elkaar te maken hebben. De ene is het algemene idee van ‘ultimate concern’. Soms lukte het mij dat goed uit te leggen aan mensen, die geshockeerd waren door deze term of niet goed in staat waren om het te begrijpen en dan zei ik: het is iets volledig serieus nemen, ja onvoorwaardelijk serieus. Dat is een bruikbare vertaling. Het is niet zo goed als ‘concern’, maar iets ‘serieus nemen’ is ook een soort ‘zorg’. En deze term is in sommige gevallen makkelijker dan het woord ‘concern’. Als mensen tegen je zeggen ‘Ik heb niets dat ik het allerbelangrijkst vind’ – en dat hebt u allemaal iemand wel eens horen zeggen – vraag zo iemand dan ‘Is er werkelijk niets waarvoor je bereid bent te lijden of zelfs te sterven?’ Dan zul je ontdekken, dat zelfs de cynicus zijn cynisme uiterst serieus neemt, om niet te spreken van anderen, die naturalisten, materialisten, communisten of wat ook maar zijn. Zij nemen wel degelijk iets uiterst serieus!

Dat is de ene kant van je vraag. De andere ging over het ‘gegrepen zijn’. Als je weet wat het is, wat een persoon zo serieus neemt, dan kun je zeggen: ‘Hij is er door gegrepen’. Dat betekent, dat gedurende zijn leven, deze betrokkenheid niet voortgebracht werd door actieve, erover nadenkende en vrijwillige processen, maar het kwam naar hem toe, misschien al heel vroeg, en het ging nooit meer weg. Neem de wetenschapper. Als hij in de wetenschappelijke traditie is opgegroeid, dan is hij bereid om iedere bijzondere vinding/vondst uit zijn

wetenschappelijke werk op te geven (want die zijn voorlopig, nooit finaal), maar hij zal nooit zijn wetenschappelijke houding an sich opgeven, ook niet als een tiran dat van hem zou eisen. Of, als hij niet sterk genoeg zou zijn om dat te weerstaan, dan zou hij het opgeven met een slecht geweten. En iedere communist, die het communisme serieus neemt, zou hetzelfde doen. Dat komt omdat we ‘gegrepen zijn’. We kunnen het niet zelf ‘maken’ en we kunnen niet zeggen: ‘ik ga dit of dat tot mijn ‘uiterste zorg’ maken, want het heeft ons al gegrepen (te pakken), als voordat we er over beginnen na te denken.

Welnu, als het om religie in eigenlijke zin of religie in die ‘engere’ betekenis gaat dan zijn er twee manieren, waarop dat ‘gegrepen worden’ gebeurt. De ene manier is precies dezelfde als die voor de wetenschapper, de communist, de nationalist of de Amerikaanse liberale humanist geldt: men is er in opgegroeid. Het heeft betekenis voor hen. Ze willen er voor strijden en men wil het nooit opgeven.

Maar anderzijds gebeurt het ook soms, dat een of andere vorm van ‘ultimate concern’, die anders is dan die waarin wij opgroeiden, van buitenaf op ons toekomt. Dat geldt voor de missionaire situatie of voor de situatie, die we doorgaans die van ‘bekering’ noemen. En er zijn ook minder dramatische manieren. Plotseling tijdens het lezen van een boek of in gesprek met een vriend vindt er bij ons een ‘klik’ plaats, terwijl het daarvoor geen betekenis voor ons had. We hadden er wel ooit van gehoord en het misschien ook wel begrepen tot op zekere hoogte, maar er was nog geen ‘klik’ – en dan plotseling is het er! Dit is een meer intellectuele type bekeringservaring, maar op de lange duur kan het veel gevolgen hebben.

Het woord ‘gegrepen’ komt eigenlijk uit het Duits. Misschien is het iets te sterk uitgedrukt en je vrienden kunnen het gevoel hebben dat dat altijd een dramatische bekeringservaring betreft. Maar dat is in het geheel niet het geval! Het betekent eigenlijk alleen, dat we het niet zelf ‘maken’, maar dat we het in onszelf ‘vinden’. Het kan zich geleidelijk ontwikkeld hebben, maar soms is het het resultaat van een dramatische ervaring. Maar het gebeurt echt niet door er een methode voor te ontwikkelen om dit te bereiken – dat is mijn kritiek op de piëtistische opvattingen over bekering. Deze kritiek heeft in feite niets te maken met de Methodistische kerk, waar dit type bekering even zeldzaam is als in alle andere grote kerken. Maar ik heb hier het woord ‘methode’ gebruikt, zoals de Piëtisten en de revival-christenen deden, waarmee men bedoelde, dat, om te worden ‘gegrepen’, men dat door een dramatische ervaring moest ondervinden. Ik ben mordicus tegen dergelijke opvattingen. Natuurlijk kan dit gebeuren, maar als men er een methode van gaat maken en erop staat, dat het zo moet gebeuren, dan hebben onze vrienden gelijk, als zij zeggen, dat ze dat niet begrijpen. Voor mijzelf kan ik dat ‘gegrepen’zijn niet zien als een dramatische gebeurtenis.

Student: Ik zat meer te denken aan een christelijke term bijv. het concept van het mystieke lichaam, dat ingeplant wordt, niet noodzakelijkerwijs bij de doop, maar in de persoon. En als de persoon zich bewust wordt van die kracht in zichzelf, dan begint hij er zijn wereldse natuur steeds meer aan over te geven. En zo groeit die kracht in hem door.

Dr. Tillich: Inderdaad is ‘ingeplant’ geen gek idée – tenminste, voor een speciaal gebruik bedoeld dan. Ik bedoel, je hebt het hier over de christen, die naar de kerk gaat. Maar er zijn ook nog al die andere typen, die Prof. Brown en ik al genoemd hebben. Die andere typen ervaring zijn ok verschillend, meer dialectisch. Maar het is erg interssant, dat je hier het woord ‘inplanten’ noemt; ik denk dat het heel goed de kerkmensen in een goede zin van het woord beschrijft.

Student: Wat zou u vinden van de term ‘overrompeld door’?

Dr Tillich: Dat is een dramatische gebeurtenis, die zeker kan plaatsvinden. Dan is het woord ‘overrompeld’ een goed woord ervoor.

Student: ‘Gearresteerd worden door?”

Dr. Tillich: Ja, dat is ook een dramatische term. ‘Gearresteerd’: ik heb een preek, ik meen in The Eternal Now waarin ik spreek over ‘gearresteerd worden door God’. Ik denk dat dit woord klopt in bepaalde gevallen en ik ben blij dat we nu plotseling vele termen op het spoor komen. We kunnen ze allemaal gebruiken, als het woord ‘gegrepen’ ons niet aanstaat.

Student: Het komt mij voor, dat bijna al deze termen een min of meer permanente stand van zaken inhouden, een impliciete ontkenning, wellicht, van de vrije wil, wat mij een beetje dwars zit. Ik wil graag, dat u dat ‘gegrepen zijn’ nog eens verder uitlegt. We kunnen immers door het ene gegrepen worden en daarna door iets anders, dat er diametraal tegenovergesteld aan is. En daartussen ontstaat dan een zekere spanning. Terwijl we misschien nog wel één kant op lijken te gaan, kunnen we ook heen en weer gaan zweven.

Dr. Tillich: Wel, dit beschrijft eigenlijk precies het leven van veel mensen vandaag de dag. Je hebt daar volkomen gelijk in. Toch is het zo, dat het ultieme dat ons ‘grijpt’ krachtiger dan wat ook zal zijn; het vereist namelijk een beslissing van onze hele persoonlijkheid. Toch wordt het niet geproduceerd door ons eigen intellect of wil; het is iets dat onze beslissing transcendeert. Een goed voorbeeld van waar je naar verwees kan bij Luther gevonden worden, die zegt: “De mens is als een paard, die door een ruiter bereden wordt: het is God of de duivel”. Voor Luther waren dat, natuurlijk, de enige alternatieven. In werkelijkheid zijn er vele, minder extreme ruiters of machten die ons ‘ultimate concern’ vormen, die ons proberen te ‘grijpen’.

Maar wat betreft de vrije wil: we nemen nooit zelf een beslissing in dezen; het komt nooit bij onszelf vandaan. Als dat wel zo was, dan was het niet iets ultiems. Als we zelf de beslissing zouden kunnen nemen dan kunnen we die ook zo weer herroepen. Maar iets uiterst serieus nemen betekent, dat men niet kan zeggen: “Ik zal nu dit met uiterste ernst oppakken en morgen iets anders”. Ik denk dat Luthers beschrijving van de ervaring psychologisch veel zuiverder is, hoewel hij niet ontkende, dat onze persoonlijkheid de vrijheid heeft om eraan deel te nemen of niet – en dat is echte vrijheid. Maar anderszijds wist hij ook heel goed, dat niet wijzelf ons ‘ultimate concern’ ‘maken’ en dat is precies wat met ‘gegrepen zijn’ wordt aangeduid.

Student: Ik heb er moeite mee, dat een traditioneel begrip – in de westerse traditie het woord ‘God’ – vervangen wordt door de term ‘ultimate concern’ en dat daardoor de discussie volstrekt subjectief wordt. Het beschrijft wel hoe we ons t.a.v. dit of dat object voelen, zonder echter dat object te noemen. Het vertelt ons niets over de aard van die ultieme werkelijkheid, behalve dat we er bezorgd om zijn, dat die ons aangaat op de één of andere manier.

Dr. Tillich: Ja, inderdaad en je bent niet de eerste, die dit bezwaar aanvoert. Natuurlijk kunnen we ‘God’ niet vervangen door ‘ultimate concern’, maar we moeten wel begrijpen, dat de term ‘ultimate concern’, zoals de frase vanuit het Duits vertaald is, opzettelijk dubbelzinnig is. Het geeft aan de ene kant aan, dat wij het zijn die uiterst ‘bezorgd’ zijn – dat is de subjectieve kant – en aan de andere kant verwijst het naar een object van onze uiterste zorg, waarvoor geen

ander begrip bestaat dan het ‘ultieme’. In dit verband kan de geschiedenis van de religie(s) beschreven worden als de poging te vinden wat terecht zo genoemd kan worden. En in alle religies werd/wordt dat object ‘God’ genoemd. Of het is een klein fetisj, een gebruiksvoorwerp bij een primitieve stam, of de mana-kracht, die de hele werkelijkheid doordringt of de Olympus met zijn Griekse goden en iedere god in het bijzonder daar of de God van Israël, die door de profetische kritiek uiteindelijk het woord ‘God’ werd – het object is steeds hetzelfde.

Het object voor de ‘ultieme zorg’ heeft vele namen. En we noemen wanneer iets eindigs vereerd wordt als iets ultiems: afgoderij. Dat is het verafgodingsgevaar van iedere religie. Ik heb dat ook wel het demonische gevaar van de godsdienst genoemd. Er zijn wel nuances in aan te brengen, maar we kunnen dit wel het verafgodingsgevaar noemen. En nu is het beslissend om in te zien, dat zelfs het monotheïsme afgodisch kan zijn, wat betekent dat de God van het monotheïsme, de theïstische God, zoals ik dat noem in mijn The Courage To Be, een afgod kan worden zoals een diergod of de halfdier-goden van Egypte. En inderdaad was de henotheïstische God van het oude Israël al een afgod, toen de profeten streden tegen dit misbruik van de God van Israël.

Jouw volgende vraag is waarschijnlijk ‘wat is ultiem’? Wat is het ware object om uiterst bezorgd over te zijn? Het probleem dat zich hier voordoet is, verheft ons beeld van het goddelijke iets eindigs tot iets oneindigs op de verkeerde manier? En hiermee stuiten we ook op het christologische problem en nog andere ook. Zo zie je maar, dat we een abstract begrip als ‘ultimate concern’ niet kunnen losmaken uit de gedachtenwereld, waartoe het behoort. Als we het begrijpen in de context, waarin het voorkomt, is het, zoals bij alle religie-dingen, zowel object als subject. ‘Ultimate concern’ kan nooit alleen iets objectiefs zijn. Daarover sprak prof. Brown toen hij het er over had dat men van God een object maakt. Welnu, dit is een wel erg lang antwoord op een korte vraag!

Student: Bedoelt u dan te zeggen, dat er zonder de gedachten van de mensen niets ultiems bestaat? Als het ultieme afhankelijk is van de zorg van de mens erom in een subject-object relatie, dan verdwijnt het ook wanneer het denken van de mensen ophoudt. Dan is het ultieme afhankelijk van ons denken, toch?

Dr. Tillich: Welnu, dit is eigenlijk dezelfde vraag, maar dan anders geformuleerd. De menselijke geest is de enige geest, die zich bewust is van het ultieme. In die zin is de menselijke geest noodzakelijk om tot godsdienst te geraken. Maar de bergen, die we buiten het raam zien, zijn ook in de handen van het ultieme. Dat is hun ultieme grond, maar zij weten het niet. Zij zijn zich daar niet bewust van – of tenminste, wij kunnen niet vaststellen of zij zich dat bewust zijn. Enkele romantici, echter, m.n. Duitse en hun Engelse volgelingen, hebben het tegendeel uitgedrukt. Zelfs mijn grote leermeester Schelling, een belangrijk filosoof uit de Duitse Romantiek uit de 1e helft van de 19e eeuw, heeft het erover, dat de planten ook een god hebben.

Veel romantici accepteren dit idée en m.n. bij dichters is het gemeengoed. Maar ik zou het niet willen aanvaarden als een theologische of filosofische bewering. Als we zo zouden spreken, bedoelen we in feite dat God God is voor een plant, zoals Hij dat is voor mensen. Maar omdat we niets weten van het innerlijk leven van een plant, kunnen we hooguit op een poëtische wijze zeggen, dat de schoonheid van de plant eer geeft aan God, precies zoals vele Psalmen dat uitdrukken. De gedachte, dat de plant zich bewust is van zijn ‘ultieme grond’ is

iets, nogmaals, dat ik de dichter zou willen toestaan te zeggen, maar ikzelf kan zoiets als theoloog niet beweren.

Dus inderdaad, de menselijke geest is de plek, waardoor (of van waaruit) wij het universum kennen – er kunnen misschien andere plaatsen zijn, maar deze is de enige die wij kennen – hier komt de verhouding tot de grond van het zijn tot bewustheid en brengt veel teweeg, wat wij godsdienst noemen.

Student: Zou u dan willen beweren dat we God slechts kennen vanuit onze eigen religieuze achtergrond, die maar een schaduw is van het ultieme – een glimp ervan? Aangezien een individu slechts in staat is het ultieme te kennen en te ervaren naar de voorbestemde mate, die hem verleend is, dan is de God, die we kennen, maar een omtrek van de grotere God, die buiten het begrip en de ervaring van de mens ligt?

Dr. Tillich: ‘Omtrek’ en ‘schaduw’ zijn niet zulke geschikte metaforen. Ik zou de voorkeur geven aan ‘symbool’of ‘symbolische uitdrukking’. Natuurlijk kun je nooit zeggen, dat God een symbool is, omdat de term God zowel de ‘God boven God’ impliceert ofwel de ultieme grond van het zijn, maar het woord ‘God’ is er tegelijkertijd ook een bijzondere uitdrukking voor/van. Alleen dat laatste heeft het karakter van een symbool. Welnu, het mooiste verhaal hierover is wellicht de dialoog tussen Mozes en God (Ex. 33: 18-23). Mozes wil aan de symbolische kennis van God voorbij. En God zegt hem dan, dat het zien van God van aangezicht tot aangezicht voor hem de dood zou betekenen. Toch mag hij God voorbij zien wandelen en zijn achterkant waarnemen. Dit verhaal is een wonderlijke half-poëtische, half-metaforische uitdrukking van de noodzakelijkheid, dat iedere religieuze taal symbolisch blijft. En daarom zou ik u willen aanraden om metaforen als ‘omtrek’ en ‘schaduw’ te laten vallen. ‘Omtrek’ hebt u misschien geleerd van Karl Jaspers – ik weet het niet. Indien niet, dan ben je even origineel als hij. Hij beschouwt deze ervaring als de omarming van het goddelijke, maar ik denk niet dat dat goed gezegd is. Iedere bewering over dat omhelzen noemt hij een cifre. Hij gebruikt niet het woord ‘symbool’, maar ‘cifre’. Hij zegt dat het het werk van de filosoof en de theoloog is om de ‘cifres’ te ontcijferen en zo de verhouding van het al-omvattende t.o.v. de totale werkelijkheid te begrijpen. Dus met jouw ‘omtrek’ sta je daar niet ver vanaf.

Ik zou echter willen zeggen, dat ik de voorkeur geef aan de metaforische taal van Nicolaas van Cusa, over wie je iets zou moeten weten. Ik verwijs naar een van zijn werken over religievrede in mijn laatste boek (Christianity and the Encounter of the World Religions) en ik zou erg blij zijn, als je de tijd zou vinden om over hem te lezen, al was het maar in een geschiedenis van de filosofie of in een encyclopedie, zodat je een idee krijgt, waarom hij zo belangrijk is met het oog op de problematiek, die wij bespreken. Nicolaas van Cusa is een wiskundige en hij gebruikt daarom graag de metaforen middelpunt en omtrek. Hij zegt, dat God in alles aanwezig is als middelpunt en dat aan de andere kant de hele wereld Zijn omtrek is. Hij is uitgebreid in de wereld en de wereld is samengevat in Hem. Ik denk, dat deze mathematische metaforen meer terzake zijn dan die van Jaspers en van jouzelf. Alhoewel ik blij ben, dat je de term omtrek gebruikte, maar de gecentreerde aanwezigheid van het goddelijke ontbrak er nog aan. Deze kritiek geldt in feite voor de hele idealistische filosofie van Jaspers.

Student: Kan het object van onze ‘ultimate concern’ zowel emotioneel als intellectueel zijn? Is het niet het doel van een kunstenaar wanneer hij een schilderij maakt, dat dit voor een deel emotioneel en intellectueel is?

Dr. Tillich: O, ik zou zelfs verder willen gaan! De term ‘ultimae concern’ alleen al impliceert het emotionele, misschien nog wel meer dan het intellectuele. In mijn boek The Dynamics of Faith bespreek ik in het bijzonder het intellect, de wil, de emotionele kant van de mens en zeg dan, dat een religieuze ervaring altijd alle drie in zich heeft. Daarom is het zo, dat als een schilder zijn artistieke expressie als zijn ‘ultimate concern’ heeft, dan is dat zijn religie. Als niets anders dan zijn artistieke expressie aan de orde is dan nadert hij de grens van afgoderij. De wetenschapper voor wie niets anders dan de wetenschap zijn ‘ultimate concern’ is, loopt datzelfde gevaar. In beide voorbeelden echter zijn alle drie genoemde beslissende functies – het intellect, de emotie en de wil – aanwezig.

Student: Stel dat deze ‘ultimate concern’, die emotineel van aard is, niet betrokken is op God, maar op een object, dat op zichzelf ‘ontroerend’ is. Is dat dan nog wel een geldige religie of is het iets anders?

Dr. Tillich: Geef eens een voorbeeld van wat jij bedoelt met ‘ontroerend’?

Student: Nou, bijv. iets uit de natuur, een boom of een berg.

Dr. Tillich: O, als het over bomen gaat dan ben ik zowat een heiden! Uiteraard was de aanbidding van bomen iets heel belangrijks in het homerische Griekenland. Vele goddelijke machten werden vereenzelvigd met bomen. En dat vinden we bij alle godsdiensten in de geschiedenis terug. Op een tamelijk geseculariseerde manier is dat nog steeds zo bij mijzelf. Maar ik zou ze ondergeschikt maken aan de Logos, laat ik zeggen: de zelf-manifestatie van het goddelijke. Ik zou niet willen proberen ze te transformeren tot onafhankelijke goden. Dat zou afgodendienst zijn. Natuurlijk kan zo’n afgodendienst zomaar ontstaan. Sommige natuurliefhebbers hebben verheven religieuze gevoelens – ik ken er in ieder geval eentje – bij wie vergeten wordt, dat de liefde voor de natuur ondergeschikt is aan de grond van het zijn – en dat omdat men zo enthousiast is over allerlei voorwerpen in de natuur. Ook dan balanceren we op het randje van afgoderij.

Professor: Onze tijd is bijna om. Is er nog een laatste vraag?

(Voor)bestemming of vrije wil

Student: Ik zou graag nog één vraag onder de aandacht willen brengen, die nog niet helemaal beantwoord is, denk ik, namelijk de kwestie van de vrije wil. Begrijp ik u goed, Dr. Tillich, dat u zegt dat het ‘ultimate concern’, dat ons ‘grijpt’ – of welke term we hiervoor ook maar gebruiken – niet een kwestie van vrije wil is? Gaat het aan de vrije wil vooraf, aangezien het aan ons denken en de schepping voorafgaat? Heeft iemand dan geen enkele keuze hierin, aangezien het hem ‘grijpt’ ongeacht zijn eigen wensen? Bedoelt u echt, dat als het werkelijk een ‘ultimate concern’ betreft, dat dat dan buiten onze vrije wil omgaat?

Dr. Tillich: De vrije wil in de discussie tussen determinisme en indeterminisme is voor mij een achterhaalde kwestie. Het is achterhaald, omdat het, voor mij, niet langer betekenis heeft. Het filosofische woord heeft het getranscendeerd en dat is gekomen met en door de opkomst van de fenomenologische methode, die niet allereest de mens objectiveert, hem tot een ding maakt, en dan gaat vragen of zijn gedrag bepaald wordt door noodzakelijkheid of door de contingentie van de omstandigheden. Sinds het opnieuw naar voren komen van de fenomenologische methode na 1900 hebben we duidelijk ingezien, dat als we beginnen bij de mens als ding, het probleem onoplosbaar is. Als we uitgaan van de mens als een object dan is

het determinisme vast en zeker het juiste antwoord. In dat geval is het enige alternatief een onderzoek te doen of het gebruik van deze categorieën terecht is als het gaat over de mens. In feite zijn deze categorieën niet bruikbaar als we de mens willen bestuderen. Als we een fenomenologische beschrijving geven van wat er gebeurt bij een handeling of een morele beslissing, dan weten we dat noch noodzakelijkheid noch contingentie een rol spelen, maar dat we van doen hebben met een totale actie van ons gecentreerde wezen.

Nu noemen we deze totale actie van ons gecentreerde wezen ‘vrijheid’. Tegelijkertijd weten we echter dat deze vrijheid niet absoluut is, maar ingebed is in een matrix, die door onze bestemming gevormd wordt, namelijk of we man of vrouw zijn, deel uitmaken van een bepaald gezin of religieuze traditie of type onderwijs etc. En alle vroegere beslissingen, die we genomen hebben, dragen bij tot de bepaling van wie we nu zijn. Dat zit allemaal in dat proces ‘ingebakken’. Ik noem dat het ‘trekken’ van of naar de bestemming. Dus in plaats van te spreken over contingentie en noodzakelijkheid, geef ik de voorkeur aan de termen vrijheid en bestemming (destiny). Deze fenomenologische beschrijving van daden/handelingen van/in vrijheid geeft een verdere verklaring van mijn oorspronkelijke antwoord op de vraag naar het ‘gegrepen zijn’. Op een andere manier kan dit probleem nooit worden opgelost.

Als we het Nieuwe Testament lezen en dan m.n Paulus, dan ontdekken we, dat hij – en de reformatoren na hem – voortdurend strijdt tegen de gedachte dat wijzelf de aanwezigheid van de Geest van God (d.i. een meer concreet religieus symbool voor ‘ultimate concern’) kunnen voortbrengen of teweeg brengen. Als we dat toch proberen dan vervallen we in de fout, de illusie te denken, dat we zelf (en nu spreek ik in concrete religieuze termen) een genadig God kunnen voortbrengen of de aanwezigheid van Gods Geest of de extase van het ‘ultimate concern’ kunnen tot stand brengen. Wij kunnen dat niet, maar we zijn niet onvrij om het te ontvangen of te accepteren. Dit is, natuurlijk, de basis van het concept ‘vrijheid’ zoals ik dat zelf heb ontwikkeld.

Professor: Onze tijd is om. Is er nog iets wat u zou willen zeggen? Dr. Tillich?

Dr. Tillich: O, ik hoop, dat al onze sessies zo levendig zullen zijn als deze! Bedankt voor jullie vragen.

 

Ga naar het overzicht Lezingen & Artikelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.