Predigten Berlin (Heft V, 1)

 

Vindplaats in het Paul Tillich Archief in Cambrigde (Harvard Divinity School): bMs 649/16 (1-2)

PREDIGTEN BERLIN (HEFT V, 1)

Dit is een Adventspreek uit 1913. Het tekstgedeelte wordt niet vermeld, maar is waarschijnlijk Psalm 130: 5 Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.

6 Mijn ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen (SV).

Lieve gemeente,

Op God wachten, dat betekent God hebben en toch ook nog niet hebben, God gevonden hebben en toch ook zoeken, bij God zijn en toch ook weet hebben van een kloof tussen jezelf en God. Want men wacht alleen op dat, wat men kent, wat men waardevol vindt, waar men van houdt, waarvan men iets in zich draagt. Het is juist daarom, dat men verwacht, omdat men het nog niet volkomen genoeg heeft, dat men het ook nog niet in zijn volkomen waarde, in zijn totale diepte, beleefd heeft. Als we het hebben over iets, wat men waardevol vindt, dan heeft het betrekking op iets, wat voor ons ligt, op grond van iets, dat achter ons ligt. Op God wachten is dan een zich uitstrekken naar die God, die boven ons woont omwille van Hem, die reeds woning in ons is komen nemen.

Lieve gemeente, een mens, die niets meer verwacht is dood, ook al bevond hij zich midden in het leven. Alle leven is een zich uitstrekken naar wat voor ons ligt. Alleen de dood weet niets van een toekomst, de dood verwacht helemaal niets meer. In ons leven kan er geen moment bestaan, waarop het leven zou kunnen zeggen: Nu is het hoogtepunt bereikt, nu heb ik alles en ik verwacht niets meer, nu ben ik verzadigd van alles en tussen hemel en aarde is er niets meer, wat ik zou kunnen verwachten. Alleen de dood kan zo spreken.

En, lieve gemeente, ook de geestelijke dood kan zo spreken. Immers, een christen is een mens, die verwacht, die verlangt en zich uitstrekt naar oneindig veel, wat voor hem ligt, die zich uitstrekt naar God, die nog zo oneindig hoog boven hem staat. Wie zou willen zeggen: Nu heb ik God, nu heb ik Hem helemaal, meer dan zoals nu kan ik Hem niet hebben, ik ben verzadigd, ja dronken van Hem, Hij is in mij als een overvloed, waar zou ik nog meer naar verlangen? – wie zo spreekt en sommigen van de besten spreken zo, die staat voor een afgrond: wellicht wordt hij (nog) gered, maar dikwijls genoeg stort hij in het ravijn. Immers, christen zijn d.i. wachten!

En daarom, lieve gemeente, vieren wij Advent, op deze zondag, waarop ondanks alle vreugde de klank van ernst en licht (?) niet ontbreken mag, opdat we ons te allen tijde bewust blijven: wij zijn mensen, die wachten. (2 onleesbare regels).

Het wachten van de ziel van een mens op God is altijd iets dubbels. Zij wacht op God om Hem te hebben en zij wacht op God, omdat zij Hem al heeft. Het ene is er niet zonder het andere. Dat is het onderwerp van onze preek.

Lieve gemeente, Zij hebben God verwacht om Hem te hebben, d.i. die tijd van de mensheid, die wij de tijd van het verlangen in de heidenwereld kunnen noemen, de tijd van de voorzeggingen in Israël. Als verwachten betekent: hebben en niet-hebben, dat geldt voor de christen, dat het niet-hebben groter was dan het hebben; hun hebben was als een niet-hebben. Zij kenden God alsof ze Hem niet kenden, men had gemeenschap met God, al waren zij ver van Hem verwijderd.

Zij hadden kennis van God. Als men de ogen ophief naar de stralende zon, dan zei men: dat is de glans van God. Als men uitkeek over de oneindige zee, dan zei men: dat is een woning van God. Was men omringd en temidden van het duizendvoudige leven in de natuur, dan zei men: dat is het leven van (een) God. En als men naar zichzelf keek, dan werd men er zich van bewust, dat dit een werk van God was. Men had God in zijn werken. En toch had men Hem niet, want zij wisten niet, dat die glans maar een afglans was,dat oneindige van de zee maar een beeld, dat leven van de natuur en van zichzelf maar de openbaring van een licht was. Alleen de oneindigheid van het leven is groter dan al zijn werken. En omdat zij deze ene Eeuwige niet kenden, maar vele goden aanbaden naar het getal van zijn werken, daarom was het kennen van God iets als hadden zij Hem niet gekend. Zo wachtten zij op en verlangden zij naar de onbekende God.

Men had gemeenschap met God, zowel de heiden als de Jood. Zij gehoorzaamden zijn geboden, daartoe aangespoord door de stem van hun geweten. Men zocht zijn genade door middel van offers en men trad voor zijn aangezicht met gebeden. Maar de stem van het geweten was onzeker en krachteloos, de offers moesten dagelijks herhaald worden, omdat ze hun doel niet bereikten en de gebeden bleven oneindig vaak onverhoord. Zo was er gehoorzaamheid, maar mislukte gehoorzaamheid, er was gemeenschap met God en toch een ver van Hem verwijderd zijn. Men had God en met had Hem (ook) niet: zo was de mensheid voor Christus er aan toe. Daarom verwachtte en verlangde men: in de verzamelingen van de nachtelijke spreuken en visioenen, in profetenwoorden en psalmen richtte men zijn hart op een vokomen gemeenschap met God, op gehoorzaamheid, die niet meer mislukt, op het offer, dat voor altijd genoeg zou zijn, op het gebed, dat verhoord wordt, op God, met Wie men gemeenschap heeft in waarheid en voor eeuwig. Zo wachtte men op en verlangde men naar de verre God.

En nu, lieve gemeente, dit is niet iets, wat eens zo was en nu niet meer, niet iets wat voorbij is en niet terugkeert, maar het juist iets dat altijd zo blijft, zolang er mensenharten bestaan, die op God wachten, d.w.z. zolang er mensen zullen leven op aarde. In de christenheid zijn er miljoenen mensen, die op hen gelijken, die God kennen, alsof zij Hem niet kenden, die God hebben, alsof zij Hem niet hadden.

Daarom, wie altijd zo over zichzelf moet spreken, die moet de boodschap van Advent horen, die klank uit lang vervlogen tijden, die echter toch ook tegenwoordige tijd is en voor alle tijden geldt: zo spreekt Advent tot allen, die op God wachten, alsof men Hem niet had: alleen daarom kan men op God wachten, omdat u Hem al heeft! Alleen daarom zoekt u naar kennis van God, omdat u God reeds kent. Als u op iemand wacht, dan laat u allen voorbijgaan en zegt u tot ieder: is hij het wellicht? En als hij dan naderbij gekomen is, dat u hem herkennen kunt, dan zegt u: hij is het (toch) niet. Het is een ander, die ik verwacht. Zo is het ook wanneer u daarop wacht, dat God aan u zich te kennen geeft. U hebt een beeld van hem, die u zoekt, in uw ziel en wanneer dan allerlei beelden in u opkomen en anderen u allerlei beelden tonen, dan denkt u eerst: dat is God, Hij heeft zich aan mij te kennen gegeven, mijn wachten is ten einde. Maar wanneer u dan dat beeld nauwkeuriger gaat bezien, dan merkt u, dat Hij het toch niet was. Omdat u Hem nog niet gezien hebt, kent u Hem nog niet. In uw ziel is een beeld van God gelegd, diep en verborgen, maar dat kunt u zelf niet zien. Echter, telkens wanneer een verkeerd beeld van God aan u verschijnt, treedt het uit de verborgenheid naar voren en het verkeerde beeld treedt aan het licht als verkeerd. (??) Het beeld van God echter dat in iedere mensenziel verborgen is vanaf het begin der wereld tot aan het einde ervan heeft een Naam. En die naam is Christus.

Daarom zeg ik tegen u, die op Gods openbaring wacht, al kende u Hem niet en toch kent u Hem wel, wacht op de morgen d.w.z. op een overgang van uw leven tot iets anders. Hierin bestaat uw wachten, dat u ieder beeld van God, dat u verschijnt – of die nu de natuur heet of de wereld, of dood of sterven (?), of die nu zwakheid of kracht heet, of die nu goedheid of waarheid heet – vergelijkt met het Godsbeeld, dat diep in uw ziel verborgen ligt. In dat alles hebt u God weliswaar, maar zo, dat u Hem eigenlijk niet hebt. Wacht op God, op de openbaring van God, die in uw binnenste leeft. Geheel onverwachts, plotseling, zal Hij zich aan u tonen en zich aan u te kennen geven. Zo komt de mensheid in het licht van Kerstmis te staan (?)

En zo ook zij, die wachten op gemeenschap met God, op een volledige beleving daarvan, die verre van Hem zijn en op zijn nabijheid wachten en toch ook alleen maar kunnen wachten, omdat Hij hun al nabij is, ook tot hen zegt Advent: Ja, dat is Gods tegenwoordigheid, de tegenwoordigheid van de God, die u zoekt, wanneer uw geweten u niet met rust laat bij dat, wat u bereikt hebt, wanneer uw offers u te gering lijken, wanneer uw gebeden onverhoord blijven. Het was zijn nabijheid, die u eens in uw jeugd vrijmaakte van alle bekommernis, van wat u zelfsprekend vond, u voldoende leek en zelfgenoegzaam en voldaan maakte, die u aanzet tot steeds hogere prestaties, die u nooit rust gunt. Het is zijn nabijheid, die u drijft van offer naar offer, om Hem te vinden, offers van dank, offers van (gedachte?) wensen, offers van de hoogste goederen. Zijn nabijheid is het , die uw gebeden

verstoorde, die u aandreef tot steeds krachtiger gebeden, die toch niet tot de gewenste resultaten leiden. Omdat u Hem zo nabij bent, bent u ook zo oneindig ver van Hem verwijderd.

Daarom wacht u een morgenwaken zijn nabijheid, om een iets in uw leven tot verandering te laten komen. En zijn nabijheid, waarvan u niets weet, brengt teweeg, dat er een gericht komt over die nabijheid van een of andere God, die niet in waarheid God is, die zich gemeenschap liet welgevallen door halve gehoorzaamheid en halve offers en krachtloze gebeden. Ja, wees Hem gehoorzaam, in iedere daad van uw gehoorzaamheid is Hij daar en toch ook niet, totdat er volkomen gehoorzaamheid is. Offert Hem, want in ieder offer is Hij aanwezig en toch ook ver tot aan het volkomen offer. Bidt tot Hem, tot Hem, die u nog niet kent – in ieder gebed verhoort Hij u en toch ook nog niet, tot aan het volkomen gebed. Wacht op God, opdat Hij tot u kan komen, zo tot U komt, zoals Hij altijd al bij u was, zonder dat u het wist, ja in u was, voordat u het merkte: als Christus.

En tenslotte, zij, die zeggen: Wee, ik ben een mens, die wacht, maar het is God niet, op Wie ik wacht, maar op iets groots, iets onbekends, op een wijds land, op iets dat mij (tot) volledige vreugde, totale inhoud en tot volledige bestemming en tot totale verlossing brengt - daarop wacht ik vanaf mijn jeugd (aan), maar waarom zal ik het God noemen, waarop ik wacht – ook voor hen geldt: had u niet een beeld van dat in u, waarop u wacht, was het u niet altijd nabij geweest, dan zou u niet vanaf u jeugd gewacht hebben (daarop). U zou allang gezegd hebben: Nu heb ik gevonden, waarop ik gewacht heb Maar dat u het niet gevonden hebt, bewijst: in u leefde, wat alleen het wachten kan beëindigen. Plotseling gaat het u dagen, zoals ook eens de mensheid (overkwam): Het is God geweest, op wie u wachtte. Christus is de Naam. Het beeld dat u in u draagt, van God, die u nabij was in al uw zoeken is Christus, de grond en Christus het doel (de eindbestemming) van alle wachten van de ziel des mensen.

En u, lieve christen, die tot u zelf zeggen kunt: mijn ziel heeft op God gewacht en heeft Hem gevonden, die uw Kerstfeest gevonden hebt, niet onder de kerstboom, maar ook in het aangezicht van God, ook voor u geldt het woord van dit lied, het woord van het wachten van de ziel op God. U kunt wel zeggen: Ik ken God. Maar zou u ook niet moeten zeggen: ik wacht op God, dat Hij zich aan mij te kennen geeft? U mag wel zeggen: Ik heb gemeenschap met God, maar moet u ook niet zeggen: Ik wacht op God, dat ik nog eens één word met Hem? U allen zou kunnen zeggen: dit psalmwoord is niet alleen een woord van de ziel van een mens vóór Christus, maar ook een woord van de christen. En wie daar aan twijfelt, die moet maar eens kijken naar de geschiedenis van de christenheid met haar strijd en worstelingen, haar wachten op meer Godsopenbaring, op meer gemeenschap met God. Die moet maar eens luisteren naar wat Paulus de Korinthiërs toeroept: u bent al (te) voldaan geworden, u bent al rijk geworden, u heerst zonder ons! Een christen, die niet meer wacht, die niets meer heeft, waarop hij zou kunnen wachten, die is dood.

En op hoeveel hebben wij dan nog te wachten? Zal ik u herinneren aan de donkere uren in het dal van nood en ziekte, van het sterven, wanneer onze ziel wacht op God van de ene morgenstond tot de andere? Dan wordt het een ieder duidelijk gemaakt, dat het gaat om een wachten op de verlossing van het vergankelijk zijn. Zo heeft menigeen het wachten op God geleerd, die meende God te hebben, en dacht dat hij niet meer op God hoefde te wachten.

Moet ik u te binnen brengen uw strijd met twijfel en dwaling? Wie in onze dagen dit gevecht niet kent moet wel erg vlak zijn en niet nadenken. Wie niet beleeft hoe diep en ver wij allen afgedwaald zijn, in onze nood en vergankelijkheid, wie niet uitziet naar en wacht op de bevrijding uit deze dwaalsporen om God te zien van aangezicht tot aangezicht – wie kent niet de macht van de zonde, wie niet weet, hoe die altijd weer nuren opricht tussen hem/haar en God en die de nabije God tot een verre God maakt, die niet met alle vezels van zijn ziel wacht op de verlossing van de zonde en schuld, op de nabijheid Gods, die niet meer verstoord kan worden. Wie niet weet, wat het is om in het gebed met God te worstelen, wie nog nooit ervaren heeft, hoe werkloos en waardeloos, hoe mat en zielloos zovele van onze gebeden zijn, die wacht niet op de gemeenschap met God. Het zuchten van het hart en de verlangende gedachten zijn als een gebed, dat verhoord wordt, nog voordat het geschied is.

Ja, een wachten, een verlangend, gepassioneerd wachten, een zuivere Adventsstemming ligt altijd over de harten van een christenmens uitgespreid. En die tijden in de geschiedenis van de kerk zijn het grootst, maar ook in de geschiedenis van de christen als enkeling, wanneer het wachten op God het levendigst en hartgrondigst werd, want juist dan is hij verschenen en werd het weer Kertsfeest in de kerk, in ons hart.

En toch is het een ander wachten dan het wachten, dat Christus niet kent, het wachten waarbij het hebben groter is dan het niet-hebben, het kennen groter dan het niet-kennen, de gemeenschap groter dan het gescheiden-zijn. Want christen-zijn betekent wachten op God: het is een hebben ook bij het niet-hebben, een kennen ook in het dwalen, een gemeenschap ook in het gescheiden-zijn. Want het is een hebben en kennen van Christus en Hij is het wachten van de zielen der mensen van hen, die Hem niet hebben en van hen, die Hem hebben. In Christus is God zelf grond en einddoel van het wachten der mensenziel. Dat is de boodschap van Advent vanaf het paradijs tot aan het einde der wereld.


Lees meer uit ander werk

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.