Hoofdstuk 1: Wie veel vergeven is...

 

36 Een van de farizeeën nodigde hem uit voor de maaltijd, en toen hij het huis van de farizeeër was binnengegaan, ging hij aan tafel aanliggen. 37 Een vrouw die in de stad bekendstond als zondares had gehoord dat hij bij de farizeeër thuis zou eten, en ze ging naar het huis met een albasten flesje met geurige olie. 38 Ze ging achter Jezus staan, aan het voeteneinde van het aanligbed; ze huilde en zijn voeten werden nat door haar tranen. Ze droogde ze met haar haar, kuste ze en wreef ze in met de olie. 39 Toen de farizeeër die hem had uitgenodigd dit zag, zei hij bij zichzelf: Als hij een profeet was, zou hij weten wie de vrouw is die hem aanraakt, dat ze een zondares is. 40 Maar Jezus zei tegen hem: ‘Simon, ik heb je iets te zeggen.’ ‘Meester, spreek!’ zei hij. 41 ‘Er was eens een geldschieter die twee schuldenaars had: de een was hem vijfhonderd denarie schuldig, de ander vijftig. 42 Omdat ze het geld niet konden terugbetalen, schold hij beiden hun schuld kwijt. Wie van de twee zal hem de meeste liefde betonen?’ 43 Simon antwoordde: ‘Ik veronderstel degene aan wie hij het grootste bedrag heeft kwijtgescholden.’ Hij zei tegen hem: ‘Dat is juist geoordeeld.’ 44 Toen draaide hij zich om naar de vrouw en vroeg aan Simon: ‘Zie je deze vrouw? Ik ben in jouw huis te gast, en je hebt me geen water voor mijn voeten gegeven; maar zij heeft met haar tranen mijn voeten natgemaakt en ze met haar haar afgedroogd. 45 Je hebt me niet begroet met een kus; maar zij heeft, sinds ik hier binnenkwam, onophoudelijk mijn voeten gekust. 46 Je hebt mijn hoofd niet met olie ingewreven; maar zij heeft met geurige olie mijn voeten ingewreven. 47 Daarom zeg ik je: haar zonden zijn haar vergeven, al waren het er vele, want ze heeft veel liefde betoond; maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde.’ 48 Toen zei hij tegen haar: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’ 49 Zijn tafelgenoten dachten bij zichzelf: Wie is hij, dat hij zelfs zonden vergeeft? 50 Hij zei tegen de vrouw: ‘Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.’

Lucas 7: 36-50

Evenals de gelijkenis van de verloren zoon komt het verhaal, dat we gelezen hebben, alleen bij Lucas voor. In beide verhalen wordt iemand, die zowel door zichzelf als door anderen beschouwd wordt als een grote zondares gesteld tegenover mensen, die juist door iedereen als rechtschapen worden beschouwd. In beide gevallen staat Jezus aan de kant van de zondaar en daar heeft men dan kritiek op: in de gelijkenis indirect geuit door de oudste zoon, die rechtschapen is en in het zojuist gelezen verhaal door de Farizeeër, op wie niets aan te merken is.

We moeten de betekenis van deze houding van Jezus niet bagatelliseren door te stellen, dat uiteindelijk de zondaars niet zo erg zondig waren en dat die rechtschapen lieden niet zo rechtschapen waren als zijzelf en anderen dachten. Niets wijst in die richting, in de gelijkenis niet en in dit verhaal evenmin. De zondaars worden niet ge-excuseerd – de ene was een hoer en de andere een hoerenloper – op basis van ethische argumenten, die de ernst van de morele eis zouden opheffen. Ook sociologische verklaringen gelden niet als excuus, want dat zou hun persoonlijke verantwoordelijkheid teniet doen; ook geldt een analyse van hun onbewuste motieven niet als een excuus, want dat zou de betekenis van hun bewust genomen beslissingen in het gedrang brengen. Ook zou een verwijzing naar de universele ‘condition humaine’ hun persoonlijke schuld negeren. Kortom, zij worden kort en goed gewoon zondaars genoemd.

Dit betekent ntauurlijk niet, dat Jezus en de nieuwtestamentische schrijvers geen weet zouden hebben (gehad) van de psychologische en sociologische factoren, die de menselijke existentie bepalen. Zij zijn zich wel degelijk bewust van de universele en onontkoombare overmacht van de zonde over deze wereld, van de demonische tweespalt in de menselijke ziel, die krankzinnigheid en lichamelijke ziekten teweeg kunnen brengen. Ook hebben zij weet van de economische en geestelijke ellende van de massa. Maar al kennen deze factoren, die zo beslissend zijn geworden voor de beschrijving van de ‘condition humaine’, heel goed, dit heeft hun er niet van weerhouden om zondaars gewoon zondaars te noemen. Begrip (van iets of iemand) moet niet in de plaats van het oordeel (over iets of iemand) komen. Wij hebben vaak meer en beter inzicht in de dingen dan de generaties voor ons, maar ons enorm toegenomen begrip van de ‘condition humaine’ moet ons niet ontmoedigen om verkeerd verkeerd te (blijven) noemen. In het gelezen verhaal en in de gelijkenis worden de zondaars oprecht (en terecht!) zondaars genoemd!

En evenzo worden de rechtvaardigen terecht rechtvaardig of rechtschapen genoemd. We zouden aan de ‘spirit’ van ons verhaal te kort doen, als we zouden proberen aan te tonen, dat de rechtvaardigen niet echt rechtvaardig waren. De oudste zoon in de glijkenis deed wat van hem verwacht werd. Hij voelt op geen enkele wijze aan, dat hij iets verkeerds doet en zijn vader heeft het er ook niet over. Zijn oprechtheid staat niet ter discussie – en die van Simon de Farizeeër ook niet. Zijn gebrek aan liefde richting Jezus wordt hem niet verweten als een gebrek aan gerechtigheid, maar die wordt afgeleid uit het feit, dat hem weinig vergeven wordt/is.

Zo’n rechtschapenheid is niet gemakkelijk te verwerven. Het vereist veel zelfbeheersing, keiharde discipline en voortdurende introspectie. Daarom moeten we de rechtvaardigen ook niet verachten. In de traditionele visie van veel christenen zijn de Farizeeërs de representanten van alle kwaad geworden,

maar in hun tijd waren zij de vromen bij uitstek en moreel hoogstaand om jaloers op te worden. Het conflict met Jezus was niet eenvoudig een conflict tussen juist en onjuist, maar het was vooral een conflict tussen een oude en gewijde traditie en een nieuwe werkelijkheid, die zich baan brak en die het oude van zijn ultieme belang beroofde. Het was niet alleen maar een moreel conflict – het was ook een tragisch conflict, die zijn schaduw al vooruitwierp – ik bedoel het tragische conflict tussen het christendom en het jodendom gedurende alle opeenvolgende generaties, ook nu nog steeds. Ook moeten we niet vergeten, dat de Farizeeërs in hun tijd de hoeders van Gods Wet waren.

De Farizeeërs kunnen vergeleken worden met andere groepen, die rechtschapen willen zijn. Wij kunnen hen bijv. vergelijken met een groep, die in de geschiedenis van dit land (de VS) een enorme rol hebben gespeeld, namelijk de Puriteinen. De naam alleen al, evenals die van de Farizeeërs, geeft aan, dat men zich wil afscheiden van de onzuiverheden van de wereld. De Puriteinen zouden ook de houding van Jezus t.o.v. de hoer zeker op dezelfde wijze hebben beoordeeld als Simon de Farizeeër. Wij moeten hen op grond van dit oordeel niet afwijzen en ook geen slecht beeld van hen schetsen in onze loze praat(jes) over hen. Evenals de Farizeeërs waren ook zij in hun tijd de hoeders van Gods Wet.

En hoe is dat in onze tijd? Er wordt wel gezegd – en niet geheel ten onrechte – dat de protestantse kerken echte middenklasse-kerken zijn geworden vanwege de manier, waarop hun leden het christelijke geloof interpreteren, zowel praktisch als theoretisch. Deze kritiek wijst bijv. op ieders gehechtheid aan de eigen kerk, op hun goed-gevestigde moraal en op hun charity-werk. Zij zijn zeer zeker rechtschapen – zo zou Jezus hen genoemd hebben. En ongetwijfeld zouden zij meegegaan zijn met Simon de Farizeeër en de Puriteinen in hun kritiek op de houding van Jezus t.a.v. de vrouw in ons verhaal. En ik zeg het opnieuw: we moeten hen daar niet om veroordelen. Zij nemen hun morele en religieuze plichten heel serieus. Zij zijn, net als de Farizeeërs en de Puriteinen, in onze tijd de hoeders van de wet van God.

De zondaars worden terecht zondaar genoemd en de rechtvaardigen terecht rechtvaardig. Alleen als we dit duidelijk voor ogen houden kan de diepgang en de revolutionaire kracht van Jezus’ houding begrepen worden. Hij kiest de zijde van de zondaar tegenover de rechtvaardige, hoewel hij niet twijfelt aan de geldigheid van de Wet, waarvan de rechtvaardigen de hoeders zijn. Hier raken we aan een geheimenis, dat wel het geheim van het Evangelie zelf is, zijn paradoxale diepte en zijn kracht om tegelijkertijd ontreddering en bevrijding tot stand te brengen. En wij kunnen alleen maar hopen er een glimp van op te vangen door te pogen ons verhaal zo goed mogelijk te interpreteren.

Simon de Farizeeër is helemaal van zijn stuk gebracht door Jezus’ houding t.a.v. de hoer. Hij krijgt als antwoord te horen, dat de zondaars grotere liefde hebben dan de rechtvaardigen, omdat hun meer vergeven is. Het is niet zo, dat de liefde van de vrouw haar de vergeving brengt, maar het is de vergeving, die haar geschonken is, die bij haar de liefde voortbrengt. Door haar liefde laat zij zien, dat haar veel vergeven is, terwijl het gebrek aan liefde bij de Farizeeër laat zien, dat hem weinig vergeven is.

Het is niet Jezus, die de vrouw vergeeft, maar Hij verklaart, dat haar (alles) vergeven is. Hoe zij zich gedraagt en de extase van haar liefde laten zien, dat er iets met haar gebeurd is. Niets groters kan aan en met een mens gebeuren dan dat hem/haar vergeven wordt. Immers, vergeving betekent verzoening ondanks onze vervreemding; het betekent hereniging ondanks onze vijandschap; het betekent aanvaarding van hen, die onaanvaardbaar zijn en het betekent aangenomen worden van hen, die verworpen zijn.

Vergeving is onvoorwaardelijk of het mag de naam van vergeving niet hebben! Vergeving heeft het karakter van “ondanks”, maar de rechtvaardige geeft het het karakter van “omdat”. De zondaars zijn daartoe echter niet in staat. Zij kunnen het goddelijke “ondanks” niet omvormen tot een menselijk “omdat”. Zij kunnen geen feiten aandragen, op grond waarvan hun vergeven zou moeten worden. Gods vergeving is dan ook onvoorwaardelijk. Er is in de mens geen enkele voorwaarde aanwezig, waardoor hij/zij vergeving waard(ig) zou zijn. Als vergeving inderdaad voorwaardelijk zou zijn, - voorwaarden waaraan de mens zou moeten voldoen -, dan kon niemand aanvaard worden en niemand zou zichzelf kunnen aanvaarden.

We weten, dat dit onze situatie is, maar we zien die niet graag onder ogen. Als gave is vergeving te groot voor ons en als oordeel te vernederend. We willen graag zelf iets bijdragen en als we hebben geleerd niets positiefs te kunnen bijdragen dan proberen we op z’n minst iets negatiefs bij te dragend, namelijk de last van zelfbeschuldiging en van zelfverwerping.

En dan lezen we ons verhaal en de gelijkenis van de verloren zoon, alsof daarin gezegd wordt: deze zondaars wordt vergeven, omdat zij zichzelf vernederd hebben en beleden hebben, dat zij onaanvaardbaar waren/zijn; omdat zij moeite hadden met hun situatie vol zonde(n) werden zij a.h.w. waardig gemaakt voor de vergeving. Maar wie deze verhalen zo leest, leest op een gevaarlijke manier verkeerd. Als dit de weg was tot onze verzoening met God dan moesten wij bij onszelf het gevoel van onwaardigheid, de last van zelfverwerping en de angst en de wanhoop vanwege onze schuld moeten teweegbrengen. Er zijn legio christenen, die dit proberen, waarmee zij God en zichzelf willen laten zien, dat zij (Gods) aanvaarding (wel) verdienen.

Zij doen in feite aan zelfkastijding op emotioneel gebied en beschouwen dat als een ‘goed werk’, nadat zij erachter waren gekomen, dat hun andere goede werken niet hielpen. Maar emotionele ‘werken’ werken evenmin. Gods vergeving is onafhankelijk van wat wij ook maar doen, zelfs al is dat zelfbeschuldiging en zelfvernedering. Als dat niet zo was, hoe konden wij er dan ooit zeker van zijn, dat onze zelfverwerping serieus genoeg is om vergeving te verdienen? Maar het is juist de vergeving die berouw oproept – dat wordt duidelijk verteld in ons verhaal en zo is ook de ervaring van hen, wie vergeven is.

De vrouw in Simons huis komt naar Jezus toe, omdat haar vergeven is. We weten niet precies, wat haar ertoe bracht om naar Jezus toe te gaan. En als we het wel wisten, dan zouden we zeker ontdekt hebben, dat het een mix van motieven was (geweest) – een geestelijk verlangen naast natuurlijke aantrekkingskracht, de macht van een profetische figuur naast de indruk van iemand met een persoonlijkheid. Ons verhaal doet niet aan psycho-analyse t.a.v. deze vrouw, maar het ontkent ook niet de menselijke motieven, die psycho-analytisch onderzocht zouden kunnen worden. Menselijke motieven zijn altijd dubbelzinnig. Gods vergeving doorklieft a.h.w. deze dubbelzinnigheden, maar zij vereist niet dat die opgeheven zijn, voordat vergeving geschonken kan worden. Als dat vereist zou zijn, zou vergeving nooit kunnen plaatsvinden. De beschrijving van het gedrag van de vrouw laat duidelijk zien, dat haar motieven ‘dubbel’ zijn. Desondanks wordt zij aanvaard!

Vergeving is altijd onvoorwaardelijk. Maar vergeving zou ons niet kunnen bereiken (of: overkomen) als wij er niet om zouden vragen en het niet zouden (willen) ontvangen. Vergeving is een antwoord, het antwoord van God, op de vraag, die in ons bestaan ligt opgesloten. Een antwoord is alleen een antwoord voor hem/haar, die iets vraagt, die zich bewust is van de (een) vraag. Deze bewustheid kan niet door onszelf opgeroepen worden, maar zij kan op verborgen plaatsen in onze ziel liggen, bedekt onder vele lagen van ‘gerechtigheid’. Op een gegeven moment – of meerdere – kunnen we ons er bewust van worden. Of het kan dagelijks ons bewuste en onbewuste leven vervullen en dat brengt ons dan tot de vraag, waarop de vergeving het antwoord is.

Veel mensen denken bij het word ‘vergeving’ aan dingen, die volstrekt tegengesteld zijn aan wat Jezus met deze vrouw doet in ons verhaal. Velen denken immers aan plechtige handelingen van vergiffenis, of een vrijspreken van straf, m.a.w. aan één of andere ‘rechtshandeling’ door de ‘rechtschapenen’. Maar echte vergeving is deelname, hereniging, die de macht van de vervreemding overwint. En alleen omdat dit zo is maakt vergeving de liefde mogelijk. We kunnen niet liefhebben, tenzij wij de vergeving aanvaard

hebben en hoe dieper de ervaring van de vergeving is, des te groter zal onze liefde zijn. We kunnen niet liefhebben als we het gevoel hebben afgewezen te worden, zelfs als die afwijzing terecht is. We zijn vijandig t.a.v. waartoe wij behoren en waardoor wij ons veroordeeld voelen, ook al wordt dit oordeel niet met zoveel woorden uitgesproken.

Zolang wij ons door God afgewezen voelen kunnen we Hem niet liefhebben. Hij verschijnt ons dan als een onderdrukkende macht, als een God, die ons naar zijn believen wetten oplegt, die ons oordeelt naar zijn geboden en ons veroordeelt in zijn toorn. Maar als we de boodschap hebben ontvangen en aanvaard, dat Hij verzoend is, dan verandert alles. Als een warme stroom komt zijn helende kracht bij ons binnen; wij bevestigen Hem en ons eigen bestaan, als ook de anderen van wie wij vervreemd zijn – en ook het leven als geheel. Dan realiseren wij ons, dat Zijn liefde de wet van ons bestaan is en dat dat de wet is van de herenigende liefde. En we beginnen te begrijpen, dat wat we als onderdrukking, oordeel en toorn zagen in wezen de werking van de liefde is, die in ons alles tracht klein te krijgen wat tegen die liefde ingaat. Deze liefde beminnen is God liefhebben.

Theologen hebben zich wel afgevraagd of een mens wel in staat is om God lief te hebben, maar zij verwarren liefde dan met gehoorzaamheid. Maar ons verhaalt wijst hen terecht. In feite prediken zij een theologie voor de rechtvaardigen, maar niet voor de zondaars. Immers, wie vergeven is weet wat het betekent om God lief te hebben.

Wie God liefheeft is ook in staat om het leven te aanvaarden en het lief te hebben. Dat is niet hetzelfde als God liefhebben. Voor veel vrome mensen uit eerdere en huidige generaties is liefde tot God de keerzijde van het haten van het leven. In ons allemaal zit een enorm brok haat jegens het leven, zelfs bij hen die zich volledig aan het leven hebben overgegeven. Onze vijandigheid jegens het leven komt naar voren in cynisme en walging, in verbittering en in onze houding het leven voortdurend van alles te verwijten. Wij voelen ons vaak door het leven afgeschreven, niet eens zozeer vanwege de duisternis ervan, de dreigingen en verschrikkingen, die zich erin voordoen, maar veelmeer vanwege onze vervreemding van de kracht en de zin van het leven als zodanig. Maar wie herenigd is met God – de scheppende Grond van het leven, de levenskracht in alles wat leeft – die is herenigd met het leven zelf. Hij voelt zich erdoor aanvaard en kan het dan ook liefhebben. Hij begrijpt, dat hoe groter de liefde is, hoe meer men de vervreemding teboven komt. In metaforische taal zou ik tegen hen, die een diepe haat jegens het leven bij zichzelf voelen, willen zeggen: het leven aanvaardt jou; het leven houdt van jou, ook al sta je los van; het leven wil zich het liefst met jou herenigen, ook al lijkt het leven jou (vaak) te vernietigen.

Van alle levende wezens staat ons niets naders en toch ook verder van ons af dan andere menselijke wezens. We hebben ook allen wel weet van gebieden in onze menselijke ziel, waar de dingen vaak heel wat anders lijken dan ze aan de welwillende oppervlakte lijken. We kunnen daar immers verborgen vijandschap vinden jegens degenen om wie wij juist veel geven. We vinden daar jaloezie en een knagende twijfel over de vraag of wij wel werkelijk door hen aanvaard zijn. Deze vijandschap en angst over afgwezen te worden door hen, die ons het naast staan, kan zich verschuilen achter verschillende vormen van liefde: vriendschap, sensuele liefde, liefde als echtgenoot of gezinslid. Maar als we de ultieme aanvaarding hebben ervaren dan is deze angst overwonnen, hoewel niet helemaal verdwenen. We kunnen immers ook liefhebben zonder er zeker van te zijn of de ander onze liefde zal beantwoorden. We weten toch dat ook de ander verlangt naar onze aanvaarding, zoals wij verlangen naar de zijne en dat we pas in het licht van de ultieme aanvaarding echt verenigd (kunnen) zijn.

Wie in ultieme zin aanvaard is kan ook zichzelf aanvaarden. Vergeven zijn en in staat zijn zichzelf te aanvaarden is eigenlijk één en hetzelfde. Niemand kan zichzelf aanvaarden, als hij/zij niet voelt dat hij aanvaard is door de kracht van de aanvaarding, die groter is dan hijzelf, groter dan zijn vrienden, counselors en psychologen, die hem willen helpen. Zij kunnen iemand wijzen op de kracht van de aanvaarding – en het behoort zeker tot de taak van de predikant dat te doen. Maar hij behoeft ook zelf net zo goed als alle anderen diezelfde kracht van de aanvaarding, die groter is dan wijzelf. De vrouw in ons verhaal had nooit en te nimmer haar walging over haar eigen bestaan teboven kunnen komen als zij deze kracht niet werkzaam had gevonden door Jezus, die haar met gezag vertelde: “U is vergeven!” Zo ervoer zij – al was het maar op één extatisch moment in haar leven – de kracht, die haar herenigde met haarzelf en die haar de mogelijkheid bood om zelfs haar eigen bestemming lief te hebben.

Dit overkwam haar op een bijzonder, op een gegeven moment. En in dat opzicht is zij beslist geen uitzondering. Beslissende spirituele ervaringen hebben het karakter van een doorbraak. Temidden van onze armetierige pogingen om onszelf waardevol te maken en in onze wanhoop over het onvermijdellijke mislukken van deze pogingen, worden wij plotseling gegrepen door de zekerheid, dat ons vergeven is – en dan begint het vuur van de liefde in ons te branden. Dat is de meest waardevolle ervaring, die iemand kan hebben. Het gebeurt misschien niet vaak, maar als het gebeurt, dan wordt alles beslist anders.

Laten wij nog eens kijken naar degenen, die wij beschreven hebben als de rechtvaardigen/rechtschapenen. Zij zijn dat inderdaad, maar omdat hun weinig vergeven is, zullen ze ook weinig liefhebben. En in die zin zijn zij niet rechtschapen. Deze ‘ongerechtigheid’ ligt niet op het morele vlak – ook Job’s

‘onrechtvaardigheid’ lag niet op moreel niveau, ook al zochten zijn vrienden daar naar, maar tevergeefs. Zij ligt echter op het niveau van de ontmoeting met de ultieme werkelijkheid, met God, die Job’s rechtvaardigheid overeind houdt tegenover de aanvallen van zijn vrienden, met God, die zichzelf verdedigt tegen de aanvallen van Job en diens uiteindelijk niet-recht-tegenover-God-staan. De gerechtigheid van de rechtvaardigen is hard en zelfverzekerd. Ook zij hebben vergeving nodig, maar zij geloven dat zij er niet zoveel van nodig hebben. En zo wordt hun juiste handelen slechts verwarmd door maar weinig liefde. Zij hadden de vrouw in ons verhaal niet kunnen helpen en ook ons kunnen zij niet helpen, al bewonderen wij hen nog zozeer.

Waarom wenden kinderen zich af van hun rechtschapen ouders en echtgenoten van hun rechtschapen vrouw en andersom? Waarom wenden christenen zich af van hun oprechte pastors?

Waarom wenden mensen zich af van hun oprechte buren? Waarom wenden velen zich af van het oprechte christendom en van de Jezus, die het hun voor ogen stelt en van de God, die het proclameert? Waarom zoekt men zijn heil bij hen, die niet als rechtschapen beschouwd worden? Zeker, dikwijls doet men dat omdat men aan een oordeel wil ontsnappen. Maar vaker, omdat men (een) liefde zoekt, die wortelt in de vergeving en die kunnen de rechtschapenen niet geven. Maar velen van degenen tot wie men zich wendt, kunnen dat evenmin. Jezus gaf die liefde aan de vrouw, die gelet op haar omstandigheden en gedrag onaanvaardbaar was. De kerk zou meer de kerk van Christus zijn dan zij nu is, als zij hetzelfde zou doen, namelijk, wanneer zij Jezus en niet Simon zou volgen in de ontmoeting met hen, die terecht als onaanvaardbaar beoordeeld zouden worden. Ieder van ons die streeft naar gerechtigheid zou een beter christen zijn, als hem meer vergeven was, als hij meer zou liefhebben en als hij beter de verleiding zou kunnen weerstaan om zichzelf als aanvaardbaar voor God voor te doen, namelijk door zijn eigen gerechtigheid.


Lees meer uit: Het Nieuwe Zijn

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.