Hoofdstuk 7: Machten en krachten...

 

38 Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, 39 hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.

Romeinen 8: 38-39

Ik ken geen woorden met zoveel zeggingskracht als die hierboven geschreven staan. Wie in een wanhopige situatie verkeert kan er echt door aangegrepen worden. Ik spreek uit eigen ervaring, als ik zeg, dat deze woorden sterker bleken te zijn dan het lawaai van exploderende granaten, dan het wenen bij open graven, dan het zuchten van de zieken, dan het kermen van de stervenden. Zij zijn krachtiger dan het zelfverwijt van degenen, die wanhopen aan zichzelf en zij overtreffen de stille angst, die ligt op de bodem van ons zijn. Waarom hebben deze woorden zoveel zeggingskracht?

Dan gaat het niet zozeer om hun letterlijke betekenis, want die is in vele opzichten vreemd voor ons. De engelen en machten, de hoogte en diepte en zelfs leven en dood verwijzen naar de sterrenbeelden, die het lot van de mens en de geschiedenis bepalen, althans zo is het geloof van velen in die klassieke/antieke tijd. Die voeren macht uit over de mensen en die laten zich uit angst daarvoor voortjagen of zij proberen met de moed der wanhoop zich ertegen te verzetten, soms met succes, maar meestal zonder. Zo was de situatie van de mens, tegen wie Paulus nu spreekt. Op verschillende plaatsen in zijn brieven vat hij de betekenis van het christendom samen door te stellen, dat Christus deze machten, die de wereld beheersen, heeft overwonnen. Maar nergens doet hij dat zo triomfantelijk als in deze prachtige en veelzeggende woorden aan de Romeinen.

Als deze woorden ook in onze tijd onze ziel kunnen raken dan moeten zij wel iets zeggen, wat waar is, ook al delen wij niet meer dat oude geloof in de sterren en hun constellaties. Zij benoemen hoe dan ook de krachten, die ons allen in hun greep houden en dat is iets, dat betrekking heeft op alle mensen, in alle tijden en het geldt in feite voor de hele schepping. En deze woorden laten ons zien, wat ons de zekerheid kan geven, dat deze machten ons niet zullen beheersen, maar dat zij overwonnen zijn en dat wij in de overwinning daarop kunnen delen.

Iedereen voelt toch aan, m.n. in de meest recente jaren – maar eigenlijk al gedurende geheel deze eeuw – dat er krachten op een overweldigende manier werkzaam zijn om ons persoonlijke lot en de bestemming van de geschiedenis te bepalen? Zij brengen landen en individuen in conflictsituaties, hetzij meer verborgen of ook in allerlei daadwerkelijke uitbarstingen. Zij leiden tot arrogantie en dwaasheid, tot revolutie en wanhoop, tot onmenselijkheid en zelfvernietiging. Wij zijn allemaal bij die conflicten betrokken en worden in meerdere of mindere mate door deze krachten aangevuurd. Ook ons persoonlijk leven wordt op de een of andere manier door deze machten bepaald.

Niemand is meer zeker van zijn huis of werk of vrienden of familie; geen enkel land op de wereld is veilig en of een plan zal slagen is nooit zeker (meer) en iedere hoop wordt bedreigd.

Denk niet, dat dit iets nieuws is in de geschiedenis van de mensheid. Maar wat wel nieuw is, is dat we na een paar jaren van betrekkelijke veiligheid waren vergeten, dat dit de werkelijke stand van zaken is. Nu wordt het ineens weer overal gezien, omdat we ons er op iedere plaats op aarde ineens middenin bevinden.

Voortgedreven door de krachten van het lot stellen wij (opnieuw) de vraag, die de mensheid altijd al stelde: wat zit er achter dit alles? Wat is de betekenis ervan en hoe kunnen we het volhouden?

Al lange tijd voor onze jaartelling sprak men over de goddelijke voorzienigheid als de drijvende kracht achter ons leven en achter de geschiedenis. Binnen het christendom hebben de woorden van Jezus over de vogelen des hemels en de leliën op het veld en zijn gebod om niet bezorgd te zijn voor de dag van morgen het geloof in de voorzienigheid versterkt. Het werd iets, dat door alle christenen geloofd werd. En dat geloof schonk moed in tijden van gevaar, troost onder moeilijke omstandigheden en hoop temidden van de puinhopen. Maar op den duur verloor dit geloof zijn diepgang. Het werd iets vanzelfsprekends en zo werd het beroofd van de overweldigende, verbluffende en triomfantelijke glans, die de woorden van Paulus juist uitstralen.

Toen de Duitse soldaten de Eerste Wereldoorlog ingingen hielden de meesten er een populair soort geloof op na: er bestond een lieve God, die ervoor zal zorgen, dat alles tot een goed einde zou komen. In werkelijkheid liep alles echter uit op een drama, zowel voor het land zelf als voor iedereen, die er persoonlijk bij betrokken was. In de loopgraven tijdens deze oorlog ging geleidelijk aan het populaire geloof in een persoonlijke voorzienigheid verloren en in het vijfde jaar van de oorlog was er niets meer van over. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog deden zich soortgelijke ontwikkelingen ook hier in de VS, voor. Ten gevolge van de politieke spanningen en de toegenomen angst tijdens dit laatste decennium is het geloof in een voorzienigheid t.a.v. de geschiedenis volledig stukgebroken. Het in dit land door grote groepen gedeelde geloof, dat in de geschiedenis uiteindelijk alles op z’n pootjes terecht komt, is bijna geheel verdwenen. Althans, er is niet veel meer van over.

Maar noch het persoonlijke noch het historische geloof in de voorzienigheid had enige diepgang en het was eigenlijk nergens op gebaseerd. Dit soort geloof, dat men erop nahield, was eerder een product van ‘wishful thinking’ dan van ‘geloof’ in eigenlijke zin. Geloof in de voorzienigheid is namelijk niet een deel of aspect van het christelijk geloof – een aspect dat dan gemakkelijker te bevatten zou zijn dan andere aspecten. Het kan toch niet zo zijn, dat, zoals een oude pastoor van het platteland mij eens vertelde, dat men ‘hevig’ in de goddelijke voorzieningheid geloofde, maar dat men vreemd aankeek tegen de hogere inhoud van het christelijk geloof, zoals bijv. die gingen over zonde en verlossing, Christus en de kerk e.d. Als dit werkelijk zo is dan is de werkelijke bedoeling van de leer van de voorzienigheid hun ook vreemd en hun geloof erin zal weldra stukbreken, zoals inderdaad gebeurd is met dit soort geloof in de stormen van onze eeuw. Geloof in de voorzienigheid is het geloof als zodanig. Het is namelijk de moed om Ja te zeggen tegen zijn/haar leven en tegen het leven in het algemeen, ondanks de heersende noodlotsmachten, ondanks de onzekerheden van het dagelijks bestaan, ondanks de rampen, die ons in ons bestaan overkomen en waardoor iedere zin verloren lijkt te gaan.

Precies over die moed spreekt Paulus in onze tekst. Maar hij spreekt eerst over de machten, die deze moed onmogelijk proberen te maken. Wat doen die machten namelijk? Wel, die scheiden ons van de liefde van God. Deze zin is verbazingwekkend, nietwaar? Wij zouden

eerder wijzen op de gevaren van pijn en dood, die ons leven dagelijks bedreigen. Paulus heeft daar ook wel degelijk weet van. Hij somt ze op als “tegenspoed of beproeving of vervolging of honger of naaktheid of gevaar of het zwaard”, maar hij beschouwt zichzelf als iemand, die dat alles de baas is. En dan begint hij a.h.w. opnieuw en noemt vervolgens de machten, die ons dreigen te scheiden van de liefde van God. Er is iets mysterieus aan de hand met deze machten: ze hebben namelijk geen boosaardige of lelijke namen, zoals de eerder door Paulus genoemde ‘tegenslagen’, maar de meeste hebben zelfs glorieuze namen, zoals ‘engelen’, ‘machten’, ‘leven’ en ‘hoogte’.

Waarom zijn juist deze ‘machten’ zo bedreigend? Dat komt, omdat zij zich in feite altijd en op ieder moment in ons leven laten gelden en omdat zij een dubbel gezicht, een Janus-kop hebben. Het zijn niet alleen machten, die de wereld beheersen, maar zij heersen zowel ten goede als ten kwade. Zij houden ons in hun greep door het goede dat zij aanbrengen en zij vernietigen ons door het kwaad, dat zij in zich hebben. Daarom zijn zij eigenlijk gevaarlijker dan het zichtbare kwaad. Daarom is de overwinning op deze machten de ultieme test, die aantoont, dat Jezus is de Christus: Hij brengt immers een nieuwe stand van zaken aan!

Laten we eens kijken naar de kenmerken van deze machten en dan niet als iets buiten ons, maar zoals zij ook werkelijk de drijvende kracht van ons eigen bestaan zijn. Sommigen worden ‘engelen en machten’ genoemd. Beide begrippen verwijzen naar dezelfde werkelijkheid, een werkelijkheid, die erg weinig overeenkomsten vertoont met de lieve gevleugelde babies, zoals die voorkomen op allerlei populaire afbeeldingen. Nee, zij verwijzen eerder naar een werkelijkheid, die zowel glorieus als verschrikkelijk kan zijn, een werkelijkheid die prachtig en tegelijkertijd vol verwoesting kan zijn. Over welke werkelijkheid hebben we het dan? We hoeven echt niet ver te zoeken om ze waar te nemen. Zij zitten zelfs in ons, in ons eigen gezin, in onze eigen natie, in onze wereld. En waaraan kunnen we ze herkennen? Aan de dualiteit van enerzijds een onweerstaanbare aantrekkingskracht en anderzijds een niet te overwinnen afschrikking.

De naam van één van deze machten met een engelachtig voorkomen is ‘liefde’. De poëzie loopt in alle talen over van loftuitingen op deze ‘macht’, die het leven van alle mensen beheerst. Haar engelachtige gezicht is te zien op schilderijen en in beeldhouwwerken, haar engelachtige schoonheid klinkt door in de muziek en haar goddelijke fascinatie komt tot leven in allerlei gestalten van heidense goden en godinnen. Maar tegelijkertijd zijn al deze kunstwerken en alle erbij behorende mythen vol tragiek en loopt het werk van de engel van de liefde uit op de dood. Aantrekkingskracht en angst ervoor, plezier en schuld, schepping en vernietiging zijn allemaal met elkaar verbonden in deze grote (be-)heerser over ons leven. En zowel de vreugde in als de angst voor de liefde leiden er beide toe om ons te scheiden van de liefde van God: de ene door ons weg te trekken van God naar onszelf, de andere door ons in de duisternis van de wanhoop te duwen, waarin we niets meer van God kunnen zien.

Een andere (over-)heersende kracht, die tegelijkertijd engelachtig en demonisch is, is ‘macht’. Deze bezit stoere viriele schoonheid, zoals wij die kunnen zien op sommige schilderijen van de grote aartsengelen. Zij is inderdaad een grote engel, goed en kwaad, precies zoals de liefde een machtige ‘macht’ is, is deze de bouwer en beschermer van steden en naties, de scheppende kracht achter iedere menselijke onderneming en in iedere menselijke samenleving, bij alles wat de mens wil bereiken. Zij is verantwoordelijk voor het overheersen van de natuur, voor de organisatie van staten en voor de uitoefening van het recht. En haar machtige bondgenoot is een andere engelachtige figuur, ook ten goede en ten kwade, namelijk ‘kennis’. Alle drie hebben ze ons allemaal in hun greep. De wereldgeschiedenis is het terrein,

waarop de heerschappij van de engel van de macht het meest duidelijk zichtbaar is zowel in haar glorie als in haar tragiek.

Het is eigenlijk helemaal niet nodig om daarover meer te zeggen voor mensen in onze tijd. We kunnen iedere morgen het nieuws over de (be)heerser over deze wereld lezen. We zijn in feite allemaal in de greep van deze macht, die ons op een engeleachtige manier fascineert door haar creativiteit enerzijds en door haar demonische terreur en verwoestingen anderzijds, die zich voordoen zowel in ons persoonlijk leven als in dat van het leven van onze naties. En wanneer macht zich verbindt met kennis – en dat betreft kennis, waarvan wij eerder zelfs niet konden dromen in onze geschiedenis – dan worden zowel de fascinatie alsook de verschrikking tot oneindige hoogten opgevoerd. Maar beide scheiden ons (ook) van de liefde van God: de ene leidt tot aanbidding van macht en kennis en de ander zet ons aan tot cynisme en wanhoop.

Paulus noemt ook nog twee andere dubbelzinnige realiteiten, die ons kunnen scheiden van de liefde van God, namelijk ‘hoogte en diepte’ en ‘tegenwoordige en toekomstige dingen’. Iedereen kan begrijpen wat daarmee bedoeld wordt, zonder verdere uitleg. Maar toch is het nog niet zo gemakkelijk om de rijkdom aan betekenis ervan helemaal uit te diepen. Hoogte en diepte zijn de hoogste en laagste punten in de bewegingen van de sterren; het gaat dan over de punten van hun grootste en hun geringste invloed, zowel in positieve als in negatieve zin. Hoogte en diepte zijn de momenten, waarop iemands levensproces tot zijn hoogste verwerkelijking komt wat betreft succes, vitaliteit en macht of waarop het zijn diepste punt bereikt, misschien zelfs wel zijn einde. Hoogte en diepte zijn de momenten van overwinning en van nederlaag, momenten van vervulling en van leegte, van verheffing en neergang, van fascinatie en angst. En beide momenten, zowel hoogte als diepte, proberen ons te scheiden van de liefde van God: de ene door haar licht, de andere door haar duisternis, want beide maken God onzichtbaar.

‘Tegenwoordige en toekomstige dingen’ – de eerste verwijst naar het belang, dat het heden voor ons heeft. Het verwijst naar het verleidende karakter ervan, naar onze weigering om terug te kijken of vooruit, omdat het moment van genieten of van pijn ons in zijn greep heeft. En ‘de toekomstige dingen’ hebben betrekking op de verwachting van het nieuwe, de vreugde over het onverwachte, de moed om een risico te wagen. Maar het gaat ook over het onberekenbare, het contingente en de angst voor het vreemde en onbekende.

Laten we deze opsomming nu afsluiten met het meest bedreigende tweetal, waarmee Paulus begint, namelijk ‘dood en leven’. Die twee behoren elkaar a.h.w. toe. In ieders leven is de dood altijd aanwezig; die is werkzaam in lichaam en ziel vanaf het moment van onze conceptie tot het moment van onze ontbinding. Ze is even sterk aanwezig bij het begin van ons leven als aan het einde ervan. Op het moment van onze geboorte beginnen we eigenlijk al met sterven en dat zetten we dagelijks voort, ons leven lang. Groeien betekent namelijk doodgaan, omdat dat enerzijds de levensvoorwaarden ondermijnt, hoewel het tevens ook toename van leven is. Echter, als we niet groeien betekent dat de dood onmiddellijk intreedt. We staan allemaal oog in oog met enerzijds de fascinatie om te willen leven en anderzijds met de angst voor de dood en soms tussen de angst om te leven en de fascinatie voor de dood. Dood en leven zijn de grootste, de alomvattende machten, die ons trachten te scheiden van de liefde van God.

Zo hebben we gekeken naar de machten die de wereld beheersen en waarover het geloof in de voorzienigheid moest triomferen. Wat is dit voor geloof? Het is zeker niet het geloof dat alles

uiteindelijk wel goed komt. Het is niet het geloof dat alles volgens een vooropgezet plan verloopt, of we de planner nu God, de natuur of het lot noemen. Het leven is niet een machine, die door haar bouwer goed in elkaar gezet is en die nu (af)loopt volgens de krachten en wetten van de eigen machinerie. Nee, het leven is – zowel in persoonlijk als in historisch opzicht – een creatief en destructief proces waarin vrijheid en bestemming, kans en noodzaak, verantwoordlijkheid en tragiek samen voorkomen – in alles en op ieder moment. Deze spanningen, dubbelzinnigheden en conflicten maken het leven tot wat het is. Hierdoor ontstaat de fascinatie voor en de anst voor het leven. Hierdoor ontstaat de vraag naar de moed, die het leven kan accepteren zonder erdoor overwonnen te worden – en dat is precies de vraag naar de voorzienigheid.

Maar laten we nu dit woord ‘voorzienigheid’ maar laten vallen, want het heeft teveel valse bijklanken en laten we eens kijken, wat het werkelijk betekent. Het betekent de moed om het leven te aanvaarden in de kracht van dat, wat meer is dan het leven. Paulus noemt dat ‘meer’ de liefde van God. Deze liefde overtreft zeer zeker de engelachtige-demonische gestalte van liefde, waarover wij hierboven spraken. Deze liefde (van God) is de ultieme macht van eenheid, de ultieme overwinning over het gescheiden-zijn. Daarmee verenigd zijn stelt ons in staat om boven het leven te staan, al staan we midden in het leven. Zij stelt ons in staat de dubbelzinnige heersers over het leven te aanvaarden, zowel de fascinatie als de angst ervoor, zowel de glorie als de afkeer ervan. Zij verschaft ons de zekerheid dat er geen moment mogelijk is, dat ons kan verhinderen om de rijkdom van het leven te bereiken, waarnaar alle leven uiteindelijk streeft. Dit is de moed om het leven te aanvaarden in de kracht van datgene, waarin het leven geworteld is en het het teboven gaat.

En als we dan nu vragem hoe dit mogelijk is dan keren we nog even terug naar de hymne van Paulus en daarin vinden we twee antwoorden. Hij sluit zijn lijst van heersende machten af met de woorden...”noch iets anders in heel de schepping”. Dat betekent dat de machten in/van deze wereld schepselen zijn, zoals ook wijzelf. Zij zijn niet meer dan wijzelf zijn; zij zijn beperkt. Wij zijn (echter) verenigd met wat geen schepsel is en wiens scheppende grond geen enkel schepsel kan vernietigen; we weten dan ook, dat zij evenmin de zin van ons leven kunnen vernietigen, al kunnen ze wel ons leven vernietigen. Dit geeft ons de zekerheid, dat geen enkel schepsel de betekenis van het leven (universeel) kan vernietigen – en dat geldt zowel voor de natuur als voor de geschiedenis – waar wij deel van uitmaken, ook al zou de geschiedenis en het hele universum zichzelf morgen vernietigen. Geen enkel schepsel kan ons afhouden van die ultieme moed. Geen enkel(e)? Misschien toch één – wijzelf! Tegenover alle machten en krachten, inclusief leven en dood, houdt (alleen) de moed om de eenheid met God te handhaven stand. Zij bezwijkt echter, wanneer de schuld ons scheidt van de liefde van God.

Dan kunnen we de dood niet tegemoet treden, want de angel van de dood is de zonde; we kunnen evenmin het leven tegemoet treden, want de schuld drijft het leven in de richting van een tragische zelfvernietiging. We kunnen ook de liefde niet tegemoet treden, want de liefde is bedorven door de begeerte en we kunnen ook de macht niet aan, want die is bedorven door de wreedheid. We huiveren voor het verleden, omdat het vervuild is door onze schuld en we schrikken terug voor de toekomst omdat die ons de vruchten van vroegere schuld kan opleveren en we kunnen ook in het heden geen rust vinden, omdat het ons verwijten maakt en ons wegduwt. We kunnen de hoogte niet aan, omdat we bang zijn om te vallen en we kunnen de diepte niet aan, omdat we ons verantwoordelijk voelen voor onze eigen val. Wat de heersers over deze wereld niet kunnen bereiken kan een ongemakkelijk geweten wel bereiken, namelijk de ondermijning van onze moed om het leven te aanvaarden. Daarom eindigt Paulus zijn boodschap hiermee: zelfs ons schuldige geweten kan ons niet scheiden van de liefde van

God. Want de liefde van God houdt in, dat God diegene aanvaardt, die weet dat hij/zij onaanvaardbaar is. Dat is de betekenis van Paulus’ slotwoorden “in Christus Jezus, onze Heer”. Hij is de overwinnaar van de machten van de wereld, omdat Hij onze harten overwonnen heeft. Het beeld van Hem geeft ons de zekerheid, dat zelfs onze harten, onze zelfverwijten, onze wanhoop over onszelf ons niet kunnen scheiden van de liefde van God, d.i. de ultieme verbondenheid, dat is de bron en de grond van de moed om het leven te kunnen aanvaarden.


Lees meer uit: Het Nieuwe Zijn

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.