God als het Zijn zelf

 

Gott als Sein

Het 2e deel in Band I van Tillich’s Systematische Theologie gaat over het Zijn en God. Eerst over het Zijn en de vraag naar God (A) en dan over de werkelijkheid van God (B).

Hierin werkt Tillich verder uit, wat hij bedoelt met “Gott als Sein”

Hieronder volgt het eerste gedeelte van een vertaling van dit wel erg cruciale deel in Tillich’s denken.

(in de Duitse uitgave van 1956: S. 273 vv.)

a) God als het Zijn en het eindige Zijn (of: het zijn van het eindige)

Het Zijn van God is het Zijn zelf. Het Zijn van God moet niet begrepen worden als het bestaan van een zijnde naast of boven andere zijnden. Zou God een zijnde zijn dan zou Hij aan de categorieën van de eindigheid onderworpen zijn, m.n. aan die van ruimte en substantie. Zelfs wanneer Hij het ‘hoogste Wezen’ in de zin van het ‘volmaaktste en machtigste Wezen’ zou genoemd worden, dan zou deze situatie niet anders zijn. Toegepast op God worden superlatieven diminutieven. Schijnbaar verheffen zij Hem boven alle wezens, maar in werkelijkheid stellen zij Hem op gelijke hoogte met alle andere (wezens). Veel theologen, die de uitdrukking ‘hoogste Wezen’ gebruikt hebben, bedoelden in de grond van de zaak iets anders. Zij hebben het hoogste als het absolute beschreven, als dat, wat op een (eenzame) hoogte staat, dat voor alle andere wezens kwalitatief onbereikbaar is – ja, ook voor het hoogste wezen. Zodra aan het hoogste wezen oneindige macht en onvoorwaardelijke macht en betekenis wordt toegeschreven, houdt het op een wezen te zijn en is het het Zijn zelf geworden. Veel dwalingen in de leer over God en vele zwakke plekken in de apologetiek hadden vermeden kunnen worden, als God allereerst als het Zijn zelf of als de grond van het Zijn begrepen zou zijn.

Een andere uitdrukking voor het Zijn zelf is ‘Seinsmächtigkeit’ (macht-tot-zijn). Plato wist (al), dat het Zijn de macht aanduidt, die in alle zijn inwoont, namelijk de macht om het niet-zijn weerstand te bieden, een weten, dat dankzij de nominalisten en hun moderne aanhangers (helaas) verloren ging.

In plaats van te zeggen, dat God vooral het Zijn zelf is, kan men daarom ook zeggen, dat Hij de oneindige macht tot het zijn in alles en boven alles is. Een theologie, die als eerste stap in de leer over God het niet aandurft om het Zijn zelf en de macht tot het zijn gelijk te stellen, valt in monarchisch monotheïsme

terug. Immers, als God niet het Zijn zelf is, dan zou Hij aan het zijn ondergeschikt zijn, precies zoals Zeus in de Griekse godsdienst onderworpen is aan het Lot. De structuur van het Zijn zelf zou dan zijn Lot zijn, zoals dat ook geldt voor alle andere dingen. Maar God is zijn eigen Lot (Schicksal). Hij is ‘door zichzelf’, Hij bezit ‘aseïtas’. En dat kan alleen maar gezegd worden over Hem, wanneer Hij macht tot (het) zijn is, wanneer Hij het Zijn zelf is!

Als het Zijn zelf staat God boven de tegenstelling van het essentiële en existentiële zijn. We hebben al gesproken over de overgang van het essentiële zijn naar de existentie. Deze overgang vooronderstelt, dat het Zijn met zichzelf in tegenspraak kan komen en zichzelf verliezen kan. Maar dit kan alleen van een zijnde gezegd worden, niet van het Zijn zelf. Immers, het Zijnde kan niet vervallen tot niet-zijn. Daarin onderscheidt het zich van alle zijnden. De klassieke theologie heeft gelijk (gehad), door uitdrukkelijk te leren, dat God boven essentie en existentie staat. M.a.w.: het Zijn zelf staat boven de splitsing tussen essentie en existentie, waaraan al het eindige onderworpen is.

Daarom is het ook onjuist, wanneer men over God spreekt als universele essentie of dat Hij ‘bestaat’ (existeert). Wanneer God als universele essentie, als de vorm van alle vormen begrepen wordt, dan wordt hij gelijkgesteld aan de totaliteit en de eenheid van al het eindige. Maar dan is Hij niet meer dat, wat aan het eindige de macht tot zijn geeft. Zijn scheppende kracht zou Hij dan in een systeem van vormen hebben laten (in)stromen en Hij zou aan deze vormen gebonden (geweest) zijn. Dan hebben we het dus eigenlijk over pantheïsme.

Anderzijds doen zich ook grondige problemen voor, wanneer men probeert over God als ‘existerend’ te spreken. Toen Thomas van Aquino probeerde de existentie van God te bewijzen en tegelijkertijd de uitspraak staande wilde houden, dat God boven essentie en existentie staat, moest hij wel twee soorten ‘goddelijke existentie’ onderscheiden: de ene, die identiek is met zijn essentie en de andere, die dat niet is. Maar een bestaan (existentie) van God, dat niet één is met zijn essentie, is in tegenspraak met het idee (van) ‘God’. Hij zou dan een wezen zijn, dat door te bestaan zijn essentiële potentialiteit niet vervult. Zijn en nog-niet-zijn zouden dan in Hem vermengd zijn, zoals dat ook het geval is bij al wat eindig is. God zou dan ophouden God te zijn, namelijk de grond van het zijn en de zin ervan.

In werkelijkheid heeft zich het volgende voorgedaan: Thomas moest twee verschillende overleveringen zien te verenigen: de augustijnse, waarin de goddelijke existentie in de goddelijke essentie opgesloten is, en de aristotelische, die het bestaan van God afleidt uit het bestaan van de wereld en dan de conclusie formuleert, dat zijn existentie gelijk is aan zijn essentie.

Maar men kan de vraag naar de existentie van God niet stellen en evenmin beantwoorden. Wordt deze vraag (wel) gesteld, dan moet men naar dat

vragen, wat naar zijn wezen de existentie teboven gaat en daarom moet het antwoord – hetzij bevestigend of ontkennend – alleen al door haar vorm God als God ontkennen. Het is evengoed atheïsme het ‘bestaan van God’ te beweren (bevestigen) als dat het atheïsme is Hem te ontkennen (loochenen). Want God is het Zijn zelf, niet een zijnde.

Op basis hiervan kan de eerste stap gezet worden in de richting van de oplossing van het probleem, dat gewoonlijk als dat van ‘de immanentie en de transcendentie van God’ onderzocht wordt. Als de ‘macht van het Zijn’ transcendeert God ieder zijnde en de totaliteit van al het zijnde, zeg maar de wereld. Het Zijn zelf gaat eindigheid en oneindigheid teboven. Als het Zijn alleen maar oneindig zou zijn zou het begrensd worden door het eindige en dan zou de ware macht van het Zijn noch in het eindige noch in het oneindige liggen. Dit is zeker waar: het Zijn zelf transcendeert ieder eindig zijn oneindig. Er bestaat geen verhouding en geen gradueel onderscheid tussen het eindige en het oneindige, maar alleen een absolute breuk, een ‘oneindige, “sprong”.

Anderzijds is het wel zo, dat al het eindige aan het Zijn zelf en zijn oneindigheid deelneemt. Anders zou het geen macht-tot-zijn hebben. Het zou anders door het niet-zijn opgeslokt worden of in het geheel niet uit het niet-zijn naar voren zijn gekomen. Deze dubbele verhouding van alle wezens tot het Zijn zelf geeft het Zijn zelf een dubbel karakter. Als we het Zijn zelf een scheppende betekenis geven, dan verwijzen wij daarmee naar het feit, dat ieder ding participeert in (deelneemt aan) de oneindige macht-tot-zijn. Als we het als grondeloos (abyssaal) typeren, dan verwijzen we daarmee naar het feit, dat ieder ding slechts op een eindige manier aan de zijnsmacht deelneemt èn dat alle wezens door hun scheppende grond oneindig getranscendeerd worden. (wordt vervolgd).

 

Terug naar overzicht Syst. Theologie I

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.