Over eeuwigeheid gesproken

 

Over eeuwigheid gesproken

In het tweede deel (Pars II) komt Tillich te spreken over “Sein und Gott” en als onderdeel daarvan over de ‘werkelijkheid Gods’, uitgewerkt in ‘God als idee’ en ‘God en wereld’.

In onze verhouding tot God gebruiken wij woorden/benamingen van God als de Heilige, de Almachtige, de Eeuwige e.d.

Wat kunnen we verstaan onder een begrip als ‘eeuwigheid’?

Hier volgt een vertaling van SysTh. I, S 315 e.v.

2. De zin van het begrip ‘eeuwigheid’.

Eeuwigheid is typisch een religieus woord. Naar analogie van woorden als ‘alomtegenwoordigheid’ en ‘alwetendheid’ zou met evenveel recht het woord ‘altijdelijkheid’ gevormd kunnen zijn. De reden van deze bijzonderheid is, dat ‘tijd’ in een bijzondere zin tot de categorie van de eindigheid behoort. Wat ons de moed geeft om de angst voor de tijdelijkheid op zich te nemen, dat mag men (met recht) goddelijk noemen. Als we God aanroepen als ‘eeuwige God’ wordt dat beleefd als deelname aan Hem/dat, door wie het uitgeleverd zijn aan de tijd overwonnen is.

Het denken over de eeuwigheid moet tegen twee onjuiste duidingen beschermd worden. Eeuwigheid is namelijk geen tijdloosheid en evenmin oneindige tijd. De betekenis van olamim in het Hebreeuws en van aiones in het Grieks is niet tijdloosheid, maar de kracht om alle tijdsmomenten te omvatten. Omdat de tijd in de grond van het leven van God geschapen werd, staat God in een essentiële verhouding tot haar. Voorzover God de splitsing tussen potentialiteit en actualiteit transcendeert, moet dit ook van de tijd als een element van het leven van God gezegd worden. In God zijn de momenten in de tijd niet van elkaar gescheiden. Het heden wordt niet door het verleden en de toekomst opgeslokt. Toch sluit het eeuwige het tijdelijk in zich: eeuwigheid is de transcendente eenheid van de van elkaar gescheiden momenten in de existentiële tijd. De eeuwigheid kan niet begrepen worden als de gelijktijdigheid van al het werkelijke. Gelijktijdigheid zou de verschillende modi van de tijd opheffen. Maar tijd zonder modi is tijdloosheid. Er zou dan geen onderscheid bestaan tussen eeuwigheid en de tijdloze geldigheid van een mathematische stelling. Als wij God een levende God noemen, dan beweren wij, dat Hij de tijdelijkheid en daarmee een verhouding tot de tijdsmodi in zich bevat. Ook Plato zelfs kon de tijdelijkheid niet uit de eeuwigheid uitsluiten. Hij

noemt de tijd het zich voortbewegend beeld van de eeuwigheid. Hij zou dat niet gezegd kunnen hebben, als hij eeuwigheid als tijdloosheid had opgevat. De eeuwigheid sluit de tijd in bij Plato, ook al is de tijd bij hem de tot zichzelf terugkerend kringloop.

Hegel werd op kritische gronden door Trendelenburg en op religieuze gronden door Kierkegaard bekritiseerd, omdat hij de beweging had toegevoegd aan het gebied van de logische vormen. Maar bij Hegel zijn de logische vormen, waarvan hij de beweging beschrijft, machten tot het zijn (Seinsmächtigkeiten). Zij zijn geen actuele machten, maar zij zijn dat, wat in de natuur en de geschiedenis geactualiseerd wordt. Hegel wijst bijv. op een tijdelijke beweging van het absolute, waarvan de tijd, zoals wij die kennen, tegelijk afbeelding en ontaarding is. Toch was Kierkegaards kritiek terecht, omdat Hegel er niet aan dacht, dat de situatie van de mens met zijn ontaarde tijdelijkheid zijn poging om te komen tot een uiteindelijke en volledige geschiedinterpretatie teniet doet. Maar zijn gedachte aan een dialektische beweging binnen in het absolute stemt overeen met de echte zin van wat eeuwigheid betekent. Eeuwigheid is inderdaad geen tijdloosheid!

Maar eeuwigheid is ook geen tijd zonder einde. Eindeloze tijd, door Hegel terecht als ‘slechte oneindigheid’ getypeerd, dat is immers de eindeloze, steeds weer voortdurende herhaling van de tijdelijkheid. De in ogenblikken te verdelen tijd , daarvan een eindeloze herhaling te vereisen om ze zo een oneindige betekenis te verschaffen, dat is afgoderij in optima forma. Eeuwigheid in deze zin zou voor ieder eindig wezen gelijk staan met verdoemenis, wat ook de inhoud van een nooit eindigende tijd zou zijn. (vergelijk de sage van de eeuwige Jood). Voor God zou dat de onderwerping aan een macht boven Hem betekenen, namelijk onder de structuur van de verdeelde tijdelijkheid. Het zou Hem van (een) eeuwigheid beroven en Hem maken tot een altijd leven wezen van een benedengoddelijk karakter. Eeuwigheid is geen eindeloze tijd.

Op grond van deze overwegingen en van de bewering, dat de eeuwigheid ook de tijdelijkheid mede omvat, moet nu de vraag gesteld worden: welke verhouding bestaat er tussen de eeuwigheid en de tijdsmodi? Het antwoord daarop vereist het gebruik van de enig mogelijke analogie voor de eeuwigheid, die er is, namelijk de eenheid van het herinnerde verleden en de geanticipeerde toekomst in de ervaring van het heden. Met behulp van zo’n analogie nadert men symbolisch de betekenis van wat de eeuwigheid is. Analoog aan dit overwegen van het heden in de tijdelijke ervaring moet eeuwigheid allereerst als eeuwige tegenwoordigheid (tegenwoordige tijd) gesymboliseerd worden (nunc aeternam). Dit nunc aeternam is echter niet hetzelfde als gelijktijdigheid of de ontkenning van de zelfstandige betekenis van

het verleden en de toekomst. Dat eeuwige heden beweegt zich vanuit het verleden naar de toekomst, maar houdt niet op om daarbij (ook) heden te zijn. De toekomst is alleen dan echte toekomst, wanneer zij open blijft (staan), wanneer iets nieuw kan gebeuren en wanneer men haar verwachten kan. Daarin vond Bergson aanleiding om het open-zijn van de toekomst te onderstrepen en hij ging daarin zo ver, dat hij God van het niet voorziene, dat zou kunnen gebeuren, afhankelijk maakte. Maar door zijn leer van het absolute open-zijn van de toekomst ontnam Bergson het heden zijn waarde en ontnam het ook de verwachting van de toekomst. Een God, die niet in de positie is om op iedere mogelijke toekomst te anticiperen, is van het absolute toeval afhankelijk (geworden) en kan niet de grond van laatste moed zijn. Zo’n God zou zelf onderworpen zijn aan de angst voor het onbekende. Hij zou niet het Zijn zelf zijn. Daarom is slechts een relatief, niet een absoluut open-zijn voor/naar de toekomst een wezenskenmerk van de eeuwigheid. Het nieuwe gaat in het leven van God potentialiteit en actualiteit teboven. Het wordt als nieuw in de tijd en de geschiedenis geactualiseerd. Zonder dat element van openheid zou de geschiedenis niet ‘scheppend’ kunnen zijn. Ze zou zelfs ophouden geschiedenis te zijn. Anderzijds zou zonder dat, wat het open-zijn begrenst, de geschiedenis zonder richting en doel zijn. Ook daardoor zou zij ophouden geschiedenis te zijn.

Gods eeuwigheid is ook niet afhankelijk van de voltooiing van het verleden. Voor God is het verleden niet afgesloten, omdat Hij door haar de toekomst schept en in het scheppen van de toekomst schept Hij het verleden opnieuw. Zou het verleden de optelsom zijn van datgene, wat geschied is, dan zou zo’n bewering zinloos zijn. Maar het verleden sluit zijn eigen potentialiteiten in. De potentialiteiten (mogelijkheden), die in de toekomst actualiteit(en) zullen worden, bepalen niet alleen de toekomst, maar ook het verleden. Het verleden wordt door al het nieuwe, wat gebeurt, iets anders. Zijn ‘aangezicht’ verandert. In dit feit ligt de waarde van een historische duiding van het verleden. De mogelijkheden, die het verleden in zich bergt komen echter niet eerder aan het licht dan wanneer zij de toekomst bepaald hebben. Zij kunnen deze bepalen door een nieuwe duiding van dat, wat historisch herinnerd wordt. Of zij kunnen haar bepalen door ontwikkelingen, die deze of gene potentialiteit werkzaam maken. Vanuit de eeuwigheid gezien zijn zowel het verleden als de toekomst open. De scheppende kracht, die (ons) de toekomst inbrengt (of: leidt naar...), verandert ook het verleden. Als de eeuwigheid verstaan wordt in verbondenheid met Gods creativiteit (scheppende kracht), dan omvat de eeuwigheid zowel het verleden als de toekomst, zonder dat die beroofd worden van hun bijzondere karakter als tijdsmodi.

Het geloof aan de eeuwige God is de basis voor de moed, die in staat is de negativiteit(en) van het tijdsproces te overwinnen. Zowel de angst voor het verleden als de angst voor de toekomst verliezen (dan) hun (beklemmende) macht. De angst voor het verleden wordt overwonnen door de vrijheid, die God tegenover het verleden en zijn mogelijkheden heeft. De angst voor de toekomst komt men teboven, omdat het nieuwe afhankelijk is van de verbondenheid met het leven van God. De in de tijd verdeelde, aparte ogenblikken zijn in het eeuwige één. Hierin – en niet in de leer van de onsterfelijkheid der ziel – ligt de zekerheid van het deelhebben van de mens aan het eeuwige leven verankerd. De hoop op een eeuwig leven is niet gegrond in een substantie-kwaliteit van de menselijke ziel, maar op een deelhebben aan de eeuwigheid van het leven van God.

 

Terug naar overzicht Syst. Theologie I

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.