De betekenis van Paul Tillich in de 21e eeuw

 

Lezing gehouden door Dr. Cees Huisman in “Trias” op 28 januari 2014

Openingsmotto: Spreuken 10: 7: “De herinnering aan een rechtvaardige strekt tot zegen”


Inleidende en verkennende bewegingen

Ik heb aangekondigd dat ik mijn lezing in ‘Jip & Janneke-taal’ zou houden, maar ik vrees dat dat niet helemaal gaat lukken. Zo zullen gedurende mijn verhaal zo nu en dan ook enkele letterlijke citaten van Tillich langskomen, in het Engels of in het Duits. Misschien kan iedereen dat wel voor zichzelf vertalen, maar ik zal in ieder geval zelf ook altijd een vertaling daarvan aanreiken.

Halverwege houden we even een korte pauze, voor koffie of thee. De lezing is informatief bedoeld en ik drop het dus niet als een discussienota, hoewel ik me ook kan voorstellen, dat zijn theologie vragen oproept of prikkelt tot tegenspraak, maar dat alles kan dan eventueel plaatsvinden aan de bar, onder het genot van een drankje. U kunt mij dan benaderen of u bespreekt het met iemand anders na... Misschien dat ik later nog eens een aparte bijeenkomst beleg om enkele hoofdlijnen uit zijn theologie als uitgangspunt te nemen voor een discussie daarover. Deze lezing zie ik dan als een soort opmaat daartoe, want alles op één avond willen doen leidt tot niets.

Het wordt zo zachtjes aan tijd om een balans op te maken – een tussenbalans – waarbij de vraag gesteld wordt: wat heeft Paul Tillich mij geboden, nu ik hem twee jaar lang vrij intensief bestudeer – als theoloog, als predikant, als mens van de kerk, als iemand, die 50 jaar na zijn dood leeft? Maar ik wil het dan vooral niet alleen over mijzelf hebben, maar ik wil de vraag verbreden en die als volgt formuleren: heeft het denken en theologiseren van Paul Tillich ons aan het begin van de 21e eeuw nog iets te zeggen of is wat hij naar voren brengt achterhaald en niet meer passend bij deze tijd? Gaat zijn theologie in op de vragen van mensen in onze tijd – of juist niet? Kortom, is het zinvol je met Paul Tillich bezig te houden of eigenlijk helemaal niet?

Maar misschien moet eerst nog wel de vraag beantwoord worden of het überhaupt nodig en zinvol is om je met welke theoloog ook bezig te houden. Kun je de bijbel niet gewoon lezen, zoals het er staat en kun je je geloof niet leven en beleven, zoals het jou goed lijkt. Natuurlijk kun je zo leven en geloven, maar vroeg of laat zul je toch ook vragen krijgen, die om een antwoord vragen. Die kunnen bij jezelf opkomen of het zijn anderen, die ze jou stellen. Dan komt de behoefte aan een theoloog om de hoek kijken, want dat is hun werk: vragen beantwoorden door de Bijbel te interpreteren en te herinterpreteren. Je kunt ook zelf proberen een antwoord te geven op je eigen of andermans vragen en dan ontwikkel je jezelf eigenlijk tot een amateur-theoloog of je gaat te rade bij theologen, die voor jou al met die vragen zijn bezig geweest en je doet daar je winst mee. Een lange tijd heeft in de protestantse traditie de Heid. Cat. als zo’n leeswijzer gefungeerd. Maar dat is een geschrift uit de 16e eeuw, geschreven vanuit bepaalde vooronderstellingen en opvattingen uit die tijd, en de vraag is dan of zo’n geschrift ons nog kan helpen bij de vragen, die nu opkomen.

Ook de van kaft-tot-kaft bijbellezer ontkomt er niet aan om te rade te gaan bij een of andere theologie – en eigenlijk is die manier van omgaan met de Schrift al een soort theologie. Ook de evangelisch georiënteerde gelovige gelooft en denkt volgens bepaalde theologische lijnen, onbewust vaak en rechtstreeks vanuit de Bijbel, zo lijkt het, maar zonder interpretatie en zonder begrippen staat iedere gelovige christen met een mond vol tanden. Zodra je over je geloof begint te spreken ben je eigenlijk al theologie aan het beoefenen. Welke theologie of theoloog jou richting wijst in je zoeken naar antwoorden hangt heel erg van jezelf en van je soort vragen af. Niet iedereen heeft dezelfde vragen en niet iedereen is gecharmeerd van de antwoorden, die een bepaalde theoloog aanreikt.

Sommige theologiën zijn nogal gedateerd of werden ontwikkeld in een context, die ver van ons afstaat. Bijv. de uitgebalanceerde overwegingen over de vraag hoe nu precies de verhouding tussen God en mens was in de persoon van Jezus de Christus. In de vroege kerk heeft men zich daar uitvoerig over gebogen en de zgn. twee naturenleer ontwikkeld, gebruik makend van begrippen, ontleend aan het Griekse denken, en de vraag is dan of wij daar nog iets van begrijpen. Moeten wij het antwoord, dat toen gegeven werd, zonder meer overnemen of kunnen we beter teruggaan naar de vraag en proberen opnieuw een antwoord te formuleren. Dat is eigenlijk de voortgaande opdracht van de theologie. Zo is iedere theoloog op zoek naar de antwoorden op vragen en problemen, die zijn tijdgenoten stellen. Nieuwe theologiën komen naar voren, als oude antwoorden niet meer voldoen of nieuwe vragen zich voordoen. Wie daar een buitengewoon goede antenne voor had was Paul Tillich. Hij is iemand, die voortdurend in gesprek is met zijn tijd – probeert de vragen van zijn tijd te formuleren en zoekt naar antwoorden vanuit het Evangelie of liever: het Evangelie als antwoord. Het evangelie hier bedoeld als de brede bijbelse verkondiging, waarbij hij als Luthers theoloog een aantal uitgangspunten als onwrikbare vertrekpunten neemt, m.n. de leer van de rechtvaardiging, die als een rode draad door zijn theologie loopt.

Om even een pas op de plaats te maken nu: vanuit het voorgaande zal duidelijk zijn, dat niet iedereen aangeproken kan worden door Paul Tillich. Dat komt dan, omdat men zijn vragen niet herkent als zijn eigen vragen of omdat men niet kan meekomen met zijn antwoorden. Wie alleen maar kennis neemt van de antwoorden en niet weet op welke vraag dat een antwoord is, raakt ook al gauw het spoor bijster. En wie een bepaald probleem niet als probleem herkent is ook niet geinteresseerd in het antwoord. Wie zegt of denkt: ik heb aan de Heid. Cat. genoeg, die geeft antwoord op al mijn vragen, die heeft bij Paul Tillich niets te zoeken en die wordt wellicht alleen maar door hem in verwarring gebracht.

Begrijp me goed: ik wil niemand bekeren tot het Tillichianisme, als dat al zou bestaan en zou kunnen. Als iemand zegt: Paul Tillich zoekt antwoorden op vragen, die ik zelf helemaal niet heb, dan kan het wellicht nog wel interessant zijn om kennis te nemen van zijn denkwijze en daarom bent u wellicht ook vanavond hier. Ook is het mogelijk, dat de vragen, die door hem opgeroepen en beantwoord worden, ergens ook wel in uw achterhoofd spelen of op de bodem van uw hart liggen, maar dat u het te eng vindt om ze los te laten, omdat u bang bent, dat ze uw geloof aanvallen of zelfs verslinden. Ik denk dan: a. Angst is een slechte raadgever en b. Onderdrukte vragen komen vroeg of laat altijd naar boven. Met alle inspanningen de kritische vragen onderdrukken leidt tot fanatisme en dat is slecht voor jezelf en voor anderen.

Uiteraard is en blijft iedereen vrij te doen met wat aangereikt wordt: ik heb zelf op een of andere manier een ‘click’ met hem gekregen en dat laat mij niet meer los. Niet dat hij mij geleerd heeft heel anders te denken of te theologiseren, integendeel, ik ontmoette in hem eerder een theoloog, die mij in vele opzichten bevestigde. Ook al gebruikt hij vaak andere begrippen en al formuleert hij het anders dan ik zelf doe of zou doen, vaak is er een feest van herkenning, wanneer ik iets bij hem lees. Zijn manier van denken had ik mij in zekere zin en tot op zekere hoogte al eigen gemaakt voordat ik hem ging lezen...is dat geen wonder?! J

Maar ik ben tevens van mening, dat zijn theologie ook nog zinnig is voor het gesprek over ontkerkelijking en toenemend atheïsme. Te vlot zeggen mensen vaak: ik geloof niet in God. Ik geloof nergens in. Samen met Paul Tillich wat doorvragen kan veel ophelderen, zowel voor jezelf als voor de ander, met wie je in gesprek bent.

Als ik vanavond enkele hoofdlijnen van zijn theologie naar voren haal, zal ik proberen de relevantie daarvan voor onze tijd aan te geven. Ik wil zijn theologie niet actueel maken, want ik ben van mening, dat zij actueel is of niet. Het is net als met goede wijn: die behoeft geen krans. Je proeft de kwaliteit of je gooit het door de gootsteen, afhankelijk van je smaak, natuurlijk.

Eerst even iets over de vraag of ik er eigenlijk wel genoeg van afweet om deze avond te beleggen. Dan kan ik daarop misschien het beste antwoorden met de opmerking, die Tillich zelf eens in 1963 in Tübingen maakte tijdens een voordracht over zijn verblijf in Amerika, waar hij sinds 1933 woonde en werkte: hij zei: toen ik er 8 dagen was dacht ik: ik kan er wel een boek over schrijven. Toen ik er 8 maanden was, dacht ik: ik kan er wel een artikel over schrijven en na 8 jaar Amerika dacht ik: wat moet ik er in Godsnaam over schrijven: zo’n divers en onoverzichtelijk palet, deze veelkleurige samenleving, ik weet niet waar ik beginnen moet.

Ik bevind me t.a.v. Tillich in de 8 dagen of 8 maanden-sfeer en ik durf dus in een zekere beginnersovermoed wel e.e.a. over hem te zeggen, maar hoe meer ik van hem lees, hoe meer ik onder de indruk raak van zijn eruditie en denkkracht en hoe moeilijker het wordt om hem volledig recht te doen – maar ik heb het me voorgenomen en hier gaan we dan.... Temidden van Paul Tillich-kenners, voorzover ik die ken, beschouw ik mezelf als Paulus temidden van de eerste christenen: als een ontijdig geborene, een laat-komer.

Ik ben me ook wel bewust van het gevaar dat er schuilt in het zo prominent naar voren brengen van één theoloog. De uitdrukking ‘naming is framing’ is wel bekend, denk ik: daarmee wordt bedoeld,dat je daarmee jezelf een etiket opplakt, dat lastig te verwijderen is, ook niet met stickerverwijderaar. Het noemen van de naam roept herkenning op, maar soms ook weerstanden. Als ik in een preek telkens zijn naam zou laten vallen, dan kun je de reacties op je vingers narekenen: een deel zal denken: daar heb je hem weer; een ander deel zal instemmend knikken en nog een ander deel zal zeggen: wie zei u daar?

Daarom noem ik zijn naam vrijwel nooit in een preek. Maar als ik samen met Joke naar huis rijd, vraag ik wel eens aan haar: en heb je nog iets van Tillich gehoord? En dan noemt zij een bepaalde gedachte of zinsnede en dan zeg ik: ja, inderdaad, dat was typisch iets van Tillich of ik moet haar teleurstellen en zeggen: nee, dat was iets van mijzelf J

Ook hebben sommige mensen mij wel eens te verstaan gegeven: ‘ik ben geïnteresseerd in het evangelie, niet in Paul Tillich’. Dan hoor ik duidelijk een krak in mijn klomp en ik zeg dan: ja, alles goed en wel, maar juist omdat het evangelie ook mij zeer ter harte gaat, houd ik mij bezig met Paul Tillich, want hij is voor mij een gids door het evangelie of iemand die begroeide, overwoekerde paden weer begaanbaar maakt. Zo’n opmerking, bedoeld als een terechtwijzing, klinkt mij in het oor, als wanneer iemand tegen een musicus zegt: houd nou maar op met Bach of Brahms, want ik ben alleen geinteresseerd in muziek....

Na deze misschien wat al te lang uitgevallen inleiding wil ik me nu richten op het eigenlijke onderwerp: heeft Paul Tillich nog enige relevantie voor deze tijd.


Korte biografische schets

Om degenen, die misschien voor het eerst van hem horen, tegemoet te komen geef ik eerst even een korte biografische schets van hem. Die kunt u trouwens ook op mijn website (www.paultillich.nl) over Paul Tillich vinden: - en nog even tussen haakjes: de biografie van een theoloog is niet zomaar een losstaand gegeven, alsof de biografie naast de theologie plaatsvindt – nee, de biografie is vaak de theologie – de levensloop bepaalt de inhoud van de theologie voor een belangrijk deel!

Tillich werd geboren op 20 augustus 1886. Hij is dus een tijd- en leeftijdgenoot van Karl Barth. Hij is geboren in Starzeddel, nu Pools grondgebied. Zijn vader was Luthers predikant en later superintendent over een groter kerkgebied, zijn moeder overleed vroeg. Tillich doorloopt het Duitse opleidingssysteem en het gymnasium. Hij begint dan al met het lezen van filosofie. In 1904 gaat hij theologie studeren, in Berlijn, Tübingen en Halle, befaamde theologische universiteiten van het Duitsland van die tijd. In 1910 promoveert hij in de filosofie, in 1912 in de theologie. Het gaat bij beide dissertaties overigens om een filosofisch onderwerp. Hij wordt hulpprediker in Berlijn, in een arbeiderswijk, waar zijn sympathie voor het socialisme ontstaat. In 1914 trouwt Tillich met Greti Wever en hij wordt vrijwillig ‘Feldprediger’, predikant bij de Duitse troepen aan het Westelijk front (1914-1918). Tillich zelf beschrijft de ervaringen die hij tijdens de oorlog opdeed als een keerpunt in zijn leven. Na zijn scheiding van Greti Wever ontmoet Tillich Hannah Werner. Zij trouwen in 1924 en blijven, ondanks veel moeilijkheden, tot aan het eind van Tillich’s leven samen.

In 1924 krijgt Tillich eindelijk een benoeming in Marburg, waar dan ook Martin Heidegger doceert. Tillich geeft hier colleges dogmatiek. In die tijd komt hij ook in aanraking met het beginnende Barthianisme, dat hij als neo-orthodoxie beschouwt en vanwege diens cultuur- en filosofievijandelijke houding verwerpt.

In 1925 krijgt hij een benoeming in Dresden, waar hij vooral van de kunst geniet. Twee jaar later krijgt Tillich een benoeming in Leipzig, waar hij ‘ordentlicher Honorarprofessor’ wordt. Door verschillende omstandigheden krijgt hij in 1929 een benoeming in Frankfurt; als filosoof, niet als theoloog. Frankfurt was in deze tijd een zeer progressieve universiteit, waar onder anderen veel Joodse hoogleraren zaten. In 1933 komen de nationaal-socialisten in Duitsland aan de macht en wordt Adolf Hitler bondskanselier. Tillich had zich al gedurende vele jaren in het openbaar voor het (religieus-)socialisme uitgesproken en wordt daarom door de nazi’s als vijand beschouwd. Hij hoopt zelf nog in Duitsland te kunnen blijven en probeert een positie als theologisch hoogleraar in Berlijn te bemachtigen. Maar dat lukt niet en hij wordt ontslagen in Frankfurt. Daarom is hij blij als hij 1933 een aanbod krijgt om naar het Union Theological Seminary in New York te gaan. Hij gaat op dit aanbod in en blijft de rest van zijn leven in de VS. De situatie in de VS is aanvankelijk heel moeilijk voor hem, want heeft hij daar een andere positie dan in Duitsland. Bovendien moest hij op 47-jarige leeftijd het Engels nog grotendeels zich eigen zien te maken. Aanvankelijk heeft hij een onbelangrijke positie als (hoog)leraar aan Union. Later krijgt hij een betere positie als hoogleraar aan Union en ook meer publieke erkenning. Dat is mede te danken aan zijn vriend Reinhold Niebuhr, die er indertijd voor gezorgd heeft dat Tillich in de VS terechtkwam.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog is hij politiek actief. Hij doet mee bij Die Stimme Amerikas, een zender die in Duitsland te horen was en het verzet tegen de nazi’s stimuleren moest. Inmiddels wordt ook duidelijk dat Tillich de potentie heeft een echte theologisch-filosofische grootheid te worden. Hij wordt vaak in Duitsland uitgenodigd om ‘Gastsemester’ te houden. In totaal heeft hij, in diverse landen, tien eredoctoraten gekregen. In 1951 verschijnt het eerste deel (de eerste ‘Band’) van zijn driedelige Systematische Theologie. Dit boek trekt veel aandacht in zowel positieve als ook negatieve zin. In 1954, nadat hij met emeritaat is gegaan, krijgt hij een benoeming als ‘University Professor’ aan Harvard University – zo’n beetje de hoogste eer voor een

wetenschapper. In 1962 krijgt hij een erepositie als hoogleraar in Chicago. In 1965 overlijdt hij t.g.v. een hartaanval.


Paul Tillich en zijn nagalm

Grote theologen mogen rekenen op een lange nagalm. Voor Tillich geldt dat zeker, want er zijn nog steeds studiekringen, publicaties en lezingen, die aan hem gewijd worden.

Ik zal een paar voorbeelden noemen:

In de VS, Duitsland en ook in Nederland (maar ook in Frankrijk en Brazilië) bestaan in ieder geval Paul Tillich genootschappen, die om de zoveel tijd bijeenkomsten, studiedagen en symposia beleggen en publicaties over hem verzorgen. In Ned. ben ik ook zelf sinds 2012 lid geworden van het PT Genootschap, dat om de 6 a 7 weken een studiemiddag organiseert. Het is maar een kleine groep, vogels van diverse pluimage, protestants en rooms-katholiek en vrnl mannen, kunstenaars, theologen en filosofen en andere geinteresseerden. Iemand, die er ook lid van is, maar die ik nog nooit aanwezig heb gezien, is bijv. Jan Jacques Suurmond, een columnist van Trouw, die op een eigenzinnige en vaak humoristische manier de betekenis van het evangelie over het voetlicht brengt en waarin ik van tijd tot tijd invloeden van Paul Tillich bespeur. Het verbaast mij althans niet, dat ook hij lid is van het PT Genootschap.

Dan wil ik nog twee voorbeelden noemen, waaruit blijkt, dat ook anderen naar de actualiteit en relevantie van het denken van Paul Tillich zoeken en dat in artikelen of inleidingen aangeven.

In 2012 kocht ik een vrij recente uitgave van de prekenbundel van Tillich, oorspr. verschenen in 1955 o.d.t. The New Being. Mijn editie was van 2005 met een inleiding van Mary Ann Stenger, waarin zij schrijft, dat zij in de periode van 9/11 in 2001 getroffen was door de moed en de positiviteit, die zij vond in de preken van Paul Tillich – samengevat in de woorden “Love is stronger than death”, een preek van Tillich in deze bundel n.a.v. 1 Joh. 3: 14.

En dan vond ik in het Bulletin van het Noord Am. PT Genootschap een artikel, verschenen in het herfstnummer van 2012, geschreven door Derek R. Nelson, getiteld “Absolutes, Relativism, Teaching ‘Dynamics of Faith’”. Misschien op het eerste gezicht niet zo’n aansprekend en uitdagend verhaal, maar bij nader inzien valt dat wel mee: het gaat over het zeer bekend geworden boekje van Tillich over de dynamiek van het geloof ‘Dynamics of Faith’, dat voor de schrijver van dit artikel in de jaren ‘60 van de vorige eeuw een geweldige eye-opener was geweest en voor vele van zijn tijdgenoten, die toen theologie studeerden. Maar het was hem opgevallen, dat hij bij de studenten van nu, met wie hij dit boekje ook leest en bespreekt, veel minder response en Anklang constateert. De huidige student in de VS – in dit geval in Pennsylvania – heeft een andere achtergrond, leeft in een ander geestelijk klimaat, reageert anders op uitdagingen en vragen van deze tijd – en daarom moet de docent veel uitleggen en interpreteren, achtergronden vermelden, voordat het kwartje eventueel valt – of misschien bij sommigen halverwege blijft steken.


De correlatiemethode

En zo kom ik uiteindelijk nu uit bij één van de eerste aandachtspunten, die ik vanavond wil bespreken, en dat is de correlatie-methode of – gedachte. Theologie wordt beoefend in een vraag- en antwoordsetting. Tillich doet in zijn theologie eigenlijk niet anders dan ingaan op de vragen van de mensen in zijn tijd. Hij analyseert het denken en voelen van de mensen in de samenleving, waarvan hij ook zelf deel uitmaakt, en probeert dan het evangelie als antwoord op die vragen te formuleren.

Zo is zijn theologie een apologetische, antwoordende theologie en zo ziet hij zichzelf ook staan in de lijn van de kerkvaders en theologen van de Reformatie en latere 19e eeuwse theologen, die allemaal één grote ‘drive’ hadden, namelijk het evangelie verstaanbaar te laten zijn in de huidige context. Anecdotisch en verhelderend in dit opzicht is de opmerking van Paul Tillich, toen hij in New York een keer een enorm billboard zag hangen met daarop de tekst: “Jezus is het antwoord”, waarbij hij opmerkte: “Ja, maar wat is de vraag?” M.a.w. het Evangelie kan pas adekwaat gecommuniceerd worden en relevant voor iemand worden, als het ingaat op zijn/haar vragen en antwoorden biedt, die hem/haar verder helpen.

Pas op die manier leert men ook, wat geloof eigenlijk is en pas zo leert men waar het eigenlijk om gaat of over gaat. Paul Tillich vertelt ergens, dat hij als kandidaat-theoloog in de jaren 10 van de vorige eeuw godsdienstles gaf aan een groep van 20 kinderen van 12/13 jaar en dat zij op iedere vraag, die hij stelde antwoordden met “Glaube” – geloof, je moet het geloven e.d. Toen heeft hij met hen afgesproken, dat het woord “Glaube” de eerste maanden niet meer gebruikt mocht worden, omdat men dat woord/begrip te pas en te onpas van stal haalde en geen benul had van wat men er precies mee bedoelde. In 1957 schrijft hij iets over godsdienstige opvoeding en geeft daarbij aan, dat men begrippen als kerk, geloof, koninkrijk Gods, zonde, genade etc. niet als vreemde projectielen naar de hoofden van kinderen en volwassenen moet gooien, maar dat men moet proberen te onderzoeken , waarop deze begrippen een antwoord (willen) zijn.

De vanuit de Openbaring opkomende ‘antwoorden’ zijn voor iemand alleen maar zinvol en te ‘verstaan’ wanneer die in correlatie staan met de existentiële vragen, dat zijn vragen, die met ons eigen bestaan te maken hebben, levensvragen vanuit jezelf, kortom vragen die betrekking hebben op je eigen existentie: “Alleen wie de schok van de vergankelijkheid ervaren heeft, de angst van zijn eigen eindigheid geproefd heeft, de dreiging van het niet-zijn, kan begrijpen wat met de Godsgedachte bedoeld is. Alleen wie de dubbelzinnigheid van ons bestaan in de geschiedenis ervaren heeft en de zin van het bestaan volledig im Frage heeft gesteld, kan begrijpen wat het symbool van het Rijk Gods wil uitdrukken”.

Het is natuurlijk ook weer niet zo, dat het antwoord afgeleid kan worden uit de vragen of dat de vragen de bron van de antwoorden zijn. Nee, hij bedoelt het zo, dat het antwoord alleen als antwoord beleefd en geloofd kan worden, als men inzicht heeft in de eigen existentie, de vragen van het eigen bestaan onder ogen durft zien en zichzelf impliciet als vraag ziet en het evangelie als een welkom antwoord kan begroeten en begrijpen.

Om de situatie, waarin de mens verkeert – de zgn ‘condition humaine’- goed in beeld te krijgen, gaat Tillich te rade bij de H. Schrift ( zo besteedt hij veel aandacht aan de mythe van de ‘val’ in het paradijs) en bij het existentialisme. Deze filosofie geeft een scherp beeld van de toestand, waarin de mens zich bevindt, als enkeling en als deelnemer aan de samenleving. Het is een wat pessimistisch gekleurd mensbeeld, dat gekenmerkt wordt door angst, vergeefsheid en wanhoop. Ook de eindigheid van de mens wordt als een tekort beleefd, terwijl hij ook van zichzelf, van de ander en van God vervreemd is. Ook beseft de 20e eeuwse mens meer en meer, dat hij zich alleen in een oneindig heelal bevindt en dat hij anderzijds zo is toegenomen in mogelijkheden, dat hij zichzelf als mensheid en als wereld kan opblazen. De dreiging van de atoombom hangt als een schaduw over de wereld.

Dat is de wereld, waarin Paul Tillich leeft en zijn theologie ontwikkelt. Na de shock van de 1e WO en de waanzin van de 2e WO en temidden van de Koude Oorlog tekent hij een haarscherp beeld van de mens, zoals hij eraan toe is – en tegelijkertijd vestigt hij onze aandacht op de unieke verschijning van Jezus de Christus, die als het Nieuwe Zijn het oude zijn in beginsel overwint en dat ook ons kan aangrijpen en overmeesteren en waaruit wij kunnen gaan leven, al zal ons bestaan altijd gekenmerkt blijven door dubbelzinnigheid en het Nieuwe Zijn slechts fragmentarisch en voorlopig zichtbaar worden.


The New Being: betekenis van geloof en genade

De verschijning van het Nieuwe Zijn in ons oude bestaan betekent, dat wij in onze oude existentie door God gerechtvaardigd zijn: God heeft zichzelf met ons verzoend in Christus Jezus en zo zijn wij een nieuwe schepping geworden. De leer van de verlossing werkt Tillich als een theoloog uit, die gepokt en gemazeld is door het lutheranisme, waarbij het genade- en geloofskarakter van onze bevrijding volop tot zijn recht komt. De leer van de genade omschrijft Tillich als “the acceptance of the unacceptable” d.i. in wezen is geen enkel mens rechtvaardig voor God – niemand kan zich ten overstaan van God ergens op beroepen of ergens in beroemen – maar ook al verdient geen enkel mens Gods genade, desalniettemin aanvaardt God ons in genade. Geloof betekent dan in Tillich’s omschrijving, dat men ook subjectief deze aanvaarding (door God) aanvaardt. Dat is een aanvaarding die niets met onszelf te maken heeft, is niet iets wat wij doen (geloof is geen werk!), of uit onze wil voortkomt, nee het is vooral en allereerst een gave van God, het is iets waardoor wij gegrepen zijn.

Deze zienswijze heeft hij vooral ook vruchtbaar gemaakt in gesprek met psychologen en psychiaters, die ook tot het inzicht kwamen dat herstel van psychische ziekten begint bij de aanvaarding van de patiënt, zoals deze is, en deze van zichzelf. Als iemand eerst benaderd wordt met eisen en aansporingen om te veranderen, dan zal zo iemand moedeloos en krampachtig worden.

Genezing treedt pas in, als men zich aanvaard weet. Pas daarna kan verandering beginnen, niet andersom.

Kortom, bij Tillich gaat de genade voorop en volgt de Wet.

Zo kan het Nieuwe Zijn vorm krijgen in ons leven, uitgaande van de aanvaarding door God, en dat betekent ‘re-conciliation’,’ re-union’ en ‘re-surrection’. Bewust gebruikt hij deze woorden, die alle drie met ‘re-‘ beginnen, d.w.z. dat er sprake is van een ‘weer’ of ‘her’, een herstel, een hereniging van wat gescheiden was. Zo krijgt het Nieuwe Zijn, door eraan deel te nemen, door erdoor gegrepen te zijn, al een voorlopige en fragmentarische gestalte in ons leven, in dat van de kerk, in de samenleving.

Begonnen met de methode van de correlatie ben ik nu eigenlijk al meer bij de inhoud van zijn theologie terecht gekomen, die gecentreerd is rondom een paar typisch lutherse thema’s: de leer van de rechtvaardiging als het hart van het Evangelie en de leer van het Nieuwe Zijn, dat ons als genade geschonken wordt en de doorwerking daarvan in ons leven, wat hij beschrijft als een proces van participatie.

De angst voor de eindigheid en de zinloosheid wordt beantwoord met het symbool van het Koninkrijk Gods. Zo wordt de bijbelse verkondiging in verband of in correlatie gebracht met de menselijke situatie en wordt het Evangelie een boodschap van bevrijding uit angst, zinloosheid en eindigheid.

Nu nog weer even terug naar de 20e eeuw en de grote invloed van het existentialisme. Zitten we daar nog mee of in?


La condition humaine in de 21e eeuw

Een vraag, die ik mezelf en ook u stel is: is de ‘condition humaine’ van de mens aan het begin van de 21e eeuw nog steeds dezelfde als die van halverwege de 20e eeuw? Kan het existentialisme nog steeds dienen als een wichelroede om de ondergrondse stromingen in het gemoed en het denken van de mensen aan te wijzen? Zijn angst, vervreemding en zinloosheid nog steeds de aan de oppervlakte tredende gevoelens van mensen in deze tijd of hebben wij met een geheel ander geestelijk klimaat te maken?

Als we de filosofieën, die in een bepaalde tijd dominant zijn, als graadmeter aanmerken, dan moeten we zeggen, dat er na het existentialisme een geheel andere stroming de boventoon is gaan voeren en dat is het zgn. post-modernisme. Kenmerkend is dan, dat het leven en denken totaal gefragmentariseerd zijn, de grote verhalen zijn uitverteld en iedereen moet zijn eigen waarheid uitvinden of zien op te bouwen. Absolute waarden en waarheden lijken er niet meer te bestaan, alles is eindeloos relatief en subjectief geworden. “Ja, dat is jouw waarheid”, zegt men dan tegen elkaar.

Welk levensgevoel gaat hiermee gepaard? Ik denk, dat het het individualisme versterkt heeft: het gaat om jouw ontwikkeling, jouw keuzes en jouw overtuiging, die meestal een beperkte horizon heeft. De verticale dimensie is verdwenen: de grotere, overkoepelende verbanden zijn minder belangrijk geworden en het leven moet vooral gevierd worden. Er uit halen wat er in zit, want men leeft maar één keer.

Anderzijds is er wel degelijk ook de angst voor onheil en ongeluk. De verzekeringsbranche floreert als nooit tevoren en de zorg om oorlog en milieuschade en natuurrampen blijven mensen onverminderd bezighouden. Voor een deel is de ‘condition humaine’ dus hetzelfde gebleven en vertoont universele trekken, maar voor een deel is het ook anders. De mensen zijn meer zelfbewust geworden, maken hun eigen keuzes en richten hun eigen leven in, volgens ontwerp en naar keuze. Maar er is ook onzekerheid en catastrofes liggen op de loer en dan staan we ineens machteloos.

Toch denk ik, dat Tillich zou zeggen, dat er iets algemeen menselijks bij alle verschillen in beleving zit, namelijk, dat ieder mens nu eenmaal, vroeg of laat, aanloopt tegen zijn eigen tijdelijkheid, antwoord moet geven op de vraag wat de zin van zijn leven is of kan zijn en moet omgaan met zijn besef van schuld of tekort. Dat zijn precies de thema’s waar Tillich zijn theologisch antwoord aan vastknoopt – maar de intensiteit en beleving ervan zijn toch anders geworden, denk ik.


‘Ultimate concern’

Nu kom ik op een ander, hierop aansluitend thema uit Tillich’s theologie, en dat is het thema van het ‘ultimate concern’. Ik bespreek dit even in samenhang met de vraag naar God of juist het gebrek aan de vraag naar God. Veel mensen in onze tijd begrijpen die vraag niet en zij vatten hem op als de vraag naar het bestaan van een bovennatuurlijk wezen. Tillich heeft dat gevaar ook al ingezien – niet als eerste trouwens – en maakt helder wat eigenlijk aan de orde is, wanneer iemand het woord ‘God’ zegt en wat ‘geloof’ in dit opzicht dan eigenlijk inhoudt. Dat lijken soms wat abstracte redeneringen en theorieën, maar in de samenhang van ons thema is dit toch wel van belang. Immers, wat bedoelt men eigenlijk, wanneer men beweert niet in God te geloven? En weet men wel, wat men zegt, als men oppert ‘nergens’ in te geloven. Tillich stond al wantrouwend tegenover dit soort denken en spreken en daarom maakt hij er werk van om dat eens grondig uit de doeken te doen.

Over ‘Ultimate concern’ en het Godsbegrip van Paul Tillich: daarover wil ik nog even iets zeggen om de zogenaamde geloofsafval in een ander licht te plaatsen. Wat Paul Tillich met ‘ultimate concern’ bedoelt is moeilijk in één woord of begrip te vangen, maar het kan vertaald worden met ‘dat wat ons ten laatste aangaat’, ‘iets wat ons onvoorwaardelijk bezighoudt’, ‘het ene nodige’, ‘wat ons ten diepste beweegt’, wat we uiterst serieus nemen’.

In een preek over Maria en Martha werkt Tillich dit vrij nauwkeurig uit en de openingszin van die preek wil ik even voorlezen: De woorden, die Jezus tot Maria sprak, nl. één ding is nodig - behoren tot de beroemdste van alle uit de Bijbel. Martha en Maria zijn symbool geworden voor twee mogelijke houdingen in het leven, voor twee krachten/mogelijkheden in de mens en de mensheid, voor twee typen zorgen. Martha maakt zich druk om vele dingen, maar zij zijn allemaal eindig, voorlopig en voorbijgaand. Maria is maar om één ding bezorgd en dat ene is oneindig, ultiem en blijvend.

Natuurlijk kunnen we dan invullen, dat Tillich met die ultieme zorg God bedoelt, maar dat is misschien te kort door de bocht.

Tillich begint dus bij de vraag naar wat ons het meeste aangaat. Hij begint niet de vraag te stellen: geloof je in God of geloof je, dat er een God bestaat? Nee, wat is je uiterste zorg, wat maakt voor jou uit ‘to be or not to be’. Daarop kunnen vele antwoorden gegeven worden. Mensen zullen zeggen: mijn hobby, mijn werk, mijn vakantie, mijn kinderen, mijn vaderland, mijn geld, mijn bezit, mijn voetbalclub etc. Maar Tillich zal dan zeggen: dat zijn allemaal voorbijgaande zaken en verhoudingen. Deze verbintenissen kunnen niet ultiem en oneindig zijn – of transcendent. Wat maakt terecht aanspraak op dat ultieme? In alle godsdiensten heet die ultieme werkelijkheid: God. Geloof je dat er een ultieme werkelijkheid is, die alles overstijgt en waarin wij zijn en ons bewegen? Wie meer over dit últimate concern’ wil lezen kan een dialoog van Tillich met studenten hierover vinden op mijn paultillich.nl website.

Volgens Tillich kiest men niet voor zo’n uiterste zorg of voor iets wat men uiterst serieus neemt – ook in deze zin is hij een volbloed lutheraan – maar legt hij er nadruk op, dat wij er door gegrepen zijn: het ultieme raakt ons, wij zijn er a.h.w. door overrompeld en kunnen niet anders dan het in verwondering aanvaarden als de grond van ons bestaan.


God als ‘Being itself’

Nu kom ik bij het Godsbegrip van Tillich, waarin hij God omschrijft als het Zijn-zelf of de grond van het Zijn. Dat zijn filosofische termen, maar hij gebruikt deze woorden bewust om te voorkomen, dat wij God als een zijnde, een verschijnsel onder de zijnden of verschijnselen gaan zien. Dan is God iets naast of boven de werkelijkheid en kan Hij niet in en boven alles zijn. Tillich houdt er dus een inclusief Godsbeeld op na: God is niet naast of boven de werkelijkheid, maar in de werkelijkheid en ook erboven uit! In het Duits zegt Tillich dat God vooral te beschouwen is als ‘Seinsmächtigkeit’ d.w.z. dat Hij in staat is zelfscheppende en al-scheppende werkelijkheid te zijn, die het niet-Zijn trotseert en overwint.

Wanneer mensen in onze tijd zeggen, dat ze niet in God geloven, bedoelen zij doorgaans dat zij niet kunnen geloven in het bestaan van een goddelijk wezen.

Vaak verzuimen mensen om even iets verder te vragen. “U zegt niet te geloven in God”?, maar zou u eens iets meer over die God, in wie u niet gelooft, willen vertellen? En dan blijkt vaak, dat men een bepaalde voorstelling van God heeft, die inderdaad vaak niet houdbaar is. God wordt geplaatst boven de wereld, in een soort bovennatuur en zo nu en dan grijpt Hij als bij toverslag in in deze wereld, maar meestal vaag en onduidelijk. Wonderverhalen moeten Hem a.h.w. overeind houden. Maar Tillich is van mening, dat dit supranaturalisme zijn beste tijd gehad heeft en alleen maar misverstanden en vervormingen oplevert. Tillich toont aan, dat geloof in God iets anders is dan het voor waar aannemen van de bewering, dat God bestaat. Geloven in God betekent eerder gegrepen zijn door de overmacht en de grondeloosheid van het Zijn en belijden, dat deze werkelijkheid God is en zowel immanent in deze werkelijkheid aanwezig is, alsook deze overstijgt. We zullen over God niet moeten spreken als een zijnde, die boven de werkelijkheid uittorent, maar over het Zijn-zelf (being itself), dat het centrum of middelpunt uitmaakt van iedere molecuul en die het gehele heelal omvat. God overstijgt de subject-object verhouding: God is geen object, maar ons subject-zijn is gegrond in God.

Bij de vraag: geloof je in God? moeten we dus eigenlijk terug naar de beginvraag en die luidt: wat neem jij het aller-serieust? En maakt dat ‘goed’ er terecht aanspraak op om zo serieus genomen te worden? Is wat jij zo belangrijk vindt eigenlijk een ‘god’ voor jou? Maar biedt die ‘god’ toekomst, houvast, grond onder je bestaan? M.a.w. moet ‘God’ om aanspraak te kunnen maken op het God-zijn niet eeuwig, oneindig en transcendent zijn, maar tegelijkertijd ook immanent? Kom je al verder denkend niet op een punt, dat je zegt: ik kom uit bij de grond van het Zijn, bij de beginvraag van alle verwondering, dat er iets is en niet niets en dat ik deel uitmaak van deze wondere werkelijkheid?! Een klein, maar illustratief voorbeeld: toen aan het begin van deze maand de Nieuwjaarskanjer van een paar miljoen euro van de Postcodeloterij in Vrouwenpolder viel, was iedereen in die straat helemaal blij en ging uit zijn dak. Maar er was ook iemand, die geen lot had gekocht en die had niks. Maar weet u wat hij/zij zei? “Mijn geluk ligt in God!” God overstijgt de waarde van geld en van alles wat tijdelijk is.

Natuurlijk moeten we deze redenering niet versmallen tot een logische slotsom, want dat is het niet. Geloof is volgens Tillich een gegrepen zijn door deze overweldigende en genadige overmacht, die ten diepste louter Liefde en Wijsheid is. God is nooit een conclusie, maar eerder een vooronderstelling, een uitgangspunt om het oneerbiedig te zeggen.


‘Dynamics of Faith’

Het geloofsbegrip van Tillich is heel eigenzinnig en bijzonder. Hij had het al vroeg met de kinderen van school erover en ook later,m.n. in zijn ‘Dynamics of Faith’ legt hij uit, wat men doorgaans onder geloof verstaat en wat geloof eigenlijk wel is.

Het is niet het aanvaarden van een aantal vaststaande leerstukken en het onderschrijven van gewoonten en gebruiken. Geloof is de staat van het ten uisterste bezorgd zijn (ultimate concerned zijn): daarbij is de hele mens betrokken: zijn wil, zijn denken, zijn voelen en zijn fysieke bestaan: men geeft zich geheel over aan dat wat hem of haar ten diepste aangaat – en zo kan men er ook het grote gebod in terughoren: de HEER, je God, zul je liefhebben met heel je hart, gedachten en krachten. ‘Faith is not an opinion, but a state. It is a state of being grasped by the power of being’.

In de optiek van Tillich is geloven dus geen activiteit, iets wat wij moeten doen. Het gaat ook niet om het aanvaarden van allerlei waarheden, die op het eerste gezicht ongeloofwaardig lijken of zijn. Geloven is iets veel essentiëlers en heeft met onze volledige existentie te maken. Het geloofsbegrip van Tillich is levens-echt en het gaat daarbij eigenlijk om een manier van zijn, van leven! Iedereen, die liefheeft en er wil zijn, voor zichzelf en de ander, gelooft. Geloof omschrijft Tillich ook wel als de moed om te zijn! (Courage to be). In gesprekken met mensen, die zich ongelovig noemen moeten we, denk ik, proberen dit bredere concept van geloof ter sprake te brengen. Niemand gelooft nergens in, ook al beweert men dat nog zo hard. Het gaat niet aan, dat wij in staat zijn de mensen beter te begrijpen dan zij zichzelf begrijpen en iedereen die liever als ongelovig te boek staat in te lijven als een gelovige. Maar voor alle betrokkenen is het verhelderend en bevrijdend als we de vastgeroeste scheidslijnen openbreken en opgehelderd krijgen wat we onder geloof hebben te verstaan. Ik heb mensen horen spreken en zien handelen, die zeiden, dat zij niet geloofden, maar wier leven eigenlijk één geloofsgetuigenis was.

Zo kan Tillich ook een belangrijke bijdrage leveren in het debat met de zogenaamde atheïsten, die ik in een ander verband wel salon-atheïsten heb genoemd. Het boekje van Tillich ‘Dynamics of Faith’ kan daarbij wellicht nog wonderen verrichten.


Tillich over atheïsme

Toen ik op de universiteit van Harvard in het Tillich-archief rondstruinde kwam ik een ontwerp van een lezing van Tillich tegen, uit de jaren 50, vermoed ik, in krachtige hanepoten op doorslagpapier geschreven met potlood en daarboven stond wat hij wilde behandelen: The Absurdity of the Question: does God exist?

Wellicht schrikken mensen van zo’n openhartige titel en vermoeden, dat Tillich zelf een atheïst was en daarvan werd hij inderdaad beschuldigd, maar dat werd alleen gedaan door mensen, die hem niet begrepen en ook de titel van deze lezing niet begrijpen. Het gaat hem erom de absurditeit van de vraag aan de kaak te stellen. Van welke vraag? Wel, de vraag, of God bestaat. Sowieso is het niet gepast om het woord ‘bestaan’ op God van toepassing te laten zijn, omdat ‘bestaan’ een ‘bestaan naast’ veronderstelt en God dus deel uitmaakt van deze werkelijkheid - en verder vindt Tillich, dat God aan alles en iedereen voorafgaat en dus eigenlijk als een axioma, een niet ter discussie staand uitgangspunt, beschouwd moet worden. Daarom is de vraag: bestaat God absurd, overbodig en niet ter-zake.

Tillich moet daarom ook eigenlijk niets hebben van de zgn. Godsbewijzen, omdat God dan uiteindelijk een conclusie wordt van onze redeneringen. Tillich ziet God niet zozeer als een onderdeel van de kennis-leer, maar van de zijns-leer: het zijn-zelf brengt ons tot de grond van het Zijn: God. Wie beweert God te ontkennen, ontkent het Zijn zelf, wat een absurditeit is. Ook Tillich begrijpt heel goed, dat allerlei godsbeelden gedateerd en versleten en onhoudbaar kunnen zijn geworden en dat mensen daarom al gauw beweren niet in God te geloven, terwijl men in werkelijkheid een bepaald beeld van God afwijst. En dat doen zij dan samen met Tillich, maar – zo stelt hij - we moeten verder gaan en verder denken, en hij komt dan met het concept van ‘God beyond God’, God boven God, God aan God voorbij, de Grond van het Zijn. M.n. in de loopgraven van de 1e WO heeft hij dat geleerd: de goede God van de zondagsschool en de voorzienigheid, die alles ten goede zou doen keren, bleek niet bestand tegen de bommen en granaten, die de soldaten doodden. God gaat altijd aan onze begrippen voorbij en deze ook teboven. De profeten van het OT gingen daarin voor en dit profetisme vinden we ook bij de reformatoren: de Godsbeelden moeten steeds weer gezuiverd worden en dat is een voortgaand gebeuren. Godsgeloof ontaardt maar al te snel en gemakkelijk in afgoderij. Zodra God een te vereren object wordt is dat al het geval. Kritiek op die afgoderij wordt vaak atheïsme genoemd, maar dat is meestal ten onrechte!

Volgens Tillich is echt atheïsme haast een onmogelijkheid, want het zou betekenen, dat men totaal geen ‘ultimate concern’ heeft, dus in volstrekte onverschilligheid leeft. Niets doet er dan toe, niets is heilig: volstrekt nihilisme en atheïsme vallen dan samen.

Maar misschien is de weerzin tegen God – in onze tijd en in onze samenleving - vooral ook een weerzin tegen de kerk(en). De generatie van Maarten ’t Hart begint weliswaar zachtjes uit te sterven en hun argumentaties worden door veel mensen zelfs niet meer begrepen. Er is een min of meer blanco generatie gekomen, die echter geen enkele affiniteit met de kerk heeft en haar cultuur ook niet herkent als iets van deze tijd. Kerstfeest op de Dam of The Passion in Groningen ontwikkelen zich dan als alternatieven voor de seculieren. Wat er nog van de traditionele kerken over is zal op den duur misschien een zachte dood sterven en van onderop ontstaan wellicht nieuwe groepen en mogelijkheden, waardoor het Evangelie gecommuniceerd gaat worden. Niemand kan zeggen, hoe dat zal gaan, maar in het spoor van Tillich zullen we daar niet pessimistisch over moeten zijn. Het Evangelie is te groot om alleen binnen de kerkmuren opgesloten te zitten: religie is de inhoud van de cultuur is één van de stellingen van Tillich en daarom maakt hij ook onderscheid tussen godsdienst in de engere betekenis van het woord en in de ruimere betekenis ervan. Zelf is hij na de 1e WO ook een tijdje randkerkelijk geweest – en het kostte hem een professoraat in Berlijn – maar hij was dat niet uit onverschilligheid t.a.v. het Evangelie, maar hij was dat eerder vanwege en terwille van het Evangelie. Zijn inzet voor het socialisme kwam voort uit zijn evangelische bevlogenheid en dat de mainstream-kerk dat afwees, kwam omdat men de kern van de boodschap van Jezus niet meer verstond.


Tenslotte...

Nu moet ik zo zachtjes aan tot een afronding zien te komen. Met deze lezing heb ik in ieder geval voor mijzelf er rekenschap van gegeven, waarom hij mij helpt om theoloog en predikant te zijn in de 21e eeuw. Of hij ook u en anderen verder helpt – bij het zoeken naar antwoorden op vragen, die u hebt of verbergt – dat moet u voor u zelf en anderen voor zichzelf maar beantwoorden. Ik hoop, dat deze lezing in ieder geval behulpzaam daarbij kan zijn. Ik heb, overigens, wel de indruk, dat voor velen de verbinding tussen denken en geloven niet meer als zo urgent wordt ervaren. Religie wordt meer verbonden met het gevoel en het handelen, ook in de zin van het uitvoeren van rituelen dan met het denken. Het religieuze vakje lijkt wel een beetje los komen te staan van de rest en daarom hoeft er ook niet zo driftig gezocht te worden naar compabiliteit en dat zal wel weer mede te danken/te wijten zijn aan het post-modernisme, dat de dingen gewoon naast elkaar kan laten staan. Er hoeft niet persé een samenhang te ontstaan, zo vindt men: men kan heel goed een briljante ingenieur zijn en tegelijkertijd ’s zondags in een kerk zitten, die in alle opzichten een eiland in de cultuur vormt. Er wordt blijkbaar geen moeite gedaan om die twee werelden te integreren. Het zal nog een hele tour worden om met die categorie religieuzen het belang van Tillich te beleven. Gaat niet lukken, vrees ik.

Ook de Happinez-gelovigen hebben, denk ik, geen boodschap aan Paul Tillich: die zullen hem te intellectueel vinden en dat hij te weinig aandacht heeft voor het ‘feel good’ en ‘wegdromen in een wereld van geluksgevoel en bereiken van verlangens, komend aan de grenzen van de mystiek wellicht’. Misschien doe ik hiermee het happinez-geloof niet helemaal recht, - te ‘egocentrisch’ geschetst misschien - maar ik denk toch, dat Tillich en deze groep zich verhouden als water en vuur. Toch herken ik wel een mogelijk raakvlak en dat heeft betrekking op de kairos-gedachte (kairos betekent ‘tijd’(smoment)): Tillich heeft wel degelijk oog voor het extatische moment in de geloofsbeleving en zo weet hij, dat er zich in de geschiedenis, maar ook in iemands leven een kairos-moment kan voordoen: een moment van beslissing, van verlichting, van gegrepen-zijn door het onvoorwaardelijke, waarna alles anders wordt, niet zozeer in de werkelijkheid, maar in je beleving van de werkelijkheid. Tillich heeft zelf ook zo’n moment gekend aan het einde van de 1e WO, als hij oog in oog staat met het schilderij van Botticelli, “Maria met het kind Jezus” op haar schoot: dat werd voor hem een onvergetelijke ervaring.

Er is nog veel meer, dat om onze aandacht zou vragen en de relevantie van Tillich’s theologie is nog lang niet uitputtend behandeld. Ik beschouw deze

lezing dan ook nog maar als een eerste verkenning en aanzet tot verdere doordenking.

Ik wil afsluiten met de opmerking, dat ik denk dat Paul Tillich beschouwd kan worden als een geestverwant van Simone Weil (1909-1943) over wie Frits de Lange onlangs een boekje heeft geschreven, getiteld “Lichter leven”. Gelovig leven betekent lichter leven zonder zweverig te worden: je gedragen weten door een liefdevolle Macht, die je overstijgt. Met overgave aanvaarden wat onvermijdelijk is en de moed hebben dit op je te nemen en als mens leven naar Gods beeld. God heeft geen groot ego, zegt zij. Hij heeft er genadig afstand van gedaan. God heeft een wereld geschapen waarin we zelfs de vrijheid hebben om eventueel atheïst te zijn! Hierdoor, vanuit deze Godsgedachte, worden al onze bedenkingen en moeiten, argumenten en het onszelf-zo-serieus-nemen gerelativeerd en opgeheven in een glanzend licht licht en het kan eigenlijk niet anders dan dat dat afstraalt van Gods vriendelijk aangezicht.

Bij het zoeken en gaan van mijn weg door de kerk en de wereld laat ik mij graag leiden door mensen, die sporen getrokken hebben, die al hun denk- en levenskracht hebben besteed aan wat hun ten diepste aangaat – naast vele anderen is dat Paul Tillich voor mij geworden en ik beschouw hem als een zuil in de tempel van God, een steunpilaar voor de kerk, die te weinig gehoord is en die het verdient om meer gewaardeerd te worden en ik stel er een genoegen en een eer in om daaraan bij te dragen, o.a. door deze avond te beleggen, maar ook door diverse artikelen en preken van hem in vertaling aan te bieden op mijn website: www.paultillich.nl

Door in zijn schaduw te staan hoop ik dat er iets van zijn licht ook via mij uitstraalt naar anderen en ik hoop, dat zijn inzichten ons kunnen helpen de vragen van onze tijd tegemoet te treden.


Ga naar het overzicht Lezingen & Artikelen

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.