Hoofdstuk 3: Het raadsel van de ongelijkheid of Waarom is er zoveel ongelijkheid? (uit: The Eternal Now)

 

 

Want aan hem, die heeft zal nog meer gegeven worden; en van hem, die niets heeft, zal zelfs wat hij (wel) heeft, afgenomen worden. Markus 4:25

Een (geleerde) collega belde mij een keer op en riep heel boos door de telefoon: “Er staat in het Nieuwe Testament een uitspraak, die ik beschouw als één van de meest immorele en onrechtvaardige, die er ooit gedaan zijn!” En toen begon hij onze tekst te citeren: “Aan hem, die heeft, zal nog meer gegeven worden” en zijn verontwaardiging nam nog toe, toen hij vervolgde met “en van wie niets heeft, zelfs wat hij heeft zal van hem afgenomen worden”. Ik denk dat de meesten van ons zich even verongelijkt voelen. We kunnen niet, zoals deze collega suggereerde, deze passage vergoelijken door te stellen, dat deze woorden zo zijn opgetekend, omdat de leerlingen ze vast verkeerd begrepen hebben. Maar dat is onmogelijk, want ze komen op z’n minst vier keer voor in de evangeliën en nog wel heel nadrukkelijk.
En trouwens, het is duidelijk, dat de schrijvers van de evangeliën zich precies zo voelden als wij. Ook voor hen was deze uitspraak echt een struikelblok en daarom probeerden zij er verschillende interpretaties aan te geven. Waarschijnlijk bevredigde geen enkele uitleg volledig, want dit bijzondere gezegde van Jezus blijft ons op een heel directe wijze confronteren met het grootste en waarschijnlijk ook het meest pijnlijke levensraadsel, namelijk de ongelijkheid tussen alle levende wezens. Het is ijdele hoop te menen, dat raadsel te kunnen oplossen. De Bijbel kon dat niet en de grote godsdiensten en filosofieën ook niet. Maar wat we wel kunnen doen is proberen de breedte en de diepte van dit raadsel te onderzoeken; ook kunnen we proberen een manier te vinden om ermee te leven, ook al blijft het probleem zelf onopgelost.

I
Als we de woorden “aan hem, die heeft zal meer gegeven worden” overwegen, zullen we onszelf eerst moeten afvragen: wat hebben we dan eigenlijk? En dan zullen we ontdekken dat ons veel gegeven is in de zin van uitwendige goederen, vrienden, intellectuele begaafdheid en zelfs een betrekkelijk hoge moraal, waarop wij ons handelen kunnen baseren. Dus wij kunnen nu verwachten dat ons zelfs meer zal toekomen, terwijl tegelijkertijd degenen die dit alles missen het weinige dat zij misschien wel hebben zullen opgeven. Ja, het is zelfs nog ‘gekker’: volgens de gelijkenis van Jezus zal het ene armzalige talent dat zij bezitten worden overhandigd aan degenen, die al vijf of tien talenten hebben. Zo zullen wij dus rijker worden, omdat zij armer zullen worden. En ook al schreeuwen wij het uit tegen zo’n onrechtvaardigheid, we kunnen niet ontkennen dat dit in het leven maar al te vaak voorkomt.
We kunnen het niet ontkennen, maar we zouden ons wel moeten afvragen: hebben we inderdaad werkelijk wat we denken te hebben, zodat het niet van ons afgenomen kan worden? Dit is een echt angstige vraag, die in alle hevigheid opkomt door de versie van onze tekst volgens Lukas: “Van hem die niet heeft zal worden afgenomen zelfs wat hij denkt te hebben”. Misschien is ons hebben van veel dingen niet het soort hebben, dat kan toenemen. Misschien is het hebben van het weinige bij de armen het soort hebben, dat kan toenemen. Jezus bevestigt deze gedachte in de gelijkenis van de talenten. De talenten, die worden
gebruikt, met het risico ze te kunnen verliezen, zijn de talenten die wij werkelijk hebben. Degene die we proberen te bewaren, zonder dat we het risico nemen, dat ze ook zouden kunnen toenemen door ze te gebruiken, dat zijn degene, die we niet werkelijk hebben en daarom kunnen ze ook van ons afgenomen worden. Ze beginnen zomaar ineens te verdwijnen en plotseling dringt het tot ons door dat we ze verloren hebben, misschien wel voor altijd.
Laten we dit uitgangspunt eens toepassen op ons eigen leven, of dat nu lang of kort duurt. In ons aller herinnering is het zo, dat we dachten veel dingen te hebben, maar in werkelijkheid hebben wij die niet en daarom kunnen ze zomaar ineens van ons worden afgenomen. Sommige raakten we kwijt, omdat ons leven nu eenmaal zijn beperkingen kent en dat kun je tragisch vinden of niet: ze moesten nu eenmaal worden opgegeven, zodat andere dingen zich konden ontwikkelen. We hebben bijv. allemaal kinderlijke onschuld gekregen, maar onschuld kun je niet opsouperen en het kan ook niet méér worden. Ons leven kan eigenlijk alleen maar groeien als we de oorspronkelijke gave van de onschuld opofferen. Desondanks kan toch soms een droefgeestig verlangen bij ons opkomen naar een puurheid, die we allang zijn kwijtgeraakt.
We hebben allemaal een jeugdig portie enthousiasme meegekregen voor allerlei dingen en doeleinden. Maar enthousiasme kun je ook niet opsouperen of méér laten worden. Van de meeste dingen waar ons enthousiasme naar uitging bleven maar een paar dingen over en zelfs die konden we nog maar matigjes overeind houden. Er is nu eenmaal geen volwassenheid mogelijk zonder dit soort offers. Toch is er vaak een diep verlangen naar de verloren mogelijkheden en zo blijft het enthousiasme ons bij. Onschuld en jeugdig enthousiasme: we hadden ze wel, maar we hebben ze niet meer. Het hoort bij het leven, dat ze ons worden afgenomen.
Maar er zijn nog andere dingen, die we hadden en die we nu kwijt zijn, omdat we ze ten onrechte als vanzelfsprekend en als bezit zagen. Sommigen van ons hadden een diepe gevoeligheid ten aanzien van het leven, dat zich als een wonder aan ons voordeed. Maar na verloop van tijd, vanwege drukke werkzaamheden of de verleiding van goedkope pleziertjes, verloren we dat wonder van eerdere jaren uit het oog, zoals bijv. de intense vreugde over het geheim dat leven heet in de frisheid van de vroege dag of de roem van de stervende middag, de pracht van de bergen en de oneindige zee of de volmaakte bewegingen van een jong dier of de pracht van een bloem die uit de aarde opschiet. We proberen misschien wel eens die gevoelens weer op te roepen, maar we bemerken dan dat we leeg zijn geworden en er niet meer in slagen. We hadden die gevoeligheid ooit, maar we hadden haar eigenlijk ook niet en zo zijn we die kwijtgeraakt.
Anderen onder ons hadden misschien dezelfde ervaring met betrekking tot muziek, poëzie, wonderschone literatuur of het theater. We verslonden het allemaal, we leefden erin en zo bouwden we voor onszelf een (extra) leven op naast ons gewone dagelijkse leven. We hadden deze ervaring wel, maar we bezaten die niet. En we slaagden er ook niet in om dit te laten toenemen, want onze liefde ervoor was niet sterk genoeg en zo werd het uiteindelijk van ons afgenomen.
Velen herinneren zich misschien de tijd, dat men een sterk verlangen had om de raadsels van het universum op te lossen en dat het zoeken van de waarheid een soort drijvende kracht in ons leven was. Men ging niet naar de universiteit en colleges volgen om toegang te krijgen tot de bovenlaag van de middenklasse of om de studie een springplank te laten zijn voor sociaal en economisch succes, maar men werd integendeel gedreven door een echte dorst naar kennis. Men had iets, schijnbaar, waaraan meer kon worden toegevoegd. Maar
toch bleek hun verlangen niet sterk genoeg. Men voedde het te weinig en zo raakte men het kwijt. Onverschilligheid en onbetrokkenheid t.a.v. de waarheid ontaardde gaandeweg in louter academische belangstelling. Omdat men de liefde tot de waarheid losgelaten had voelde men zich soms rot daarover en men realiseerde zich ook, dat die nooit meer zal terugkeren.
We weten allemaal maar al te goed, dat iedere menselijke relatie, wil zij iets voorstellen, opmerkzaamheid en onderhoud nodig heeft: anders wordt ze van ons afgenomen. Het zal dan moeilijk zijn om die relatie weer te heroveren. Deze vorm van hebben en niet-hebben is de wortel van onnoemelijk veel menselijke tragedies. We kennen ze allemaal wel van dichtbij.
En dan is er nog de meest fundamentele soort van hebben en niet-hebben, namelijk ons hebben of verliezen van God. In onze kinderjaren en misschien ook nog wel later hadden we ‘veel’ ervaring met God. We kunnen ons misschien nog wel de momenten herinneren, waarop zijn aanwezigheid diep gevoeld werd. We kunnen ons nog wel herinneren, hoe ons hart overliep als wij baden en hoe wij het heilige in bepaalde woorden of in muziek en heilige plaatsen konden ervaren. We stonden echt in contact met God, maar dit contact werd van ons afgenomen, omdat we het hadden als een bezit. Maar dat is het niet. We slaagden er ook niet in om het te laten toenemen en daarom verdween het langzamerhand , maar het liet wel een lege plek achter. We raakten onbetrokken, werden zelfs cynisch en onverschillig, niet omdat we twijfelden aan onze religieuze tradities – want zulke twijfels horen juist bij een leven dat rijk is in God – maar omdat we ons afwendden van wat ons ooit oneindig aanging.
Deze en dergelijke gedachten beschouw ik als eerste markeringspunten in de benadering van het raadsel van de ongelijkheid. Zij die hebben ontvangen meer als zij dat werkelijk hebben, het gebruiken en het laten toenemen. En zij die niet hebben verliezen wat zij lijken te hebben, want zij hebben het niet werkelijk.

II
Maar de vraag van de ongelijkheid is nog niet beantwoord. Want nu willen wij ons gaan afvragen, waarom sommigen van ons meteen al meer ontvangen dan anderen, zelfs voordat het mogelijk is onze talenten te gebruiken of te verknoeien. Waarom ontvangt de ene dienstknecht vijf talenten, de andere twee en de derde één? Waarom wordt de ene persoon in bittere armoede geboren en een ander temidden van overvloed? Daarop te antwoorden met: veel zal gevraagd worden van hen, aan wie veel gegeven is en weinig van hen, aan wie weinig is gegeven, volstaat niet. Want het is juist die oorspronkelijke ongelijkheid van meetaf aan, zowel wat het inwendige als uitwendige betreft, die deze vraag oproept. Waarom kan de ene mens meer uit zijn menselijk bestaan halen dan een ander?
Waarom wordt aan de ene zoveel gegeven, zodat ook veel van hem gevraagd kan worden, terwijl van iemand anders weinig gevraagd kan worden, omdat hem maar weinig was gegeven? Als we dit probleem bezien niet alleen in relatie tot individuen, maar ook tot klassen, rassen en naties, dan komt natuurlijk ook de vraag betreffende de politieke ongelijkheid bovendrijven en daarmee ook de vele manieren waarop men geprobeerd heeft die ongelijkheid af te schaffen. Uiteindelijk is de drijvende kracht achter iedere revolutie en oorlog de wil om een einde te maken aan het raadsel van de ongelijkheid. Maar oorlog noch revolutie hebben er een antwoord op. En zelfs al kunnen we ons voorstellen, dat in de toekomst wellicht de meeste sociale verschillen zullen worden weggewerkt, dan zullen er toch altijd drie verschillen blijven: de ongelijkheid in talenten, zowel lichamelijk als geestelijk,
de ongelijkheid, die bepaald wordt door onze vrijheid en (lots)bestemming en de ongelijkheid, die in zekere zin een onechtvaardigheid inhoudt, omdat de generaties die aan deze nieuwe tijd van gelijkheid voorafgingen natuurlijk van deze zegeningen zijn uitgesloten.
Die laatste zou de grootst mogelijke ongelijkheid worden! Nee, ten overstaan van één van de diepste en meest pijnlijke problemen in ons leven mogen wij onszelf niet toestaan om op een oppervlakkige of dwaze manier weg te vluchten in een sociaal droomland. We hebben immers nu te leven. We moeten dit leven leven. We moeten het raadsel van de ongelijkheid vandaag de dag onder ogen zien!
Laten we het raadsel van de ongelijkheid niet verwarren met het feit, dat ieder van ons uniek is, een onvergelijkbaar ‘zelf’ is. Ons bestaan als individu behoort zeker tot onze menselijke waardigheid. Dit bestaan is ons gegeven en dat moeten we gebruiken en uitbouwen en dat moeten we niet laten wegzakken in het grijze water van de conformiteit, dat ons dagelijks zo sterk bedreigt. Men moet juist iedere individualiteit verdedigen als ook de uniciteit van ieder menselijk zelf. Maar je moet er natuurlijk niet intrappen te denken dat dit de oplossing voor het raadsel van de ongelijkheid is. Helaas zijn er inderdaad sociale en politieke reactionairen, die deze verwarring misbruiken om het sociale onrecht te laten voortbestaan. Zij zijn op z’n minst even dwaas als degenen die dromen van de afschaffing van de ongelijkheid in de toekomst. Hij/zij die ooit getuige is geweest van het leed van (geestes)zieken in de ziekenhuizen, wel eens in gevangenissen is geweest of op plaatsen waar het niet gemakkelijk was om te overleven, op slagvelden of bij mensen, die stierven van de honger, of getuige was van familieruzies of waar men de moraal met de voeten trad, zou toch wel genezen moeten zijn van de verwarring om de gave van de individualiteit gelijk te stellen met het raadsel van de ongelijkheid. Hij moet genezen van het gevoel, dat er een gemakkelijke troost (mogelijk) is.

III
Maar nu moeten we de derde stap maken om te pogen door te dringen tot het raadsel van de ongelijkheid en dan vragen we ons af: waarom gebruiken sommigen van ons wat ons gegeven is en vermeerderen het ook, terwijl anderen dat niet doen en verliezen ze zo wat hun gegeven was? Waarom zegt God tegen een van de profeten in het Oude Testament, dat de oren en de ogen van het volk ongevoelig gemaakt worden voor de boodschap van God? Is het voldoende te antwoorden: sommigen gebruiken hun vrijheid nu eenmaal op een verantwoorde manier en doen wat zij moeten doen, terwijl anderen dat juist niet doen en dat is hun eigen schuld? Dit antwoord, dat zo duidelijk lijkt, is alleen bevredigend, als we het op onszelf toepassen. Een ieder van ons moet inderdaad de toename of het verlies van wat hem/haar was gegeven beschouwen als een zaak van eigen verantwoordelijkheid. Ons geweten vertelt ons, dat wij niemand of niets (iets) kunnen verwijten vanwege geleden verliezen dan alleen onszelf.
Maar als we dit probleem bij anderen zien dan is dit antwoord niet afdoende. We kunnen tegen iemand, die totaal ontevreden over zichzelf naar ons toekomt, niet zeggen: “Maak toch gebruik van wat je gegeven is”, want hij is juist naar ons toegekomen, omdat hij niet in staat is dat te doen! Tegen iemand die wanhopig is over zichzelf kunnen we niet vertellen: “Wees iemand anders”, want dat hij met zichzelf opgescheept zit, dat is nu juist zijn wanhoop! Tegen degenen, die er niet in slaagden om de verwoestende invloeden van hun omgeving te boven te komen en die daardoor in de criminaliteit en alle ellende van dien terechtkwamen, kunnen we niet zeggen: “Je had sterker moeten zijn”, want dat konden ze juist niet vanwege de omgeving, die in zekere zin erfelijk bepaald was.
Natuurlijk zijn we allemaal mensen en is vrijheid aan ons allen gegeven. Maar iedereen heeft ook zijn eigen bestemming. Het is niet aan ons om anderen te veroordelen omdat zij vrij waren, net zo min als wij hen verontschuldigen vanwege hun lotsbestemming. We moeten eigenlijk helemaal niemand (be)oordelen. Zelf als we onszelf (be)oordelen, moeten we bedenken, dat ook dat oordeel niet definitief is, want wijzelf - en iedereen – staan onder een uiteindelijk oordeel en daarin wordt het raadsel van de ongelijkheid voor eeuwig beantwoord. Die beantwoording is dus niet aan ons! Het is ons probleem, dat we de vraag wel moeten stellen en we vragen hem telkens weer vanuit een ‘slecht’ geweten: waarom zijn ze in zo’n ellendige situatie terechtgekomen? En waarom wij niet? En als we daarbij denken aan degenen, die vlakbij ons zijn, dan kunnen we ons nog afvragen: zijn we er wellicht gedeeltelijk zelf verantwoordelijk voor? Maar zelfs al is dat het geval het lost het raadsel van de ongelijkheid niet op. En het ‘slechte’ geweten vraagt dat ook t.a.v. degenen, die ver van ons afstaan: waarom zijn zij er zo aan toe? En wij niet?
Waarom stierf mijn kind, ja miljoenen kinderen, voordat zij de kans hadden om op te groeien? Waarom is mijn kind – of welk kind ook maar? – gehandicapt geboren, mentaal of lichamelijk? Waarom is mijn vriend of die bekende van mij – of iemand anders vriend of bekende – helemaal van het pad afgeraakt en is hij zo zijn vrijheid en bestemming kwijtgraakt? Waarom heeft mijn zoon of dochter, die zo veel talenten had, die allemaal verknoeid en is hij/zij ze zo kwijtgraakt? Waarom overkomt dit soort dingen ouders űberhaupt? En waarom worden creatieve kwaliteiten van een jongen of meisje door een tyrannieke vader of bezitterige moeder in de kiem gesmoord?
Geen van deze vragen heeft betrekking op onze eigen ellende. In deze gevallen vragen we dus niet: waarom gebeurde mij dit? Het is niet de vraag van Job, die God beantwoordde door hem te verootmoedigen en hem daarna te verheffen tot gemeenschap met Hem. Het is niet de oude en altijd weer urgente vraag: waar is de goddelijke gerechtigheid, waar is de liefde van God, voor mij? Onze vraag is bijna de tegenovergestelde, namelijk: waarom gebeurde dit mij niet, terwijl het wel een ander overkomt, ja, ontelbaar vele anderen, aan wie zelfs Job’s kunnen aanvaarden van Gods antwoord niet is gegeven. Waarom, zo vraagt ook Jezus zich af, zijn velen geroepen en weinigen uitverkoren? Hij beantwoordt de vraag niet, maar stelt simpelweg vast, dat dit de menselijke verlegenheid is. Zullen we daarom maar ophouden met vragen en nederig het oordeel van God aanvaarden, wat zou betekenen, dat de meeste mensen buiten Gods gemeenschap worden gesmeten en veroordeeld zijn tot wanhoop en zelfvernietiging? Kunnen we de eeuwige overwinning van het oordeel boven de liefde aanvaarden? Dat kunnen we niet, niemand kan dat, ook al preekt of dreigt hij met dat soort termen. Zolang hij niet in staat is zichzelf te zien – met absolute zekerheid – als een voor eeuwig verworpene, dan zijn zijn prediking en dreigementen niets dan zelfbedrog. Immers, wie kan zichzelf als eeuwig verworpen zien?
Maar als deze diepste bodem niet de oplossing van het raadsel van de ongelijkheid is , misschien moeten we ons dan buiten de grenzen van de christelijke traditie begeven en luisteren naar degenen, die ons vertellen, dat het niet dít leven is dat onze eeuwige bestemming zal bepalen? Er zullen andere levens zijn, zullen zij zeggen, dat evenals ons huidige leven gebaseerd zal zijn op vorige levens en op wat we daarin verknoeiden of bereikten. Deze leer moeten we zeker serieus nemen en zij is ook niet helemaal vreemd aan het christendom. Maar omdat we niet weten of ook ooit zullen weten, wat een ieder van ons was in een vorig bestaan of ook in een toekomstig bestaan zal zijn, is het dus niet werkelijk onze bestemming, die zich van leven naar leven ontwikkelt, maar het is in feite in ieder leven
de bestemming van iemand anders. Daarom slaagt ook deze leer er niet in om het raadsel van de ongelijkheid op te lossen.
Eigenlijk is er helemaal geen antwoord op onze vraag betreffende de tijdelijke en eeuwige bestemming van een enkeling, als dat los gemaakt wordt van de bestemming van het geheel. Alleen in de eenheid van alle wezens in tijd en eeuwigheid kan er een menselijk antwoord mogelijk zijn op het raadsel van de ongelijkheid. “Menselijkerwijs mogelijk” betekent niet een antwoord dat het raadsel van de ongelijkheid terzijde schuift, maar er wordt mee bedoeld, dat het een antwoord is waarmee we kunnen leven.
Er bestaat uiteindelijk een eenheid van alle wezens, die geworteld is in het leven van God, waaruit zij voortkomen en waarheen zij terugkeren. Alle wezens, de niet-menselijke en de menselijke – delen daarin. En daarom delen zij ook in elkaar. En zo delen we ook in elkaars ‘hebben’ en in elkaars ‘niet-hebben’. Als we ons bewust zijn van deze eenheid van alle wezens, gebeurt er iets met ons. Het feit dat anderen niet hebben verandert het karakter van ons hebben: het brengt onze eigen zekerheid aan het wankelen en brengt ons buiten onszelf om de ander(en) te begrijpen, om hen iets te geven, te laten delen in wat wij hebben, kortom het leidt ertoe dat wij gaan helpen. Het feit dat anderen in zonde vallen of tot misdaad komen en in ellende terecht komen geeft de genade die ons verleend is een ander karakter: het doet ons onze verborgen schuld erkennen; het laat ons zien, dat degenen die lijden vanwege hun zonde en misdaad tegelijk ook voor ons lijden, want wij zijn ook schuldig aan hun schuld en behoren net zo te lijden als zij. Als we ons bewust worden van het feit, dat anderen die zich hadden kunnen ontwikkelen tot volwaardige menselijke wezens, maar het niet zijn geworden, verandert dat onze staat van volwaardig mens-zijn. Als iemand op jonge leeftijd sterft of als iemands leven vroeg of laat uiteen valt laat dat ons zien, dat ons eigen leven en gezondheid voortdurend in gevaar is, dat we stervende zijn, hoewel nog niet dood, dat we kwetsbaar zijn, al zijn we nog niet vergaan. Zodra het sterven van iemand ons nabij komt sterft er iets van onszelf en zodra een zieke ons ontmoet bemerken we iets van afbraak bij onszelf.
Kunnen we met dit antwoord leven? We kunnen het voorzover we bevrijd worden van het in onszelf opgesloten zijn. Maar niemand kan van zichzelf bevrijd zijn, tenzij hij gegrepen wordt door de macht die aanwezig is in iedereen en alles, namelijk het (de) Eeuwige, waar we vandaan komen en waar we heengaan en dat (die) ons aan onszelf geeft en ons van onszelf bevrijdt. Het is de grandeur en het hart van de christelijke boodschap dat God, zoals Hij aanwezig is in de Christus aan het kruis, volledig deelneemt aan het sterven van een kind, aan de veroordeling van een crimineel, aan het aftakelen van de geest, aan honger en dorst en zelfs aan de verwerping door de mens van Hemzelf. Er is geen menselijke toestand denkbaar, waarin de goddelijke aanwezigheid niet zou doordringen. Dat is wat het kruis ons vertelt, die meest extreme situatie van alle toestanden, waarin een mens kan verkeren.Het raadsel van de ongelijkheid kan niet opgelost worden door ons af te scheiden of los te maken van de anderen. Het wordt in eeuwigheid opgelost door de deelname van God aan het leven van een ieder van ons en van ieder levend wezen. De zekerheid van deze goddelijke deelname geeft ons de moed om het raadsel van de ongelijkheid uit te houden, hoewel onze eindige geest het niet kan oplossen.

 

Lees meer uit: Het Eeuwige Nu

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.