Hoofdstuk 9: God zoekt de mens

In: The Eternal Now

 

Toen lieten al zijn leerlingen Hem in de steek en vluchtten

Matth. 26: 56

I

Toen ik eens op een avond naar Bach’s ‘Mattäus Passion’ luisterde werd in getroffen door de tekst en de muziek van de zin “Toen lieten al zijn leerlingen Hem in de steek en vluchtten”. Dit gebeuren loopt a.h.w. al vooruit op de woorden, die Jezus op het kruis zal zeggen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?” Hij die zich in de steek gelaten voelt door alle mensen voelt zich verlaten door God. Inderdaad, iedereen had Hem verlaten en degenen, die Hem het meest nabij waren vluchtten het verst van Hem weg. Doorgaans zijn wij ons niet zo bewust van dit feit. Wij zijn gewend om ons de kruisiging voor te stellen, zoals op prachtige schilderijen gebeurt, waar behalve zijn moeder en andere vrouwen toch minstens één leerling aanwezig is. De werkelijkheid was anders. Zij vluchtten allemaal weg en sommige vrouwen waagden het om van verre te kijken. Een onvoorstelbare eenzaamheid restte Hem, gedurende de uren, waarin zijn leven en werk Hem ontvielen.

Wat zullen we van deze leerlingen denken? Onze eerste reactie is misschien wel de vraag: hoe konden zij Hem in de steek laten, die zij de Messias hadden genoemd, de Christus, die de nieuwe tijd aanbracht, die zij gevolgd hadden nadat zij alles terwille van zijn zaak achter zich gelaten hadden? Maar toen ik de woorden en de melodie van de muziek hoorde, toen bewonderde ik de leerlingen opeens! Want zij zijn het aan wie wij de woorden van onze tekst te danken hebben. Zij hebben hun vluchten niet verdonkeremaand; nee, zij maakten er melding van in een kort zinnetje en het is een bewering, die hen voor altijd (ver)oordeelt. Het Evangelie bevat veel be- en veroordelingen van de leerlingen. Zo lezen wij bijv., dat zij Jezus voortdurend niet begrepen, zo ook zijn moeder en zijn broers en dat onbegrip verhevigde zijn lijden met de dag. We lezen, dat sommigen van de belangrijkste onder hen zelfs een buitengewone ereplaats opeisten in de toekomende eeuw. We lezen, dat Jezus hen tegensprak, omdat hun ijver hen fanatisch maakte ten opzichte van hen, die Hem niet volgden. En we lezen, dat Jezus Petrus zelfs ‘Satan’ moest noemen, omdat Petrus probeerde Hem ervan af te brengen om naar Jeruzalem te gaan om te sterven en dat Petrus ontkende, dat hij een leerling van Hem was, in het uur van zijn beproeving.

Deze berichten zijn schokkend. Zij laten ons zien, wat Jezus met hen deed. Hij leerde hen dit oordeel te aanvaarden en zichzelf niet in een gunstig daglicht te plaatsen. Als zij zo’n oordeel niet zouden kunnen aanvaarden, dan hadden zij zijn leerlingen niet kunnen zijn. En als de leerlingen de waarheid aangaande hun eigen fundamentele zwakte hadden onderdrukt, dan zouden onze evangeliën niet geweest zijn, wat zij zijn. De glorie van de Christus en de misère van zijn volgelingen zou niet zo helder naar voren zijn gekomen. Maar toch, in diezelfde verslagen komt de wens van de mens naar voren om zijn eigen lelijkheid zo goed mogelijk te verdoezelen. Want latere tradities in de evangeliën proberen de harde en pijnlijke kantjes van het oorspronkelijke plaatje te verzachten. Voor de gestichte gemeenten was het blijkbaar onverdragelijk, dat alle leerlingen waren gevlucht en dat niemand van hen getuige was

geweest van de kruisiging en het sterven van de meester. Zo konden het niet verkroppen, dat zij ver weg in Galilea, waarheen zij gevlcht waren, werden gearresteerd door de verschijning van Hem, die zij in het uur van zijn lijden en wanhoop in de steek hadden gelaten.

Dus wordt beweerd, dat Jezus zèlf tegen hen gezegd had, dat zij naar Galilea moesten gaan en zo was hun vlucht dus geen echte vlucht meer. En nog later wordt zelfs gezegd, dat zij helemaal niet gevlucht waren, maar allemaal in Jeruzalem waren gebleven. Van de eerste tijd af kon de kerk dit oordeel over zichzelf, zowel vroeger als nu, niet verdragen. Zij heeft geprobeerd te verbergen, wat de leerlingen openlijk toegaven: wij hebben Hem allemaal in de steek gelaten en zijn gevlucht. Maar dit is wel de (harde) waarheid betreffende alle mensen, de huidige navolgers van Jezus incluis.

II

Het vluchten voor God begint op het moment, waarop wij zijn aanwezigheid voelen. Dit gevoel doet zijn werk in het duister, in de half-bewuste gebieden van ons zijn, wordt niet herkend, maar is wel effectief, bijv. in het rusteloze vragen en zoeken van een kind, in de twijfels en wanhoop van de jongeman, in de wensen en worstelingen van de volwassene. God is daar present, maar niet als God; Hij is aanwezig als de onbekende kracht in ons, die ons rusteloos maakt.

Maar op sommige momenten verschijnt Hij als God. De onbekende kracht in ons, die onze rusteloosheid veroorzaakt, wordt kenbaar als (de) God, in wiens handen wij zijn, die onze ultieme bedreiging is èn onze ultieme toevlucht. Op zulke momenten is het alsof wij gearresteerd worden op onze verborgen vlucht. Maar die ‘arrestatie’ gebeurt niet met bruut geweld, maar die heeft eerder het karakter van een vraag. En wij blijven vrij om onze vlucht al of niet voort te zetten. Dat is precies ook, wat gebeurde met de leerlingen: zij waren krachtdadig gearresteerd, toen Jezus hen voor de eerste keer riep, maar zij bleven vrij om ook weer weg te vluchten. En dat deden zij dan ook, toen het uur van beproeving aanbrak. En zo geldt dat ook voor de kerk en al haar leden. Men wordt gearresteerd op zijn verborgen vlucht en gebracht in de bewuste aanwezigheid van God.

Maar men blijft vrij om alsnog weer weg te vluchten, niet alleen als enkeling, maar ook als mensen, die de kerk steunen, haar voortbewegen op de weg naar Galilea, door haar zo ver mogelijk weg te houden van het punt, waar het eeuwige het tijdelijke doorbreekt. De mens vlucht weg voor God, zelfs in de kerk, de plaats waar men denkt gearresteerd te worden door de aanwezigheid van God. Zelfs daar zijn we voor Hem op de vlucht!

III

Als het ultieme inbreekt in het leven van een mens dan zoekt hij beschutting in het voorlopige. Hij zoekt een veilig heenkomen om weg te vluchten voor datgene, wat hem met onvoorwaardelijke ernst raakt. Er zijn zoveel plaatsen te bedenken, die ons even veilig lijken als Galilea voor de vluchtende leerlingen van Jezus leek.

Misschien is in onze tijd het werk, dat wij doen, wel de meest effectieve vlucht voor de bedreigende aanwezigheid van God. Dat is niet altijd zo geweest. De houding van de antieke mens t.o.v. arbeid wordt goed weergegeven door de vloekspreuk, die God over Adam uitspreekt: “In het zweet van uw aangezicht zult u uw brood eten”. Maar ook in de woorden van Psalm 90 lezen wij t.a.v. de weinige jaren, die wij te leven hebben: “het uiterste ervan is

moeite en verdriet”. Later werd het zware werk met zijn gezweet en gezwoeg overgelaten aan de slaven en bedienden of aan de niet-geschoolde klassen. Het creatieve werk(en) onderscheidde zich hiervan, omdat dat in de vrije tijd plaatsvond, en dat was voorbehouden aan slechts weinigen.

Het middeleeuwse Christendom beschouwde werken als een discipline, die m.n. in het kloosterleven werd gepraktizeerd. Maar in onze tijd is werken de allesbeheersende bestemming van de mens geworden, misschien niet in werkelijkheid, maar wel als iets wat men in feite van iedereen eist. Werk is in feite alle drie: discipline, productie en schepping. Het verschil tussen het zware werk en arbeid is verdwenen. Dat werken onder de vloek staat, naar bijbels inzicht, is vergeten. Het is eerder zelf een religie geworden, de religie van de moderne industriële maatschappij. En zij heeft een ieder van ons in haar greep. Zelfs als we in staat waren de straf van verhongering door niet te werken te ontlopen, toch zou iets in ons een wegvluchten van het gebonden zijn aan werk niet toestaan. Voor de meesten van ons is het zowel een noodzaak als een plicht. En als zodanig is het de meest aangewezen weg om (erin) te vluchten voor God.

En ook geen enkele weg schijnt veiliger dan deze: want hierop krijgen we voldoening van het vervuld hebben van onze plicht. We worden geprezen door anderen en door onszelf voor het ‘goed gedaan hebben van ons werk!’ We helpen er ons gezin mee en zo dragen we zorg voor de gezinsleden. En zo komen we het dagelijks gevaar van de vrije tijd te boven, namelijk verveling en wanorde. Het levert ons een goed geweten op en, zoals een cynisch filosoof eens opmerkte, aan het eind van de dag slaap je er lekker van. Maar als je het soort werk doen, dat creatief mag heten, dan wacht zelfs een hogere voldoening: de vreugde, omdat er iets nieuws tot stand is gekomen! Als iemand hiertegen inbrengt, dat dit toch niet de manier is om weg te vluchten voor God, dan zouden we hem/haar kunnen vragen: heb je ooit eens een soort balans op papier gezet van je hele bestaan en na eerlijk allerlei punten ontdekt te hebben aan de negatieve kant, dat je dan de balans in evenwicht wist te brengen door je werk aan de andere kant neer te zetten? De Farizeeër van vandaag zou zich tegenover God niet zozeer beroepen op zijn gehoorzaamheid aan de Wet en op zijn godsdienstoefeningen, maar veeleer op zijn hard werken en zijn gedisciplineerde, succesvolle leven. En hij zou ook nog wel zondaars vinden, bij wij hij zelf – bij vergelijking- gunstig zou afsteken.

IV

Er is nog een andere manier om bij God vandaan te vluchten – de weg, die belooft ons te brengen naar een leven in overvloed, een belofte, die tot op zekere hoogte ook wel ‘werkt’. Dat is niet noodzakelijkerwijs de weg van de verloren zoon in de gelijkenis van Jezus. Het kan ook de aanvaarding van de volheid van het leven zijn, zoals dat voor ons geopend wordt door onze onderzoekende geest en de drijvende kracht van de liefde jegens de grandeur en de schoonheid van de schepping. Deze levenswens hoeft de ogen niet te sluiten voor de tragedie in die grandeur, voor de duisternis temidden van het licht, aan de pijn in het plezier, aan de lelijkheid in de schoonheid. Eigenlijk zouden meer mannen en vrouwen de uitbundige rijkdom van het leven moeten durven ervaren. Maar ook dit kan een manier zijn om voor God weg te vluchten, zoals werk en arbeid. Temidden van de extase van het leven vergeet men vaak de beperkingen van of de grenzen aan de volheid van het leven.

Ik heb het nu niet over het oppervlakkige vermaak, het lekker gezellig met elkaar plezier hebben. In de meeste gevallen is dit de tegenhanger van hard werken en arbeid als vlucht voor God en wij noemen het doorgaans recreatie. Deze ontspanning wordt bovendien gezien als

een goede manier om daarna weer effectief aan het werk te kunnen. Ik bedoel eigenlijk meer de extase van het leven, dat deelname aan het hoogste en het laagste van het leven in één en dezelfde ervaring inhoudt. Dit vereist moed en overgave, maar het kan ook een vlucht voor God betekenen. En als iemand zo leeft zouden we daar geen moreel oordeel over moeten vellen, maar zo iemand zou bewust gemaakt moeten worden van zijn rusteloosheid en voor zijn angst om God te ontmoeten. Iemand, die aan zijn werk verslingerd is hoeft zich niet verheven te voelen boven zo iemand. Maar hij moet zich ook niet verheven voelen boven degenen, die slaaf is van zijn werk.

V

Steeds meer mensen hebben in onze tijd de beperkingen van beide manieren van leven ondervonden, want succesvol in het werk zijn is even betekenisloos geworden als je onderdompelen in de overvloed van het leven. Ik heb het nu over de sceptici en cynici, over degenen, die in wanhoop en angst leven, over hen, die - al was het maar een moment in hun leven – stilgezet werden in hun vlucht voor God en die ze daarna weer voortzetten – hoewel in een andere vorm, in de vorm van Hem serieus te bevragen of te ontkennen. De houding van deze mensen wordt intensief beschreven en geanalyseerd in de huidige kunst en literatuur. En soms hebben zij gelijk. Als zij echte sceptici zijn dan toont hun ernst en het erop volgende lijden aan, dat zij gelijk hebben. Als men echt in wanhoop verkeert, dan maakt de hel van hun serieuze wanhoop hen tot symbolen, waardoor wij beter in staat zijn onze situatie te begrijpen.

Maar men is nog steeds op de vlucht voor God. God heeft hen ‘getroffen’, maar zij hebben Hem niet herkend. Hun behoefte om Hem te ontkennen en hun houding toont aan, dat zij gearresteerd zijn in hun vlucht, al was het maar voor een moment. Als zij tevreden waren geweest met het succes van hun werk of met de overvloed van het leven, dan zouden zij geen ‘aanklagers van het zijn’ zijn geworden. Zij klagen het zijn aan, omdat zij vluchten voor de macht die zijn geeft aan ieder zijnde.

VI

Dit kan niet gezegd worden van de laatste groep van hen, die op de vlucht zijn voor God. Zij vluchten niet weg van het kruis, zoals de leerlingen hadden gedaan. Zij vluchten er juist heen. Zij kijken er naar en getuigen ervan en zij worden erdoor opgebouwd. Zij zijn eigenlijk beter dan de leerlingen! Maar is dat echt zo? Als het kruis een kenmerk of dogma wordt van ons religieuze erfgoed, hetzij van onze ouders of van ons kerkgenootschap, blijft het dan nog wel het kruis van Christus, het beslissende punt, waar het eeuwige het tijdelijke doorklieft? Maar misschien is het niet de voorouderlijke traditie, die ons bij het kruis houdt. Misschien komt het wel door een plotselinge emotionele ervaring, een bekering onder invloed van een geweldige prediker of evangelist, die ons, voor het eerst, oog in oog heeft doen staan met het kruis! Maar ook dan, op het hoogtepunt van onze emotie, moeten wij onszelf afvragen: is ons buigen voor het kruis niet onze veiligste manier om van het kruis weg te vluchten?

VII

Maar op welke manier ook maar wij wegvluchten voor God, wij kunnen altijd gearresteerd worden. En als dat gebeurt dan snijdt er iets door ons geregelde levensproces heen. Het is weliswaar een moeilijke, maar ook een mooie ervaring! Men kan van zijn werk gegooid worden en denken, dat de betekenis van ons leven voorbij is. Men kan plotseling de leegte voelen van wat eerst een overvloedig leven leek. Men kan zich ervan bewust worden, dat

zijn/haar cynisme geen echte wanhoop is, maar verholen arrogantie. Men kan temidden van een godsdienstige handeling ineens ervaren dat men God heeft ingewisseld voor religieuze gevoelens. Dit alles is net zo pijnlijk als verwond worden door een mes. Maar het is ook mooi, want er wordt een nieuwe levensdimensie door geopend. God heeft ons gearresteerd en iets nieuws neemt ons in beslag.

Deze nieuwe werkelijkheid, die dan in en aan ons verschijnt komt niet in de plaats van de oude werkelijkheid, maar zij transformeert die door ere en nieuwe dimensie aan te geven. We werken nog steeds en het werk blijft moeilijk en vol onzekerheid en als altijd blijft het een groot deel van onze dag in beslag nemen. Maar het betekent niet langer meer de zin en betekenis van ons leven! Want de kracht of de mogelijkheid om te werken kunnen van ons afgenomen worden, maar niet de betekenis van ons leven! We realiseren ons, dat werken dat ons niet kan geven, maar dat het evenmin dat van ons kan afpakken. Want de betekenis van werk(en) zelf is iets anders geworden. Door te werken helpen we mee om de oneindige mogelijkheden, die in het leven verborgen liggen, tot werkelijkheid te maken. We werken samen met de krachten, die het leven zelf creëert, zowel in de kleinste als in de grootste vorm van arbeid. Door ons, als mensen die werken, wordt iets van de onuitputtelijke diepte van het leven openbaar. Dat is het wat men voelt – al is het maar even – indien men gearresteerd wordt door God. Werkt wijst aan zichzelf voorbij. En daarom wordt het gezegend (werk) en worden ook wijzelf erdoor gezegend. Immers, gezegend-zijn betekent vervulling in de diepste dimensie van ons zijn.

En als iemand gearresteerd wordt door de diepe leegte van het volle leven te ervaren, dan wordt de overvloed zelf niet van hem weggenomen; het leven kan hem of haar nog prachtige momenten van extase en vreugde blijven geven. Maar het betekent niet langer meer de zin en betekenis van zijn/haar leven. De uitwendige mogelijkheden of het er innerlijk klaar voor zijn om de extase van het leven volop te ervaren mogen verdwijnen, maar niet de betekenis van zijn/haar leven! Hij beseft (ineens), dat de overvloed zelf dat niet kan geven en dat het daarom daardoor ook niet kan worden afgenomen. Want de overvloed van het leven wordt iets nieuws voor hem, die gearresteerd is door God. Het wordt een uitdrukking van de creatieve liefde, die verenigt wat gescheiden is, die geeft en neemt, die ons boven onszelf uittilt en ons laat zien, dat we eindig zijn en alles moeten ontvangen en dat zorgt ervoor, dat wij het leven liefhebben en dat doordringt alles tot op zijn eeuwige grond.

En als iemand gearresteerd wordt door God en zich bewust wordt van het gebrek aan Ernst van zijn twijfel en wanhoop, dan wordt de twijfel niet van hem weggenomen en de wanhoop houdt niet op te bestaan al seen dreiging voor hem, maar zijn twijfel zal niet langer tot wanhoop leiden. Het zal hem niet langer de betekenis van zij leven ontnemen. Twijfel kan hem dat in geen geval geven, zoals hij heimelijk in zijn cynische arrogantie geloofde; maar ook de twijfel kan dat niet van hem afnemen, zoals hij in zijn wanhoop soms dacht. Want de twijfel wordt iets anders vor een ieder, die gearresteerd wordt door God.

Want zo en daardoor (alleen) dringt hij/zij door tot de diepte van zijn/haar zijn en in de diepte van alle zijn. De twijfel is niet langer meer een intellectueel spelletje of een onderzoeksmethode. Nee, zij ondermijnt met de moed der wanhoop alle ongefundeerde aannames, waarop ons leven is gebaseerd. De ene na de andere valt om en zo komen we steeds dichter bij de grond van ons leven. En dan gebeurt het of kan het gebeuren, dat degenen, die ernstig twijfelen over zichzelf en hun wereld, de dimensie ontdekken, die uitkomt bij het ultieme, waardoor wij zijn gearresteerd. En men beseft ineens, dat de waarheid verborgen lag in de oprechtheid van zijn/haar twijfel.

En als iemand gearresteerd wordt door God en zich bewust wordt van het dubbelzinnige karakter van zijn religieuze leven, dan wordt de religie iet van hem afgenomen. Maar hij realiseert zich wel ineens, dat zij hem niet de betekenis van het leven kan bieden. Hij verliest de betekenis van zijn/haar leven niet, als hij/zij zijn/haar godsdienst verliest. Een ieder, die gearresteerd wordt door God gaat boven of voorbij religie of niet-religie. En als hij aan zijn godsdienst vasthoudt dan wordt het toch iets anders voor hem. Het wordt een kanaal, niet een wet, het wordt een manier, waarop de presentie van het ultieme hem gearresteerd heeft, die de enige manier. Hij heeft vrijheid van religie verworven, maar ook vrijheid tot religie. Hij weet zich erdoor gezegend, maar hij is ook gezegend buiten haar. Hij is geopend tot de ultieme dimensie van het zijn.

Daarom: vlucht niet weg! Laat jezelf arresteren en wees gezegend!

 

Lees meer uit: Het Eeuwige Nu

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.