A History of Christian Thought

 

“A History of Christian Thought” bevat een door een student stenografisch genoteerde collegedictaten van Paul Tillich. Hij geeft een overzicht van het ‘christelijk denken’ de eeuwen door en hieronder vindt u een college over de inhoud en betekenis van Calvijn’s theologie.

 

Tillich gaf deze lezingen voor theologiestudenten aan het Union Seminary in New York, waar hij sinds 1933 als docent werkte. Deze colleges zijn in de jaren 70 uitgegeven en dateren grotendeels uit de jaren 50 van de vorige eeuw.

 





A HISTORY OF CHRISTIAN THOUGHT

 

De geschiedenis van het christelijk denken

 

College 36: Calvijn over de uitverkiezing, de Voorzienigheid, het kapitalisme, kerk en staat en het gezag van de Bijbel

 

Vrijdag sloten we af met enkele algemene gedachten van Calvijn over de voorzienigheid, d.i. de enorme krachtige manier van kijken naar de werkzaamheid van God in alles op ieder ogenblik en zijn leiding daarin. Als deze vooronderstelling juist is, als we inderdaad het gevoel hebben dat Calvijn hier dichtbij een soort goddelijk determinisme komt, dan moeten we de vraag stellen: “Hoe verhoudt dit alles zich tot de werkelijkheid van het kwaad?” We kunnen verschillende antwoorden onderscheiden.

 

Het lijden in en van de wereld vormt voor Calvijn niet echt een probleem. Omdat zijn eerste uitgangspunt de eer van God is, kan hij aantonen, dat het lijden van de mens 1) een natuurlijk gevolg is van de ontaarde, zondige wereld; 2) een manier is om de uitverkorenen tot God te brengen; 3) een manier is om zijn heiligheid te tonen in het straffen van een verdorven wereld.

 

Het fysieke kwaad ziet hij voor een deel als een natuurlijk gevolg, voor een deel als een opvoedkundig middel en voor een deel als straf op de zonde. Maar dit lost het probleem van het morele kwaad niet op. Hier moet Calvijn aanvaarden - en hij probeert het ook aan te tonen – dat het kwaad-doen van Satan en kwaadaardige mensen zijn bepaald in/door Gods raad. Ook Pilatus en Nebukadnezar zijn ‘knechten’ van God. God slaat hun verstand met verblinding en Hij verhardt hun harten en Hij plaatst een ‘kwade geest’ in hun hart. “Want God vervult, zoals Augustinus zegt, zijn rechtvaardige wil door de verkeerde wil van de boze mens(en) heen”. Augustinus legt uit, dat Hij het licht en de duisternis schept, en dat er geen kwaad kan geschieden, dat Hij niet heeft bewerkt. Zulke beweringen, die van God de oorzaak van het kwaad schijnen te maken, zijn alleen te begrijpen als we inzien, wat Calvijn zegt, dat de wereld “het schouwtoneel van Gods glorie” is.

 

Op het terrein, dat wij “de wereld” noemen, openbaart God zijn glorie. Om dat te doen veroorzaakt Hij het kwaad, zelfs het morele kwaad. Calvijn zegt: te denken, dat God het kwaad toestaat/toelaat vanwege onze vrijheid, is een frivole gedachte. Omdat God handelt in alles wat er gebeurt, volgt de booswicht in feite de wil van God op, hoewel Hij niet handelt naar zijn gebod. Door Zijn wil op te volgen veracht men Zijn gebod en daarom zijn zij schuldig.

 

Dit betekent dus, dat Calvijn’s idée over Gods voorzienigheid inhoudt, dat God strict genomen ‘veroorzaakt’ – niet bepaalt, maar veroorzaakt. Als sommige mensen vinden, zoals hij zich realiseert, dat dit eigenlijk iets is, wat we niet van God kunnen zeggen en dat zo’n soort voorzienigheid iets afschuwelijks is, dan antwoordt hij: “Onwetendheid aangaande de voorzienigheid is de grootste ellende, terwijl de kennis ervan verbonden is met het hoogste geluk”. Het geloof in de voorzienigheid bevrijdt ons van angst, afschuw en zorgen.

 

Deze periode, aan het einde van de middeleeuwen, is wel een tijd van rampen en veranderingen (in uitwendige zin), maar ook van diepe interne angst(en). De leer van de voorzienigheid is bij Calvijn geen abstracte leer, maar een leer die mensen van hun angsten moet afhelpen en die bedoeld is om mensen moed te geven en daarom prijst hij deze leer aan.

 

De leer van de predestinatie, voorbeschikking of uitverkiezing

 

Maar met deze leer is natuurlijk ook zijn beruchte leer over de uitverkiezing verbonden. Predestinatie (zoals dat oorspronkelijk heet) is de voorzienigheid betreffende de uiteindelijke bestemming van de mens. Het is de voorzienigheid, die de mens door dit leven loodst naar zijn uiteindelijke bestemming. En daarom is de uitverkiezing eigenlijk niets meer/anders dan de logische implicatie en de uiteindelijke voltooiing van de leer van de voorzienigheid.

 

Wat betekent ‘predestinatie’ eigenlijk? Waardoor doet dit probleem zich voor? Waarom is het zo, dat de grote namen in de godsdienstgeschiedenis van Jesaja, Jezus, Paulus, Augustinus tot Luther aan toe, aanhangers zijn van de ‘predestinatie’, terwijl degenen, die deze leer niet aanhangen, altijd dichter bij een morele interpretatie van het christendom zitten dan bij een strikt religieuze interpretatie? Dit is wel een probleem, waar wij onszelf over moeten ondervragen. Als we de predestinatie verwerpen dan ontkennen we wel de ‘hoofdlijn’ van de religieuze persoonlijkheden en hun theologie.

 

Wel, de vraag achter deze leer is deze: waarom ontvangt niet iedereen dezelfde mogelijkheid om de waarheid van het Evangelie te verwerpen of te aanvaarden? Waarom kreeg men het niet in historische zin? – men kon niet weten van Jezus. Waarom ontving men het niet in psychologische zin? – iemands geestelijke gesteldheid is van dien aard, dat hij/zij zelfs de betekenis

 

van wat tot hem/haar gezegd word niet kan begrijpen. Dat zijn vragen, die wij ons dagelijks kunnen stellen.

 

Het antwoord is dan: door de goddelijke voorzienigheid, maar, zoals we al hoorden, de voorzieningheid met betrekking tot onze eeuwige bestemming, dat is de uitverkiezing. Zodra het christendom de uniciteit van Christus onderstreept, moet het wel vragen, waarom de meeste mensen nooit van Hem gehoord hebben, terwijl zij, die wel in uitwendige zin over Hem gehoord hebben zo gepreconditioneerd waren, dat dit horen voor hen geen enkele betekenis had. M.a.w. men nam empirisch iets waar, namelijk dat er blijkbaar een selectief en niet een voor iedereen gelijk (werkzaam) principe in het leven werkzaam was. Men kan het leven niet begrijpen in termen van gelijkheid; het kan alleen maar begrepen worden in termen van een selectief principe.

 

Iedereen stelt (zich) deze vragen. En Calvijn zegt dan: Je moet zulke vragen niet vanuit een verkeerde bescheidenheid onderdrukken; men moet zulke vragen juist wel durven stellen. “We zullen nooit helder ervan overtuigd raken, dat onze redding voortvloeit uit de fontein van Gods vrije genade, als we ons niet vertrouwd maken met zijn eeuwige verkiezing, die de genade van God aan het licht brengt en laat zien, dat Hij niet iedereen, willekeurig wie, tot de hoop van de verlossing aanneemt, maar dat Hij aan sommigen geeft, wat Hij aan anderen weigert”.

 

Maar dit is nog maar één kant van de zaak. De andere gaat erover, dat het aan degenen, die deze vraag stellen, een zekerheid van hun redding geeft, omdat het de verlossing volledig onafhankelijk maakt van de wederwaardigheden in ons eigen bestaan. Dit was dit de tweede reden voor de ontwikkeling van deze leer, bij Paulus, Augustinus en Luther. Men zocht naar heilszekerheid! Indien men naar zichzelf keek, dan kon men die niet vinden, omdat hun geloof altijd zwak was en steeds veranderde. Maar als men buiten zichzelf keek, dan kon men die vinden in het handelen van God.

 

Het concrete karakter van Gods genade is zichtbaar in een verkiezing, die mij in het bijzonder kiest door anderen niet te verkiezen. Dit leidt tot de gedachte van de voorbeschikking. “Voorbeschikking is het eeuwige besluit van God, waardoor Hij in zichzelf bepaald heeft, wat Hij wil dat er van ieder mensenkind wordt, want men is niet allen tot dezelfde bestemming geschapen: immers het eeuwige leven is voorbestemd voor sommigen en de eeuwige verdoemenis voor anderen”. Dat is Calvijn’s definitie. Wat is de oorzaak van deze verkiezing? Alleen de wil van God en niets anders. “Indien wij daarom geen reden kunnen aanwijzen, waarom Hij genade verleent aan zijn volk dan alleen omdat dat Hem behaagt, zo kunnen wij ook geen andere oorzaak vinden dan Zijn wil om anderen te verwerpen”. M.a.w. het is de irrationele wil van God, die de oorzaak is van de voorbeschikking.

 

Welnu, hier raken we in een absoluut mysterie verzeild, zoals hij het ook zelf noemt. We kunnen God niet volgen noch ter verantwoording roepen. We moeten het accepteren en we moeten onze criteria betreffende het goede en ware laten vallen. Als iemand zegt, dat het onrechtvaardig is, antwoordt hij: We kunnen niet voorbij Gods wil komen tot iets wat God bepaalt (determineert), want Gods wil kan niet van iets anders afhankelijk zijn dan van Hemzelf. Hier krijgt het denken van Duns Scotus en V. Occham het volle pond: de wil van God is de enige oorzaak van wat God doet, niets anders.

 

Calvijn voelt ook zelf wel aan, dat deze leer eigenlijk afschuwelijk is. “Ik onderzoek opnieuw, hoe het toch kon gebeuren, dat de val van Adam, zonder dat er ook maar iets tegen te doen was, zoveel volken met hun kinderen moest voeren tot de eeuwige dood, alleen maar omdat Gods wil nu eenmaal zo was – het is een afgrijselijk besluit, ik geef het toe”. Als hij er op werd aangevallen, m.n. in zijn laatste jaren, bij de nadering van zijn dood, dan antwoordde hij vaak op een andere manier: alles hangt af van de goddelijke voorbeschikking, “hun verloren-zijn hangt af van de goddelijke voorbeschikking, maar op zo’n manier, dat de oorzaak en de zaak zelf in die mens zelf gevonden wordt”. De onmiddellijke oorzaak is de vrije wil van de mens. Zo kunnen we zien, dat Calvijn, net als Luther, op twee niveaus denkt. De goddelijke oorzaak is geen oorzaak in eigenlijke zin, maar is eerder een besluit, iets wat een mysterie is en waarop de categorie van de oorzakelijkheid alleen in symbolische – en niet in echte – zin van toepassing is. Bovendien wist hij – zoals iedere hervormer en aanhanger van de leer van de voorbeschikking – dat God handelt door de eindige vrijheid van de mens heen, wanneer Hij zijn besluit van de voorbeschikking bepaalt.

 

Als wij hierop kritiek uitoefenen moeten wij niet zeggen, dat het eenvoudigweg gaat om een tegenstelling tussen Gods causaliteit en de menselijke vrijheid – dat is te gemakkelijk – want het gaat hier om verschillende niveaus en daartussen kan geen tegenstelling bestaan. Als er sprake is van een tegenstelling dan heeft men die alleen op hetzelfde niveau of vlak. Als er dus twee niveuas bestaan, namelijk de daad van God, die mysterieus is, want die past niet in onze categorieën- en je hebt de daad of daden van mensen, waarin vrijheid en bepaald-zijn gemengd zijn – dan heb je het ‘plaatje’ goed voor ogen. Denk a.u.b. niet, dat de Reformatoren en alle andere grote theologen op (slechts) één niveau dachten. Want anders kom je tot allerlei onmogelijke beweringen, die niet alleen in tegenspraak zijn met elkaar – en als je dan vastgelopen bent met je knappe kop dan zeg je, dat we deze tegenspraak moeten accepteren; maar als we denken op twee niveaus, waarbij genoeg ‘geheimenis’ over blijft, maar geen simpele logische contradicties; immers, dan zou je eenvoudigweg woorden spreken, die niets betekenen.

 

Dit moet men ook niet doen, wanneer men iets in een paradox wil uitdrukken: laat het niet zo worden, dat je dan woorden zegt zonder betekenis. Men moet denken in termen op twee niveaus. Bijv., men kan zeggen: “Ik kan niet om de categorie van de causaliteit heen, als ik spreek over het handelen van God en wanneer ik dat doe, dan leid ik alles van God af, inclusief mijn eigen bestemming”. Dit klinkt als mechanisch determinisme. Maar dat is niet wat bedoeld wordt. We spreken op twee ‘levels’, waarop de ene het begrip ‘causaliteit’ in echte zin gebruikt en dat afzet tegen de eindige vrijheid – dat is het menselijke niveau (van spreken); maar dan is er het goddelijke niveau, waar het begrip ‘causaliteit’ symbolisch gebruikt wordt en waar alles wat ons tot God brengt van Hem wordt afgeleid. Deze twee beweringen moeten beide gezegd worden en als je ze over twee ‘levels’ verdeelt, dan zijn er ook geen logische contradicties en dus ook geen betekenisloze zinnen. Maar eis nooit van iemand zijn eigen ‘logos’ op te geven, want dat maakt het beeld van God uit en poneer ook nooit betekenisloze beweringen, want zo zit de verhouding tussen God en de mens niet in elkaar.

 

Uiteraard roept dit het problem op, waar iedere Calvinist mee te maken heeft, namelijk de vraag: “ben ik uitverkoren?” Wat kan ons de zekerheid van onze verkiezing verschaffen? En zo begint het zoeken naar criteria, naar kenmerken van onze verkiezing. En Calvijn vindt er inderdaad enkele: de eerste en meest beslissende uiteraard is de innerlijke verhouding tot God in de daad van het geloof. Maar er is ook de zegen(ing) van God en de hoogstaande moraal van iemand – het zijn allemaal symptomen van verkiezing. Nu bracht dit psychologisch een situatie teweeg, waarin de individu alleen zekerheid verkreeg, wanneer hij de kenmerken van die zekerheid bij zichzelf waarnam, namelijk een moreel hoogstaand leven leiden en economische voorspoed als zegen ontvangen. En dit betekende, dat hij trachtte een goede bourgeois en ijverige burger te worden en hij geloofde, dat als hij dat was, hij dan de kenmerken van zijn uitverkiezing bezat. Uiteraard besefte de theologie, dat uitverkiezing nooit door dit soort ‘daden’ veroorzaakt werd. Maar als die er waren dan had men in elk geval een soort zekerheid, maar hier zien we meteen het gevaar van deze kenmerken-theologie.

 

Het is opmerkelijk hoe weinig Calvijn te vertellen heeft over de liefde van God. De eer van God neemt bij hem de plaats van de liefde van God in. Als hij over de liefde van God spreekt dan betreft het ook alleen de liefde voor zijn uitverkorenen. Maar de universele liefde van God wordt ontkend en de demonische ontkenning/afwijzing, de splijting van de wereld, heeft bij Calvijn daarom iets eeuwigs door zijn leer van de dubbele predestinatie. Zo moet deze leer wel de leer van Gods liefde tegenspreken, die alles onderhoudt wat bestaat, een leer, die Dante nog wel kende, toen hij schreef in zijn Divina

 

Comedia, dat er boven de ingang van de hel geschreven staat: “Ik ben ook geschapen door de liefde van God”. Maar als iets geschapen is door de liefde van God, dan kan dat geen eeuwige verdoemenis zijn!

 

Nu zijn er bij Calvijn veel discussies te vinden over de vraag, hoe een christen moet leven. Ik wil er slechts een paar opmerkingen over maken. “Wanneer men ‘levendmaking’ (vivificatio) uitlegt als die vreugde, die de ziel ervaart nadat haar verschrikkingen en angsten voorbij zijn, dan kan ik daar niet mee instemmen (o.a. bijv. met Luther), omdat het eerder een vurige wens zou moeten inhouden en ook een poging daartoe om een heilig en vroom leven te leiden, zoals ook gezegd is, dat een mens aan zichzelf moet sterven om een leven voor God te kunnen aanvangen”. Voor Luther is een nieuw leven een vreugdevolle hereniging met God; voor Calvijn is het de poging om de wet van God te volbrengen in de vorm van een leven als christen. En de samenvatting van zo’n leven is zelfverloochening en niet liefde: het is een afscheid van onszelf. “O, wat een geweldige vooruitgang heeft die mens geboekt, die onderwezen zijnde dat hij niet zichzelf toebehoort, de soevereiniteit en het beheer over zichzelf vanuit zijn eigen rede heeft opgenomen om het aan God over te geven”. Luthers ten dele ‘op en neer’ bewegen in het geloofsleven, zijn extase en wanhoop is niet zoals Calvijn het leven van een christen beschrijft. Bij hem is het leven van een christen eerder een omhooggaande lijn, die in verschillende stadia vorm krijgt. En dit laat zien, dat we hier met een geheel andere type (vroomheid) te maken hebben.

 

Calvijn en het kapitalisme

 

Ik noem hier nog twee andere elementen daarin: (1) de wereld is een plaats van ballingschap en het lichaam is een armzalige gevangenis van de ziel. Hierin vernemen we eerder woorden van Plato dan van het Oude en/of Nieuwe Testament. Maar zo was dat bij hem. Toch ontkende hij iedere vorm van haat jegens het leven. En zijn vorm van ascese was niet de ‘roomse’, die het leven ontkende alsook het lichaam tenonder liet gaan d.m.v. allerlei ascetische activiteiten. Maar bij Calvijn was het wat Max Weber en Ernst Troeltsch de “Innerweltlich Askese” noemden, een ascese, die twee kenmerken bezat: zuiverheid in de vorm van soberheid, kuisheid, matigheid, - en dat alles dan ondergebracht bij het begrip “zuiver”. Dit heeft enorme gevolgen gehad voor het leven binnen de landen, die calvinistisch waren geworden: een extreme aandacht voor uiterlijke zuiverheid, een indentificatie van het erotische met het onzuivere – tegen de beginselen van de Reformatie in, maar wel volgens de calvinistische ethiek.

 

Ten tweede (2) legde Calvijn er de nadruk op, dat onze activiteiten in deze wereld activiteiten van productie(middelen) zijn, die winst opleveren. Men

 

heeft dit wel ‘de geest van het kapitalisme’ genoemd. Nu is dit woord vaak misverstaan en daarom wil ik er een paar woorden over zeggen. Er zijn enkele eenvoudige lieden, die denken dat geweldige geleerden als Max Weber en Ernst Troeltsch hebben beweerd, dat het calvinisme het kapitalisme hebben voortgebracht. En deze lieden zijn dan natuurlijk nog slimmer dan Max Weber – waarschijnlijk de grootste geleerde gedurende de 19e eeuw op het gebied van de menswetenschappen en de sociologie – en zij vertellen hem, dat er al kapitalisme bestond voordat Calvijn leefde, m.n. in de noorditaliaanse vlakte van Lombardij, in de Zuid- en Noordduitse steden, in Londen enz. Dus er is al sprake van het kapitalisme vóór Calvijn en dus zit Weber er naast en heb ik, slimme jongen, gelijk!

 

Natuurlijk klopt dit niet! Weber zei, dat er iets in de geest van de calvinistische ethiek zat (en enkele verwante sectarische stromingen) dat een bijdrage leverde aan de investeringen in de kapitalistische economie. In de voor-kapitalistische economie liet de rijke zijn rijkdom zien door een overdadig leven: hij bouwde kastelen of landhuizen of patriciërshuizen – en we genieten er nog dagelijks van. Maar dat is niet de manier waarop het calvinisme aan de mensen laat zien, hoe men zijn rijkdom gebruikt. Gedeeltelijk moet men dat besteden aan ‘charity’ – zoals hier is dat eigenlijk de basis van iedere cultuur – en gedeeltelijk aan nieuwe investeringen. En dat is inderdaad een van de beste manieren om bij te dragen aan een kapitalistische vorm van economie, namelijk winsten maken met het oog op investeringen, waardoor nieuwe productie(middelen) ontstaa(t)n enz. Dat is, zoals calvinisten zouden zeggen, veel beter dan geld verkwisten aan een luxe leventje.

 

Welnu, dát wilde hij zeggen. Als je niet wilt geloven, dat hij gelijk had, dan kan ik je vertellen dat in oostelijk Duitsland ruim voor de 20e eeuw grote armoede zichtbaar was: de steden waar de protestanten woonden waren o.h.a. welvarend, terwijl waar de katholieken woonden de armere steden waren. Maar misschien waren de armeren wel gelukkiger dan de rijken! – je kunt dat zo in het algemeen niet beweren, maar wat men wel kan zeggen is, dat deze door het calvinisme beïnvloede steden en plaatsen het Duitse kapitalisme voortbrachten – en niet de katholieken en lutheranen, die meer in het Oosten woonden.

 

Deze mannen hadden dus gelijk, als je tenminste geen kinderlijke nonsense maakt van wat zij beweerden – en dat moet men natuurlijk nooit doen met zo’n grote geleerde.

 

De leer van Calvijn over ‘kerk en staat’

 

Evenals Luther behelst de leer van Calvijn omtrent de kerk, dat dat de plaats is waar de prediking plaats vindt en de sacramenten op een juiste wijze bediend

 

worden, in rituele zin. Maar Calvijn maakt een radicaler onderscheid tussen de empirische en de onzichtbare kerk. Terwijl voor Luther de onzichtbare kerk in feite de spirituele kwaliteit van de zichtbare kerk is, is voor Calvijn de onzichtbare kerk het lichaam van allen, die uitverkoren zijn vanuit alle tijdperken in de geschiedenis en dat hangt niet altijd af van de prediking van het Woord. Dit hangt weer samen met wat we geleerd hebben over Zwingli en Calvijn: de leer van de Heilige Geest is universeel actief en werkt ook los van de verkondiging van het Evangelie.

 

Van hieruit gezien is de zichtbare kerk dan een soort nood-instelling, een aanpassing van God aan de menselijke zwakheid. Daarom is het van geen belang om in de kerk te geloven, maar gaat het erom te geloven, dat er een kerk is. De belangrijkste functie van de kerk is ‘opvoedend’. De kerk heeft door haar ‘middelen’ altijd weer nieuwe mensen de onzichtbare kerk binnen te leiden, het lichaam der uitverkorenen. Anderzijds is de nadruk op de opvoedende functie van de kerk veel sterker dan in het Lutheranisme. Al is de kerk uiteindelijk een soort nood-greep van God, in werkelijkheid is het toch de enige manier voor de meeste christenen om überhaupt tot God te komen. Daarom heeft Calvijn een heel andere leer omtrent de kerk ontwikkeld dan Luther. In plaats van twee kenmerken van de kerk, namelijk het onderricht en de sacramenten, heeft Calvijn er drie: onderricht, sacramenten en tucht (discipline).

 

Dit element van de tucht is erg beslissend. “Aangezien sommigen zo’n afkeer hebben van tucht en het begrip alleen al verafschuwen, zou men toch het volgende moeten overwegen. Zoals de leer van de verlossing door Christus de ziel van de kerk uitmaakt, zo vormt de tucht a.h.w. de spieren die de leden aan elkaar verbindt en ieder op de juiste plaats houden”. De tucht begint met een persoonlijke vermaning – en zo’n vermaning was vaak erg serieus; dan gaat het verder tot een openbare aanklacht (dit was sociaal gezien een ramp) en uiteindelijk komt men tot uitsluiting (excommunicatie). Maar zelfs excommunicatie is niet in staat om iemand van de reddende kracht van God af te houden. In de Romana kan iemand, die ge-excommuniceerd is in die staat niet behouden worden, maar iemand binnen het protestantisme kan gepredestineerd zijn en als hij/zij dat is, wordt hij/zij behouden ondanks de uitsluiting, want die is dan niet meer werkzaam.

 

Deze drie kenmerken zijn af te leiden uit de wet van God. Maar daar is nog meer uit af te leiden, zoals de vier ambten: herders of dienaars van het Woord (beide termen worden gebruikt), doctoren of leraars, ouderlingen en diakenen. De belangrijkste van hen zijn de leraren en de ouderlingen. Deze vier ambten zijn door God ingesteld en hebben altijd al bestaan; men kan ze afleiden uit de Bijbel.

 

In de kerk bestaat in haar gemengde staat een gemeenschap van actieve heiligmaking. Deze gemeenschap wordt tot stand gebracht door de kerk en wordt zichtbaar aan de Maaltijd des Heren. Daarom gaat de tucht aan de Maaltijd vooraf. Maar ik wil nu niet al te veel ingaan op de leer van de sacramenten bij Calvijn. Het belangrijkste is dat hij een middenweg zoekt tussen Luther en Zwingli. Hij wil niet, zoals Zwingli doet, dat het Avondmaal louter een herinneringsmaal is; hij wil de aanwezigheid van God erkennen, maar dan niet een presentie, zoals bij Luther, die hij bijgelovig en magisch vindt, waarbij zelfs iemand die niet gelooft toch het lichaam van Christus eet.

 

De leer over de staat

 

Calvijn was een humanist en daarom geeft hij de staat veel meer functies dan Luther. Luther gaf de staat eigenlijk maar één functie: het kwaad weerstaan en de maatschappij tegen chaos beschermen. Calvijn gebruikt echter enkele ideeën vanuit het humanisme, namelijk goed besturen, mensen helpen e.d., een positieve invulling dus. Om het kort door de bocht te zeggen: de functie van een politieman in Duitsland is onderdrukken (wat mis gaat), maar hier in de VS heeft de politie deze functie ook wel, maar daarnaast is hij er ook om te helpen. Toen wij hier 20 jaar geleden aankwamen was het een openbaring, dat je op een politieman kon afstappen om iets te vragen. In Duitsland is dat onmogelijk! Ik hoop, dat dat inmiddels anders geworden is, maar ik geloof het niet. De staat onderdrukt, maar helpt nooit!

 

Maar Calvijn ging nooit zover, dat hij zou zeggen – zoals enkele sectarische bewegingen – dat de staat het Koninkrijk Gods kon worden of zijn. Hij noemt dat een Joodse dwaasheid. Maar – evenals Zwingli – Calvijn zegt wel, dat de theocratie gevestigd moet worden, d,w,z, dat de regering niet zozeer priesterlijk moet zijn, maar dat de heerschappij van God doorkomt door de toepassing van de wetten van het Evangelie, werkzaam in de politieke situatie. En daar heeft hij hard aan gewerkt. Zo eiste hij, dat de bestuurders van Genève zich niet alleen bezighielden met wetgeving en ordeproblemen in het algemeen, maar ook met allerlei aspecten van het dagelijks leven, m.n. ook voor de kerk; niet dat zij (de overheid) in de kerk iets zou mogen leren of iets zou mogen beslissen over wat er geleerd werd, maar zij hield wel supervisie over de kerk door godlasteraars en ketters te straffen – en dat deed Calvijn ook met behulp van de magistraten van Genève – en zo vormde(n) zij een soort samenleving, waarin de wet van God het hele leven doortrok. Daar zijn in feite geen priesters of predikanten bij betrokken. Theocratische heersers zijn normaal gesproken geen priesters, want dan zou de theocratie een hierocratie zijn – nee, het zijn doorgaans leken en dat is eigenlijk wat hij ook voorstond. De

 

staat moet de goddeloze straffen, zo stelt hij. Zij worden misdadigers, omdat zij de wet van de staat overtreden, die gebaseerd is op de wet van God.

 

Het calvinisme heft ervoor gezorgd, dat het protestantisme niet overweldigd werd door de Contra-Reformatie. En dat is wereld-schaal gebeurd door de mogelijkheid van allianties van protestanten over de hele wereld: m.n. Cromwell was een pikeur in het aangaan van bondgenootschappen over de wereld.

 

Deze politiek kennen wij nog steeds in dit land (de VS), de gedachte om alle goede mensen te verbinden tegen de kwade; uiteraard zijn de slechte mensen dan de politieke vijanden, maar dit wordt gedaan in naam van de goeden. Dat is iets wat de Lutheranen niet zo gauw zullen doen. Toen zij het uitprobeerden viel het meteen uit elkaar. Dit heeft het calvinisme een enorme internationale macht gegeven.

 

Dan is er nog een element in het calvinisme en dat is de mogelijkheid tot revolutie/opstand. Als je Calvijn leest denk je, dat dat nog ‘slechter’ is dan wat Luther daarover zei. Hij zegt weliswaar dat iedere opstand tegen de wet van God is, zoals ook Luther stelde. Maar dan maakt hij een uitzondering, die beslissend is geworden voor de Europese geschiedenis. Hij zei namelijk, dat niet de individuele burger in opstand mag komen, maar wel de lagere magistraten als de natuurwet, waaraan iedere heerser/vorst onderworpen is, deze vorst zou tegenspreken. Dan hebben de lagere magistraten de plicht om tegen hem in opstand te komen.

 

Dit is uiteraard een mogelijkheid, die in een democratie zoals de onze, waar wij allemaal in feite lagere magistraten zijn – door te stemmen vormen wij de regering – onder deze omstandigheden is opstand toelaatbaar, overal. En dit was ook de situatie in West-Europa, waar de meeste koningen en koninginnen katholiek waren en het protestantisme kon alleen maar overeind blijven dankzij mensen, die ervan overtuigd waren, dat zij in naam van God tegen hun vorsten en vorstinnen konden strijden, indien die vorsten het ware Evangelie onderdrukten, namelijk het door de Reformatie gezuiverde Evangelie.

 

Calvijn over de Schrift

 

Laat ik nog een paar woorden wijden aan de leer betreffende het Schriftgezag. Dit is een zeer gewichtig punt, omdat hierdoor zich uiteindelijk het biblicisme kon ontwikkelen in de meeste groepen van het protestantse geloof. De Bijbel is voor Calvijn de wet van de waarheid en van het woord. De waarheid blijft uiteindelijk in de wereld door deze voortgaande ‘cursus’ vol instructies voor alle tijden en heeft er voor gezorgd, dat dezelfde oorkonden, die Hij voor de aartsvaders bepaalde ook publieke verslagen werden. Zo kwam de Wet onder de mensen, waarvan de profeten de eerste uitleggers werden. De Bijbel is

daarom een boek, dat vooral gehoorzaamd moet worden: het bevat een ‘hemelse leer’. Dit was noodzakelijk – en hier gaat het ook weer om een aanpassing – vanwege het verminkte menselijke denken. Dit was de noodzakelijke weg om de leerstellingen van het christendom te bewaren, door de op te schrijven. Zo spreken de instructies van God in deze ‘bijzondere school van de kinderen Gods’, zo zegt Calvijn ergens.

Nu kan dit betrekkelijk onschuldig zijn, maar ook het tegenovergestelde is mogelijk en zo is er veel discussie ontstaan hoe men zijn leer omtrent de Schrift moet uitleggen. In elk geval staat vast, dat deze leer een absoluut karakter draagt, maar dit is alleen absoluut voor hen, aan wie de Heilige Geest het getuigenis geeft, dat dit boek de absolute waarheid bevat. Maar als dit zo is dan zien we het gebeuren, dat de hele Bijbel een autoritair boek wordt van een radicaal autoritair soort.

Dat de Bijbel gezag heeft wordt afgeleid uit het feit, dat de Bijbel samengesteld is als een dictaat van de Heilige Geest. Deze term ‘dictaat van de H. Geest’ is iets, dat de leer van de letterlijke inspiratie heeft voortgebracht. Dit is iets wat alles binnen het Calvinisme overtreft en dit spreekt in feite het protestantse principe als zodanig tegen: de discipelen waren ‘pennen’ van Christus. Alles wat van henzelf meekwam werd ‘overschreven’ door de H. Geest, die getuigt dat in dit boek de directe woorden van God te vinden zijn. “Er bestaat echter een onderscheid tussen de apostelen en hun opvolgers – de apostelen waren de zekere en echte ‘handlangers’ van de H. Geest en daarom moeten hun geschriften als woorden van God ontvangen worden”. De Bijbel is ‘uit de mond van God’ geschreven, d.w.z. de hele Bijbel. Het onderscheid tussen Oude en Nieuwe Testament verdwijnt grotendeels. Men kan deze opvatting tot vandaag de dag toe in vrijwel ieder calvinistisch land aantreffen.

 

Ga naar het overzicht Colleges

Paul Tillich (1886-1965)

Deze website, geïnitieerd en beheerd door Dr. Cees Huisman, heeft als doelstelling om de filosofie en de theologie van Paul Tillich meer bekendheid te geven in Nederland. Zo zullen hier (nieuwe) vertalingen van bekende en minder bekende werken van Paul Tillich in het Nederlands verschijnen, alsook beschouwingen en artikelen over hem.
Het is mijn stellige overtuiging, dat Paul Tillich’s denken nog springlevend is en nog steeds betekenis heeft voor de kerk, de maatschappij en de cultuur in West-Europa -  ook in Nederland, ook al overleed deze bijzondere theoloog ruim 50 jaar geleden.
In de komende maanden en jaren zal de content van deze website in omvang toenemen en alleen daaruit al zal de relevantie van zijn theologie blijken.

E-mail

Wilt u meer weten? Stuur dan een e-mail. This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.